• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het inwendige en godsdienstige karakter van de boetvaardigheid, hoe voortreffelijk zij ook is en hoezeer zij ook in Christus en in de Kerk nieuwe aspecten omvat, sluit toch geenszins de uitwendige praktijk van deze deugd uit en verzwakt ze ook niet; bijvoorbeeld

  1. voor de priesters 2e Vaticaans Concilie - Decreet
    Ad Gentes Divinitus
    Over de missie-activiteit van de Kerk
    (7 december 1965)
  2. voor de gehuwden Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 49.52
    Vgl. Paus Pius XII, Toespraak, Tot kardinalen. aartsbisschoppen en andere plaatselijke Ordinarissen bijeen gekomen vanwege de Dogmaverklaring van Maria Tenhemelopneming, Penitus Commoto Animo (2 nov 1950). AAS 17  (1950), pag 786-788 Vgl. H. Justinus, Dialoog met de Jood Tryphon, Dialogus cum Tryphone Judaeo. 141, 2-3: (De beoefening van de boetvaardigheid) is zo krachtig, dat (de mens) daardoor vergiffenis van zijn zonden ontvangt; laat u echter niet bedriegen door anderen die beweren, dat God hun de zonden niet zal aanrekenen, zo zij Hem maar kennen. Wij hebben het bewijs in de val van David wegens zijn eigen zelfverheerlijking: zoals de Heilige Schrift getuigt, is deze zonde hem dan eerst vergeven, toen hij zo had geweend en gejammerd. Indien zulk een man geen vergiffenis was geschonken voordat hij boete had gedaan, had geweend en die grote koning, die gezalfde en die profeet zich zo had gedragen, hoe kunnen dan de onreinen en de beklagenswaardigen de hoop .hebben dat de Heer hun de zonde niet zal aanrekenen als zij eerst niet wenen en jammeren?: (M.G. 6, 797-799).

integendeel, het maakt deze praktijk in de huidige samenleving bijzonder noodzakelijk: daarom zoekt de Kerk, die steeds vol aandacht is voor de tekenen des tijds, naast het vasten en de onthouding naar nieuwe vormen van boetedoening die in ieder, tijdvak beter aan hun doel beantwoorden en zijn aangepast. 'Maar in de echte deugd van boetvaardigheid kan de ascese, die ook de lichamelijke versterving omvat, niet nagelaten worden, daar geheel de mens, namelijk ziel en lichaam - zelfs ook de redeloze natuur, zoals de Heilige Schrift dikwijls vermeldt Vgl. Joh. 3, 7-8 -, actief moet deelnemen aan de godsdienstige daad waardoor alle schepselen de heiligheid en de majesteit van God erkennen.

Bovendien blijkt de noodzaak van de lichamelijke versterving des te duidelijker, als men de zwakheid van de menselijke natuur beschouwt, waarin immers na de zonde van Adam het vlees strijd levert tegen de geest, de geest tegen het vlees. Vgl. Gal. 5, 16-17 Vgl. Rom. 7, 23 De lichamelijke versterving, die niets te maken heeft met stoïcisme, houdt geen enkele veroordeling of verwerping van het vlees in dat de Zoon van God zich gewaardigd heeft aan te nemen. Vgl. Martyrologium Romanum, op het vigilie van Christus' geboorte: Terwijl Hij door Zijn gewijde tussenkomst de wereld wil heiligen ... Vgl. 1 Tim. 4, 1-5 Vgl. Fil. 4, 8 Vgl. Origenes van Alexandrië, Contra Celsum. 7, 36 (M.G. 11, 1472): waar Celsus de christenen verwijt teveel waarde aan de materie te hechten; hij noemt ze: philosòmaton ghenos. De versterving van het lichaam heeft juist tot doel, om de mens te bevrijden, Vgl. Liturgia Quadragesimae, verspreid die dikwijls wegens zijn begeerlijkheid aan de zinnelijkheid geketend wordt, Vgl. Rom. 7, 23 om hem door het ,lichamelijk vasten' · kracht te geven Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Apostolische Constitutie, Missale Romanum ex auctoritate Joanne XXIII, P.P. (23 juni 1962). pref. van de vasten: ... God die door het lichamelijk vasten de ondeugden onderdrukt, de geest verheft, kracht verleent ... en om tenslotte "de waardigheid van de menselijke natuur, die door onmatigheid gewond werd, door de ijver voor een genezende onthouding te herstellen". Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Apostolische Constitutie, Missale Romanum ex auctoritate Joanne XXIII, P.P. (23 juni 1962). oratie op donderdag na de eerste ·passiezondag

Ofschoon in het Nieuwe Testament en in de geschiedenis van de Kerk de plicht tot boetvaardigheid vooral gemotiveerd wordt door het deelnemen aan het lijden van Christus, wordt de noodzaak van de ascese, waardoor het lichaam wordt bedwongen en tot slavernij gebracht, vooral door het voorbeeld van Christus bijzonder benadrukt.

Zie ook:

A) In het Nieuwe Testament: 1) de woorden en het voorbeeld van Christus: Mt. 17, 20: ... alleen door gebed en vasten ... (vgl. Mk. 9, 28): Mt. 5, 29-30: Indien uw rechteroog u tot zonde dreigt te brengen, ruk het uit en werp het van u weg ... ; Mt. 11, 21-24: Tyrus en Sidon zouden reeds lang, in zak en as, zich bekeerd hebben ... ; Mt. 3, 4; 11, 7-11 (Johannes de Doper wordt door Christus geprezen); Mt. 4, 2; Mk. 1, 13: Lk, 4, 12 (Jezus zelf heeft gevast in de woestijn); vgl. Mt. 8, 18-22: . . . de vossen hebben hun holen ... ; 2) het getuigenis en de leer van Paulus: 1 Kor. 9, 24-27: ik beuk mijn lichaam ... ; Gal. 5, 16: gij zult de begeerte van de zelfzucht niet volvoeren ; 2 Kor. 6, 5: ... in waken en vasten .. , ; ib. 11, 27: ... veel slapeloze nachten ... vaak zonder eten ... ; 3) in de primitieve Kerk: Hand. 13, 3: .. , na vasten en gebed ... ; ib. 14, 22: ... na gebed en vasten ... ; enz.

B) Bij de vaders, in de volgende passages volgens chronologische orde: Onthoud u van vleesspijzen en zinnelijke begeerten (Didaché 1, 4; F. X. Funk, Patres Apostolici, uitg. 2, Tübingen, 1901, 1, 2). De bedienaars van de goddelijke genade hebben onder ingeving van de Heilige Geest over de boetvaardigheid gesproken. Ook de Heer van alle dingen . . . heeft over de boetvaardigheid gesproken . , . en wilde ... dat al -zijn geliefden deelachtig zouden zijn aan de boetvaardigheid .. . (Clemens Romanus, 1 Kor. 7, 4-8, 5; Funk, l, 108; 110). De aalmoes als voldoening voor de zonde is iets goeds; het vasten is beter dan het gebed, de aalmoes beter dan de beide andere; ,de liefde bedekt een menigte zonden' ; het gebed echter dat uit een goed geweten voortkomt, bevrijdt van de dood. Zalig ieder die hierin volmaakt is, want de aalmoes is voor de zonde een middel tot verlichting (2 Clementis, 16, 4; Funk, 2, 204; ib. 8, 1-3; Funk, 1, 192-194). En als iemand bij hen behoeftig of arm is en niet veel levensonderhoud heeft, vasten zij twee of drie dagen om de behoeftigen het nodige levensonderhoud te verschaffen (Aristides, Apologia, 15, 9; Goodspeed, Göttingen, 1914, 21). Hij zei: ik zeg u, gij denkt te vasten, maar dit is geen vasten; maar ik zal u leren wat het vasten is dat door God volledig zal aanvaard worden. Hoor - zegt hij - God wil niet dat nutteloze vasten; want door zo te vasten, bewerkt ge geen enkele gerechtigheid voor God. Aldus echter moet gij voor God vasten : doe niets kwaads in uw leven en· dien -de Heer met een zuiver hart; onderhoud Zijn geboden door volgens Zijn voorschriften te wandelen en laat geen enkele slechte begeerte in uw hart toe; geloof echter in God: als ge dit hebt gedaan, Hem gevreesd hebt en u van alle kwaad hebt onthouden, dan zult ge leven voor God; en als ge dit hebt gedaan, zult ge een groot vasten doen dat God aangenaam is (Hermas, Pastor, Sim. 5, 1. 3-5; Funk, 1, 530; vgl. ib., Sim. 7. 2-5; Funk, l, 554). Hoe meer twijfel er bestaat over deze tweede en enigste boete, des te moeilijker is het deze in praktijk te brengen, doordat zij niet alleen inwendig volbracht moet worden, maar ook door een uitwendige daad tot stand moet komen. Deze daad die meermalen door een grieks woord wordt uitgedrukt en aangeduid, is de exomologesis, waardoor wij aan onze Heer onze zonden belijden, weliswaar niet als zou Hij deze niet kennen, maar in zoverre door de belijdenis de genoegdoening wordt voorbereid, de genoegdoening uit de belijdenis voortkomt en God daardoor weer gunstig wordt gestemd. Daarom is de exomologesis een aanleiding voor de mens om zich terneer te werpen en zich te vernederen, hetgeen hem een levenswijze oplegt die in staat is de barmhartigheid af te roepen. Wat kleding en voeding betreft. gebiedt zij in zak en as te liggen, het lichaam door .verwaarlozing tot soberheid te misvormen, de geest in droefheid te storten, zijn zonden door de smartelijke herinnering eraan weer weg te nemen; verder spijs en drank slechts ongekruid te gebruiken, dus niet om het gehemelte te strelen, maar alleen om in leven te blijven; dikwijls het gebed door vasten kracht bij te zetten, te zuchten, te weeklagen, dag en nacht tot de Heer onder tranen te smeken, voor de priesters neer te vallen, de knieën van Gods lievelingen te omvatten en al onze medebroeders te verzoeken onze verlangens te ondersteunen. Dit alles wordt door de exomologesis bewerkt om de verandering van gevoelens mogelijk te maken, God door de vrees voor de eeuwige straf te eren, de verontwaardiging van God over de zonde weg te nemen, terwijl zijzelf de zondaars veroordeelt en door een tijdelijk, voorbijgaand lijden de eeuwige straffen, ik wil niet zeggen te ontlopen, maar toch te bestrijden. Doordat de exomologesis aldus de mens vernedert, verheft zij hem des te meer; doordat zij hem onrein en verwaarloosd schijnt te maken, zuivert zij hem des te beter; door hem aan te klagen, verontschuldigt zij hem; door hem te veroordelen, spreekt zij hem vrij. In de mate waarin gij uzelf niet spaart, in die mate zal God - geloof me - u sparen (Tertullianus, De Paenitentia 9; M.L. 1, 1243-1244). Wij zijn ervan overtuigd, dat zij die in het vlees leven, God niet welgevallig kunnen zijn (Rom. 8, 8), niet zij die in de vleselijke substantie leven, maar in de zorg, de liefde, de activiteit en het verlangen ervan. De magerheid hindert ons niet, want God heeft het vlees niet volgens zijn gewicht afgewogen, zoals Hij ook de geest niet heeft afgewogen. Een vermagerd lichaam zal wellicht gemakkelijker door de smalle poort van het heil gaan, een licht lichaam zal vlugger verrijzen, een uitgedroogd lichaam zal langer in het graf intact blijven (Tertullianus, De Ieiunio 17; M.L. 2, 978). Wij hebben immers de veertigdaagse vastentijd; wij hebben de woensdagen en de vrijdagen waarop wij bijzonder moeten vasten. Het staat de mensen zeker vrij al de tijd te vasten, niet uit huichelarij maar uit zelfbeheersing. Want hoe kan bij hen de zuiverheid ongerept bewaard worden, als zij niet steunen op de zelfbeheersing? Hoe kunnen zij zich toeleggen op de H. Schrift, hoe de wetenschap en de wijsheid beoefenen? Niet door de beheersing van hun eetlust en hun smaak? Hoe kan iemand zich castreren om het rijk der hemelen, als hij de overvloed van spijzen niet beperkt, als hij zich niet onthoudt? Voor de christenen is dit dus de reden om te vasten. Maar er is ook nog een ander godsdienstig motief die in de brieven van sommige apostelen wordt geprezen. Wij vinden immers in een klein geschrift van de apostel de woorden: ,Gelukkig hij die ook vast om de arme te voeden'. Een dergelijk vasten is God zeer aangenaam en inderdaad waardig genoeg (Origenes, Homeliae in Lev., Hom. 10, 2; M.G. 12, 528). Laten wij het vasten krachtig liefhebben, want evenals het gebed en de aalmoes is het vasten een grote beschutting: zij bevrijden de mens immers van de dood. Want zoals Adam wegens het eten en zijn ongehoorzaamheid uit het paradijs is verjaagd, zo .zal men wederom door vasten en gehoorzaamheid het paradijs binnengaan. Maagd, streeft daardoor naar de verzorging en de opsiering van uw lichaam, en gij zult uw hemelse bruidegom behagen. Want wie zich aan de wereld willen binden en door zalvingen, welriekende .stoffen en fijne reukwerken en door een kostbare kleding en sieraden hun lichaam bekoorlijk willen maken om aan de mensen te behagen, kunnen God niet behagen. Christus echter vraagt van u niets van dit alles, maar Hij vraagt u alleen een zuiver hart en een lichaam dat onbesmet is en door vasten verzwakt (H. Athanasius, De Virginitate, 6; M.G. 28, 257). Gij ziet het ·resultaat van het vasten: het geneest de zieken, het droogt de vloeiingen van het lichaam, het jaagt de duivel op de vlucht, het verdrijft slechte gedachten, het verheldert de geest en heiligt het lichaam en het plaatst de mens bij de troon van God ... Het vasten is een grote kracht en er worden schitterende daden door verricht. Waardoor brengen de mensen anders zulke prachtige daden tot stand en verleent de Heer door hun toedoen de gezondheid aan de zieken, tenzij door hun ascese, nederigheid en deugdzaam leven? Het vasten is het leven van de engelen: wie dit doet, dient onder de engelen gerekend te worden. Denk niet, mijn geliefde, dat het vasten zo eenvoudig is. Want wie zich alleen maar van spijzen onthoudt, handelt goed, maar wie zich van iedere verkeerde daad onthoudt, diens vasten zal God aangenaam zijn. Want als gij vast en ge bedwingt uw mond niet, ge spreekt kwaad, ge wacht u niet voor toorn, leugentaal en meineed; als gij kwaad over uw naaste wilt spreken, als dergelijke dingen voortkomen uit de mond van degene die vast, dan blijft dit vasten zonder nut en is alles verloren moeite. Als een vijand u aanspoort tot een krachtige ascese met de bedoeling uw lichaam te verzwakken en onnuttig te maken, laat dan uw vasten matig zijn (H. Athanasius, De Virginitate, 7, 8; M.G. 28, 260; 261). Het vasten beschermt de kinderen, het maakt de jongeling sober en de grijsaard eerbiedwaardig: want eerbiedwaardiger zijn de grijze haren die door vasten gesierd zijn. Het vasten is voor de vrouwen zeer passend ; voor hen die volwassen zijn en over kracht beschikken, dient het vasten tot rem; het is een bewaker in het huwelijksleven en het beschermt de maagdelijkheid.. Al deze voordelen worden verkregen door het persoonlijk vasten in het huis waarin het gehouden wordt. Maar hoe wordt het openbaar leven erdoor geleid? Het schenkt terstond rust in de gehele staat en onder geheel het volk; het doet het rumoer verstommen en de twisten verdwijnen en het legt scheldpartijen het zwijgen op. Van welke meester bedwingt de tegenwoordigheid zo plotseling het lawaai van de jeugd als het vasten, dat, zodra het zich vertoont, het tumult van de staat kan bedwingen? Wie is ooit door vasten dronken geworden? Welke overmoedige menigte is niet door het vasten in bedwang gehouden? Het gelach, de liederen van de publieke vrouwen en de waanzinnige dansen verdwijnen plotseling uit de stad, want zij worden door het vasten als door een gestrenge rechter verbannen. Indien allen bij bestuursaangelegenheden het vasten onderhielden, zou er geen beletsel meer zijn om over de gehele wereld een grote vrede te· hebben, want het ene volk zou niet tegen het andere opstaan en de legers zouden onder elkaar niet handgemeen worden. Als het vasten heerste, zou men zelfs niet naar de wapens grijpen, er zouden geen processen meer plaats hebben en niemand zou in een gevangenis zijn opgesloten. Tenslotte zouden de afgelegen plaatsen geen misdadigers meer· herbergen, de steden geen bedriegers en de zee geen piraten (Basilius. Homeliae, Hom. 2, 5; M.G. 31, 192). Maar soms wekt de jeugd, al is het geloof ook veilig, bezorgdheid. Gebruik daarom maar weinig wijn, om wel de zwakheid van uw lichaam niet te verergeren, maar toch geen Just op te wekken,' want beide ontvlammen tegelijk: de wijn en de jeugd. Ook de tedere jeugd moet door vasten worden beteugeld en spaarzaamheid in spijs en drank moet als met koorden de ongetemde begeerten bedwingen. De rede moge ze tot de orde roepen, de hoop ze kalmeren, de vrees ze pinden. Want wie zich niet weet te matigen, wordt als door ongetemde paarden voortgesleept, voortgewenteld, vertreden, verscheurd, verpletterd (Ambrosius, De Virginibus 3, 2; 5; M.L. 16, 221). Het vasten is een grote kracht. Het .is tenslotte zo'n kostbaar wapen, dat het ook Christus behaagde; het is zo krachtig, dat het de mensen naar de hemel opheft ... want wat is het vasten anders dan hemelse substantie en een beeld van de hemel? Het is een verkwikking voor de ziel en voedsel voor de geest; het is het leven van de engelen; de dood· van de zondeschuld, de ondergang van de zonde, een geneesmiddel voor het heil, de wortel van de genade, de grondslag van de zuiverheid. Daardoor komt men sneller tot God ... Het vasten is de leerschool van de zelfbeheersing, de methode voor de eerbaarheid, de nederigheid van de geest, de kastijding van het lichaam, de vorm van de matigheid, het beginsel van de deugd, de zuivering van de ziel, de maatstaf van het berouw, de voorbereiding op de matigheid. de aansporing tot de liefde, de genade van de bejaarde en de beschermer van de jeugd. Het vasten is een middel tot verlichting van de ziekte, een voedingsmiddel voor het heil. Niemand krijgt door te vasten een slechte spijsvertering, door matigheid loopt niemand een beroerte op: iedereen weet die zelfs daardoor te onderdrukken en te verdrijven .. . Ook de mystieke tafel wordt met het vasten vergeleken, de tafel waarover David zegt: Gij bereidt mij een dis voor het oog van mijn vijand (Ps. 22, 5). Door de last van de honger streeft men en door de matigheid dorstig geworden zoekt men die dronken makende ·drank van de hemelse sacramenten (Ambrosius, De Elia et Ieiunio, 2, 2; 3, 4; 8. 22; 10, 33; M.L. 698, 708). Mogen het vasten en een matige maaltijd iedere dag uw deel zijn. Het vasten heeft geen enkel nut als men na twee of drie dagen zijn maag heeft geledigd en zich dan compenseert door een overvloed aan spijzen. Dan verslapt terstond de geest en de bevochtigde grond brengt de doornen van de begeerten voort (Hieronymus, Epistola 22, 17; M.L. 22, 404). Na rijp beraad moet gij de wapens van het vasten opnemen en met David zingen: ,Ik putte mij uit door vasten' (Ps. 34, 13); en: ,Ik at as als mijn brood' (Ps. 101, 10); en: , Toen zij ziek lagen, trok ik het boetekleed aan' (Ps. 34, 13). Wegens het eten is Eva uit het paradijs geworpen. Na zich veertig dagen door het vasten geoefend te hebben, is Elias op een vurige wagen naar de hemel gesneld. Moses heeft gedurende veertig dagen en nachten in gezelschap en in gesprek met God verkeerd, en op hem is zeer juist van toepassing: ,Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt' (Mt. 4, 4). De Redder van de mensheid die ons het voorbeeld van zijn deugden en van zijn gebed heeft nagelaten, wordt na zijn doopsel terstond door de Geest naar de woestijn gevoerd, om te vechten tegen de duivel en deze, vernietigd en overwonnen, aan zijn leerlingen ter verplettering over te leveren. Vandaar zegt de apostel ook: .Dan zal de God van de vrede weldra de satan onder uw voeten verpletteren' (Rom. 16, 20). En toch, na de veertigdaagse vasten van de· Zaligmaker, beraamt de oude vijand een hinderlaag en zegt: .Als Gij de Zoon van God zijt, beveel dan dat deze stenen hier in brood veranderen' (Mt. 4, 3) ... Maar zoals zich (in de vuuroven) een vierde bevond in mensengedaante, die de ontzagtijke=gloed verzachtte en de vlammen van de gloeiende vuuroven gebood hun warmte te verliezen, zo wordt ook in het gemoed van een maagd de warmte van het meisje door de hemelse dauw en de koude van het vasten gedoofd en geniet dit menselijk lichaam de omgang met de engelen. Daarom ook zegt het vat van uitverkiezing over de maagden van de Heer geen gebod ontvangen te hebben - het zou tegen en buiten hun natuur zijn - om het vrouw zijn niet te mogen uitoefenen, om de wortel in u uit te roeien en alleen de vruchten van de maagdelijkheid te plukken, het huwelijksbed niet te kennen, afschrik te hebben van ieder contact met mannen en geen lichamelijke gemeenschap te hebben (Hieronymus, Epist. 130. 10; M.L. 22, 1115). Is er niets beters waarmee jullie je tijd kunt besteden dan met te klagen, dat jullie door je te onthouden, wegkwijnen? (Augustinus, Sermo 208; M.L. 38, 1045): Bedwingt uw vlees door vasten en onthouding van spijs en drank, voor zover uw gezondheid dat toestaat. Wanneer echter iemand niet kan vasten, moet hij toch buiten de maaltijd geen voedsel nemen, tenzij hij ziek is (Augustinus, Epist. 211, 8; M.L. 33, 960). Want indien wij onder deze definitie van de deugden ook het vasten bedoelen om de onthouding van spijzen onder de belangrijkste goederen te rekenen, dan is dit zeker een slecht en afkeurenswaardig begrip daarvan. Dat het slechts een middel is, wordt ook hierdoor overduidelijk verklaard: zoals het goedgekeurd wordt, als het wordt nageleefd, zo wordt het ook niet veroordeeld, als het geschonden wordt, tenzij misschien de overtreding van het gebod meer gestraft wordt dan het gebruik van spijzen ... Gij ziet dus, dat het vasten geenszins door de Heer als een belangrijk goed wordt beschouwd, want het is niet in zichzelf goed, maar het wordt' 'door andere werken goed en aangenaam aan God, zoals het daarentegen wegens toevallige omstandigheden niet alleen nutteloos, maar ook afkeurenswaardig kan worden. daar de Heer

zegt: ,Al vasten ze ook. Ik luister niet naar hun bidden' (Jer. 14, 12). Door dus steeds aan zo'n definitie over de kwaliteit van het vasten vast te houden, moeten wij er ons met alle kracht zo op toeleggen dat wij het tenslotte als iets goeds voor ons zien, als daarbij het juiste ogenblik, de hoedanigheid en de maat behouden blijven, doch niet zo, dat wij al onze hoop daarop stellen, maar dat wij door middel daarvan kunnen komen tot de zuiverheid van hart en de apostolische liefde. Uit dit alles is dus duidelijk, dat het vasten, waarvoor niet alleen speciale tijden zijn vastgesteld, waarop het moet worden nageleefd of kan worden nagelaten, maar waarvan ook de hoedanigheid en de wijze bepaald is, niet een belangrfik goed, maar een middel is. Overigens wat door het gezag van een gebod als goed wordt aanbevolen of als schadelijk wordt afgeraden, zal nooit afhankelijk zijn van de uitzondering van bepaalde omstandigheden dat soms gedaan moet worden wat verboden is, of moet worden nagelaten wat bevolen is. Want voor de rechtvaardigheid, het geduld, de matigheid, de eerbaarheid, de naastenliefde wordt geen enkele methode voorgeschreven, zoals ook geen enkele vrijheid is toegestaan voor de onrechtvaardigheid, het ongeduld, de toorn, de oneerbaarheid, de haat en de trots (Cassianus, Collationes 21, 13; 14; 17; M.L. 49, 1187). Het gebed van degene die vast, is als het hoogvliegende jong van een adelaar; maar het gebed van een dronkaard is zwaar terneergedrukt en wordt wegens zijn oververzadiging naar beneden getrokken (Nilus, De Octo Spiritibus malitiae. 1; M.G. 79. 1145). Het vasten heeft wel op zich een zekere roem, maar niet bij God; want het is een middel dat hen die willen. tot matigheid voert. Wij moeten er ons dus niet op beroemen voorvechters te zijn van de christelijke godsdienst, maar alleen in vertrouwen op God het resultaat van ons voornemen afwachten; want ook de deskundigen in welke kunst ook beroemen zich niet op het kunststuk dat zij dank zij hun instrumenten hebben voortgebracht, maar veeleer wacht ieder het resultaat van het werk dat hij op zich heeft genomen af om daardoor de volmaaktheid en de volledigheid van zijn kunst te tonen (Diadochus de Photice, Capita centum de perfectione spirituali, 47; M.G. 65, 1182). Drie dingen zijn echter vooral eigen aan religieuzen: het gebed, het vasten en het geven van aalmoezen. Iedere tijd is natuurlijk geschikt voor de beoefening ervan, maar men moet die vooral met grote ijver ter harte nemen welke, zoals we weten, door de apostolische overleveringen met dat doel zijn vastgesteld. Aldus komt ook in deze tiende maand de reeds oude verordening terug om deze drie, waarover ik zojuist sprak, nog met meer ijver te beoefenen. Want door het gebed trachten wij ons met God te verzoenen. door het vasten onderdrukken wij de begeerlijkheid van het vlees en door het geven van aalmoezen kopen wij onze zonden vrij (vgl. Dan. 4, 24); tevens wordt het beeld van God in ons algemeen vèrnieuwd, als we steeds bereid zijn Hem te loven, altijd voor onze zuivering bezorgd te zijn en onvermoeid erop bedacht te zijn om onze naasten bij te staan. De naleving van deze drie plichten, mijn geliefden, bevat de verdiensten van alle deugden: het maakt ons tot het evenbeeld van God en onafscheidelijk verbindt het ons met de Heilige Geest. Door het gebed blijft het geloof waarachtig, door het vasten blijft het leven onschuldig en door het geven van aalmoezen blijft onze geest milddadig (Leo de Grote, Sermo 12, 4; M.L. 54, 171). Het is toch een voortreffelijk middel, dat wij u krachtens ons ambt en uit liefde aanbevelen. Laten wij ons wat ontzeggen in de vrijheid om alles te eten, laten wij ons lichaam tuchtigen en laten we aan de aalmoezen voor de armen denken. Wie hen iets geeft, geeft het aan zijn eigen ziel. Een karig maal op aarde wordt veranderd in het eeuwig gastmaal (Leo de Grote, Sermo 86, 1; M.L. 54, 437-438). Daarom hebt Gij gewild, dat wij U na de oogst door onze matigheid zouden dank brengen om hieruit te leren, dat wij de vruchten van de oogst niet tot ons zouden moeten nemen om er ons lichaam overvloedig mee te voeden, maar om onze lichamelijke zwakheid aan te vullen en dat wij er een zuiniger gebruik van zouden moeten maken opdat het zou kunnen dienen als voedsel voor de behoeftigen en tevens om ons te leren, dat de overmoed van onze sterfelijkheid door een heilzame versterving van ons lichaam ingetoomd zal worden en dat de liefde voor de behoeftigen ons navolgers van uw welwillendheid zal maken: zo moeten wij de tijdelijke gaven gebruiken.om te leren naar de eeuwige gaven te verlangen (Sacrarnentartum Leonianum, Praef. Temp. autumni; M.L. 55, 112).

Tegen het wezenlijk gevaar van formalisme en van farizeïsme in het Nieuwe Verbond hebben de apostelen, de kerkvaders en de pausen naar het voorbeeld van de goddelijke Meester openlijk iedere vorm van boetvaardigheid veroordeeld die alleen maar uiterlijk zou zijn. De liturgische teksten en de schrijvers van alle tijden bevestigen overvloedig de innerlijke verhouding die er bestaat tussen de uitwendige boetedoening en de inwendige bekering tot God door middel van gebed en werken van liefdadigheid. 

Zie ook:

A) In het Nieuwe Testament: Lk. 18. 12 (parabel waardoor Jezus het vasten van de farizeeër veroordeelt); vgl. Mt. 6, 16-18: Wanneer gij vast, zet dan geen somber gezicht zoals de schijnheiligen ... ; Mt. 15, 11: Niet wat de mond binnengaat, bezoedelt de mens ... ; Hebr. 13, 9: . . . het is goed, dat uw gezindheid bevestigd wordt niet door het eten van spijzen; die het hierin zochten zijn er niet door gebaat; Rom. 14, 15-23: ... breng zijn heil niet in. gevaar met uw eten . . . (Paulus beveelt de naastenliefde aan jegens hen die zwak van geloof zijn). B) Bij de vaders: vgl. noot n. 53, B.

Document

Naam: PAENITEMINI
Over de hernieuwing van de kerkelijke boetepraktijk
Soort: H. Paus Paulus VI - Apostolische Constitutie
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 17 februari 1966
Copyrights: © 1966, Katholiek Archief 21e jrg p. 907-926
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam