• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Iedereen begrijpt voorzeker, dat de vernieuwing van heel de Kerk, die door het Tweede Vaticaans Concilie is verlangd en bevorderd, voor een groot deel afhangt van het priesterlijk dienstwerk en dus van de vorming die de priesters hebben ontvangen en van de voortzetting en verbetering van die vorming na hun wijding, vooral in de eerste jaren van hun pastoraal leven. Nu is het een belangrijk onderdeel van het dienstwerk van de bisschoppen te zorgen, dat deze vorming wordt beveiligd en zo goed mogelijk wordt verzorgd:

'Daar de priesteropleiding, vanwege de maatschappelijke omstandigheden vooral van de laatste tijden, ook na afsluiting van de studies in de seminaries moet worden voortgezet en afgerond, is het de taak van de bisschoppenconferenties bij de afzonderlijke volkeren de daartoe geëigende middelen aan te wenden, zoals pastorale instituten, die met speciaal geselecteerde parochies samenwerken, bijeenkomsten op vastgestelde tijden en aangepaste oefeningen met behulp waarvan de jongere geestelijken geleidelijk in geestelijk, intellectueel en pastoraal opzicht wordt binnen geleid in het priesterleven en de apostolische activiteiten en deze van dag tot dag beter kan vernieuwen en begunstigen'.

Deze drie aspecten van de priesterlijke vorming - het geestelijke, het verstandelijke en het pastorale aspect - moeten zeer eng en ook op de juiste wijze met elkaar worden verbonden. Want het is absoluut nodig, dat er een juiste harmonie bestaat tussen de doeleinden die men met de voortgezette vorming wil bereiken: een harmonie dus tussen de theologische vorming, de pastorale praktijk en het geestelijk leven, dank zij nauwe verbondenheid en onderlinge samenwerking. Het gevaar, dat de geestelijke vorming teveel aandacht krijgt, schijnt minstens in onze tijd niet zo erg en zo veelvuldig te bestaan. Dit geestelijk leven moet worden beschouwd als de grondslag van de twee andere aspecten, want het werk in de zielzorg is als het ware de vrucht ervan en de theologische wetenschap kan terecht het richtsnoer ervan worden genoemd.

Een goed opgezette intellectuele vorming van de priesters moet niet alleen een nieuwe behandeling maar ook een bevestiging omvatten van de voornaamste vakken die ze al eerder hebben bestudeerd, vooral van die kwesties uit de gewijde leer die belangrijk zijn voor het geestelijk leven en de zielzorg; ook moeten de vorderingen van de theologie en nieuwe kwesties van de zielzorg de aandacht krijgen, vooral in zover ze door het levend leergezag van de Kerk zijn belicht; tenslotte moet men zorgen, dat al hun praktijkervaringen inzake de zielzorg in verband worden gebracht met een degelijk overzicht van de leer. Daarom dienen bij de studies na de priesterwijding de volgende zaken de aandacht te krijgen: kwesties die betrekking hebben op de Heilige Schrift, de Kerkvaders, de Kerkleraren, de documenten van de traditie - waarbij de decreten van het leergezag van concilies en Pausen bijzondere aandacht zullen krijgen -, de liturgie, degelijke werken van theologen, evenals praktische oefeningen in pastoraal, catechese, homiletiek, opvoedkunde en vraagstukken over de sociale leer van de Kerk. Wel moet men deze woorden voor ogen houden uit het decreet 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Presbyterorum Ordinis
Over het leven en dienst van de priester
(7 december 1965)
:

'In de heilige wijdingsritus worden de priesters door de bisschop erop gewezen, dat 'zij gerijpt moeten zijn in de kennis' en dat hun onderrichting 'een geestelijk geneesmiddel voor het volk van God' moet zijn. De kennis nu van een heilige bedienaar moet heilig zijn, omdat zij uit een heilige bron genomen en voor een heilig doel bestemd is'. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 19

Maar de keuze van de stof van deze studie voor de vorming van de priesters mag naar onze mening niet worden overgelaten aan de willekeur of de wensen van individuele personen. Want deze stof mag niet worden bepaald door bepaalde opvattingen die in onze tijd heersen of door een of andere theologische school. Wel moet men altijd letten op en rekening houden met het verlangen van de priesters, maar zo'n wens kan niet de norm en maatstaf zijn bij het uitkiezen van de stof voor de theologische vorming.
Het is nuttig hier enkele moeilijkheden te overwegen die tegenwoordig niet zelden voorkomen, als deze opleiding van jongere priesters in praktijk wordt gebracht. Want in onze tijd worden bijna inzake alles, ook inzake geloofswaarheden, twijfels en moeilijkheden naar voren gebracht, zodat soms ook bij vele priesters geen persoonlijke zekerheid meer bestaat omtrent de echte katholieke leer en zelfs de beginselen die het christelijk en priesterlijk leven leiden en regelen in twijfel worden getrokken of minstens in discussie worden gesteld.

Zo'n houding is allesbehalve gunstig voor de bovennatuurlijke geest die absoluut nodig is voor het leven en het werk van de priesters, maar leidt eerder tot de zogenaamde 'secularisatie', die niet alleen feitelijk wordt aangetroffen, maar soms ook openlijk wordt nagestreefd. Want de katholieke leer is als het ware een erfenis die iedereen op veilige en persoonlijke wijze bezit, zodat ze zijn leven en daden metterdaad regelt. Verliest hij die, dan zijn er geen middelen meer om te weerstaan aan het naturalisme en het praktisch materialisme waardoor het maatschappelijk leven in onze tijd over heel de linie wordt aangetast.

Jongere priesters ondervinden niet zelden moeilijkheden bij het ongeschonden bewaren van de geloofsschat die door Jezus Christus aan de Kerk is toevertrouwd. Dit heeft vele oorzaken: gedeeltelijk komt het voort uit een toegenomen neiging om tegen te spreken, zodat men niet aarzelt ook de overgeleverde geloofswaarheden, vooral wat de formulering ervan betreft, af te keuren; deze neiging tot afkeuren heeft vooral betrekking op de uitlatingen van het authentiek kerkelijk leergezag, zozeer dat de gehoorzaamheid gevaar loopt. Voor een ander deel schijnt de oorzaak van deze onrust te moeten worden gezocht in de toegenomen invloed van de empirische wetenschappen, wier conclusies door theologen soms worden uitgelegd op een wijze die niet bij het geloof past; al wordt deze uitleg zelfs afgekeurd door de beoefenaars zelf van deze vakken, als ze tenminste niet een ideologie aanhangen die vijandig is jegens de christelijke godsdienst. Tenslotte moeten we de verandering op sociaal gebied vermelden, die grote invloed heeft op alles wat het sociale leven van de priester betreft.
Nu vraagt het geestelijk leven een levend persoonlijk geloof, want daaruit ontstaat het, daarop steunt het, daardoor groeit het. Deze betrekking is wederkerig: want het geestelijk leven van zijn kant versterkt het geloof en beveiligt daarom de theologale manier van studeren, denken en beslissen wat moet worden gedaan en vergemakkelijkt zo ook het aanvaarden van een leer die door het leerambtelijk gezag wordt voorgehouden. Dit nu is de onmiddellijke maatstaf voor elke theologie.

Want aan de opperherder van de Kerk en de met hem verbonden bisschoppen komt krachtens goddelijke regeling de taak toe om de dingen te onderwijzen die betrekking hebben op het geloof; deze macht komt niet toe aan de leken en priesters. Wat het ambtelijk leergezag voorhoudt, moet dus oprecht worden aanvaard, want als dat alles niet zonder uitvluchten of uitzonderingen wordt aanvaard, wordt al het andere ijdel en nutteloos. Vanwege de bijstand van de Heilige Geest immers, die aan het ambtelijk leergezag is toegezegd, met de vereiste voorwaarden evenwel, is men 'deze op godsdienstige gronden rustende wils- en geestesinstemming ... op heel bijzondere wijze verschuldigd aan het authentieke leergezag van de Paus van Rome, ook wanneer deze niet ex cathedra spreekt'; des te meer geldt de plicht van het hoogste leergezag de 'definities met geloofsgehoorzaamheid te aanvaarden', Om dit geestelijk leven en deze priesterlijke mentaliteit te versterken, is het gewenst, dat elke priester 's morgens op Witte Donderdag - ook als hij niet deelneemt aan de Mis van het chrisma - de belofte hernieuwt waardoor hij zich aan Christus heeft toegewijd en waardoor hij heeft beloofd zijn priesterlijke plichten te zullen naleven, vooral het celibaat te zullen onderhouden en gehoorzaamheid te zullen bewijzen aan zijn bisschop (of kloosteroverste), en dat hij zich plechtig bezint op het ambt dat hem door de priesterwijding is opgedragen en waardoor hij tot de dienst der Kerk is geroepen.

Daarom moet de theologische opleiding vooral de katholieke leer die door het leergezag van de Kerk is voorgesteld volledig en in elk opzicht beschermen, uitleggen en verduidelijken, met behulp van de gegevens ontleend aan de studie van de Heilige Schrift, de Kerkvaders en 'van het altijd weer geldende filosofische erfgoed'. Ook mag men niet vergeten de katholieke leer over het gezag van het magisterium van de Kerk te beschermen. Bij dit alles moet men ook rekening houden met de moeilijkheden inzake de gewijde leer die voortkomen uit kwesties die tegenwoordig heftig worden omstreden en moet men daarop een echt christelijk antwoord geven.
Een degelijk geestelijk leven en een juist theologisch inzicht wekken en begunstigen de werklust en de activiteit in de zielzorg, de vruchtbare toediening van de Sacramenten, de overtuigende prediking van het woord Gods en de algehele pastorale liefde, waartoe de priesters door hun wijding zijn geroepen, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 32 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het lekenapostolaat, Apostolicam Actuositatem (18 nov 1965), 7 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 6 zodat de liefde tot God altijd de grondslag is voor de liefde tot de evenmens. Zo zullen ze ook de geloofsleer uiteenzetten op een wijze die helemaal aansluit bij het kerkelijk leergezag en het priesterwerk goed onderscheiden van de politieke en sociale actie, die eigenlijk aan de leken toekomt. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 43.76

Ze moeten bereid zijn een leven te leiden dat wordt gekenmerkt door vroomheid en tucht, want het priesterlijk ambt, waarin de priesters delen, eist absoluut een levenswijze die past bij de gaven die ze bij hun priesterwijding hebben ontvangen en bij de taken die ieder in de zielzorg volbrengt 'om met geschikte, door de Kerk aanbevolen middelen hun best te doen voor die steeds grotere heiligheid, waardoor zij van dag tot dag betere instrumenten worden in dienst van heel het volk van God'. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 12

Bovendien luidt de aansporing van de apostel Paulus: 'Daarom vermaan ik u het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is door de oplegging van mijn handen. Want God heeft ons niet een geest geschonken van vreesachtigheid, maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid'. (2 Tim. 1, 6-7)

Als de priesters zo gestemd zijn, zullen ze nooit vergeten, waarom ze zich vroeger door het priesterschap aan God en zijn kudde hebben toegewijd, en zal er geen gevaar bestaan, dat ze vergeten, wat ze voor de gelovigen kunnen doen om hun het heil te bezorgen, en dan zal de liefde tot de naaste niet worden vervangen door een zuiver natuurlijk humanisme.

Daarom moet de bisschop ijverig zorgen, dat de leraars aan wie de vorming van de priesters wordt toevertrouwd niet bij toeval worden aangesteld. Deze leraars moeten worden gekozen om hun gezonde kerkelijke geest. Want het beroemde sentire cum Ecclesia moet telkens weer worden opgewekt en daartoe is een theologie nodig die trouw is aan de Kerk. Over het algemeen echter moet worden gestreefd naar een nauwer verbinding van de theologische kennis en de eigen priesterlijke spiritualiteit, opdat het priesterlijk leven en diens overtuigende kracht worden bevorderd.

Daarom moet men als geschikte leraars degenen beschouwen die de hun voorgelegde kwesties, oplossen en niet degenen die twijfels oproepen en vermeerderen. Ze mogen niet worden aangesteld, omdat ze bekend zijn, omdat ze nieuwlichters zijn in het aansnijden en behandelen van kwesties, of omdat hun methoden de aandacht trekken, die echter geen inzicht geven of overtuiging bijbrengen. De gewoonte om de tradities, instellingen en het gezag van de Kerk te bestrijden, maken iemand ongeschikt om dit ambt uit te oefenen. Als leraar om leerlingen te onderrichten, moet een priester worden gekozen die oprecht met de Kerk mee denkt en van deze weg noch naar links noch naar rechts afwijkt. De leraars moeten met een aandachtig en oprecht hart de goede dingen en de ware noden van onze tijd onderkennen en inzake leer en leven zich volledig houden aan de tradities van de Kerk en zo theoretisch en praktisch proberen dat wat de eigen tijd eist, nastreeft en wenst, voor zover dit geoorloofd is, te verzoenen met de traditie van de Kerk.

'Daarom valt het licht te begrijpen, hoe nuttig en absoluut noodzakelijk het is, dat zij uitstekende leiders en leraren hebben, die hun niet zozeer in geleerdheid als wel in de beoefening van het priesterlijk ambt tot voorbeeld strekken'. Paus Pius XII, Brief, Aan de staatssecretaris, Z.E. kardinaal Maglione, Quandoquidem (20 apr 1939)

Maar om de vorming geregeld te doen verlopen, moet ze nauwkeurig worden voorbereid en goed worden doorgevoerd.

'Deze theoretische onderrichting en vorming moet, zoals bevestigd wordt door de praktijk en de ervaring, ook vergezeld gaan van een zogenaamd praktische oefening, die met beleid steeds verder moet worden uitgestrekt en behoedzaam geregeld. Wij willen dat deze praktische oefening na de priesterwijding, onder zeer bekwame mannen, die leiding geven door onderricht, raad of voorbeeld, in een speciale oefentijd worde verricht, vervolmaakt en voortdurend verdiept, zonder dat de gewijde studies ooit worden onderbroken'. Paus Pius XII, Apostolische Constitutie, Over het religieuze leven, Sedes Sapientiae (31 mei 1956). A.A.S. 48 (1956), 364

Vermoedelijk is de beste oplossing hiervoor, dat de bisschop de training van de priesters uitdrukkelijk toevertrouwt aan een studieleider of aan een kleine groep, die hoogstens uit drie priesters mag bestaan.w Wegens het belang van de zaak is het zeer gewenst, dat de bisschop nauw voeling houdt met deze leider of leiders van de vorming van de priester.

Bovendien moet zoveel mogelijk door speciale cursussen de voorbereiding worden verzorgd van die priesters die zullen worden belast met de voortgezette vorming en opleiding van de anderen.

Document

Naam: INTER EA
Rondzendbrief over de permanente opleiding en vorming van vooral de jongere clerus
Soort: Congregatie voor de Clerus
Auteur: John Kardinaal Wright
Datum: 4 november 1969
Copyrights: © 1970, Archief van Kerken 25e jrg. nr. 16 pag. 360-371
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam