• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De strijd tegen de honger
"Stel dat een broeder of zuster kleding en voedsel ontbeert", zegt Sint Jakobus, "en iemand van u zegt hun: 'Gaat in vrede, verwarmt u, verzadigt u', zonder evenwel te geven, wat zij voor hun lichaam nodig hebben, - wat heeft dat voor waarde?" (Jak. 2, 15-16) Iedereen weet tegenwoordig, hoe in bepaalde delen van de wereld ontelbare mannen en vrouwen door honger worden gekweld, ontelbare kinderen ondervoed zijn, zodat velen van hen sterven op jeugdige leeftijd; hoe hierdoor bij vele anderen de lichamelijke groei en de geestelijke ontwikkeling wordt belemmerd met het gevolg, dat de bevolking van hele gebieden veroordeeld is te leven in verslagenheid en moedeloosheid.
In onze dagen
Reeds meerdere malen hebben er angstige kreten om hulp geklonken. Die van onze voorganger Johannes XXIII z.g. is met warme sympathie ontvangen. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Moderne ontwikkeling van het sociale leven en de christelijke beginselen, Mater et Magistra (15 mei 1961), 157. vv Wijzelf hebben die herhaald in onze kerstboodschap van 1963 Vgl. H. Paus Paulus VI, Radiotoespraak, Radioboodschap van vrede en eenheid aan alle volkeren - Kerstmis 1963, Sia per voi (23 dec 1963), 6-10 en opnieuw in 1966 ten bate van India. Zie Encicliche a Discorsi di Paolo VI, vol. IX, ed. Paoline, Roma 1966, pp. 182-186. Op de campagne tegen de honger, ondernomen door de Internationale voedsel- en landbouworganisatie (de FAO), en aangemoedigd door de Apostolische Stoel, is edelmoedig gereageerd. Onze "Caritas Internationalis" is overal ter wereld werkzaam, en veel katholieken, gestimuleerd door onze broeders in het episcopaat, trachten zonder zich te sparen hulp te bieden aan de noodlijdenden en vergroten aldus geleidelijk de kring van hen, die zij als hun naasten willen steunen.
In de toekomst
Maar dit alles is niet voldoende, evenmin als de reeds gedane private en publieke investeringen, de giften en leningen. Het gaat niet alleen om de verdrijving van de honger en van de armoede. De strijd tegen de ellende, hoe dringend en noodzakelijk ook, is niet voldoende. Er moet een wereld worden opgebouwd, waarin iedere mens zonder onderscheid van ras, godsdienst en nationaliteit een waarachtig menselijk leven kan leiden, zonder een slavernij, die hem wordt opgelegd door de mensen en door een natuur, die men nog niet voldoende beheerst. Er moet een wereld worden opgebouwd, waarin vrijheid niet slechts een leeg woord is en waarin de arme Lazarus kan aanzitten aan dezelfde tafel als de rijke. Vgl. Lc. 16, 19-31 Dit vraagt van de rijke heel wat edelmoedigheid, vele vrijwillige offers en een voortdurende inspanning. Iedereen onderzoeke zijn geweten, dat in onze tijd op een heel nieuwe wijze spreekt. Is iedereen bereid om met zijn geld de werken en de zendingen van middelen te steunen, die georganiseerd worden ten bate van de noodlijdenden? Meer belasting te betalen om de publieke overheid in de gelegenheid te stellen, haar ontwikkelingssteun te verhogen? De importproducten duurder te betalen om de producent een billijker prijs te laten verdienen? Zelf, als hij jong is, zo nodig zijn land te verlaten om mee te werken aan de vooruitgang van de jonge volken?
De plicht van solidariteit
Omdat de plicht van solidariteit niet alleen bestaat tussen de afzonderlijke mensen, maar ook tussen de volken, "hebben de rijkere volken de zeer ernstige plicht, de volken in ontwikkeling te helpen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 86 Deze uitspraak van het Concilie dient in praktijk te worden gebracht. Al is het normaal, dat een volk het eerst mag profiteren van de gaven, die Gods voorzienigheid aan dat volk heeft gegeven als vrucht van zijn arbeid, toch mag geen enkel volk er aanspraak op maken om zijn rijkdom uitsluitend voor zichzelf te besteden. Ieder volk moet zoveel en zo goed mogelijk produceren, vooreerst om aan al zijn burgers een echt menswaardig bestaan te bezorgen, en vervolgens om bij te kunnen dragen tot de solidaire ontwikkeling van de mensheid. Gezien de groeiende armoede in de ontwikkelingslanden, is het vanzelfsprekend, dat een welvarend land een deel van zijn productie afstaat om de nood van die volken te lenigen. Het is ook vanzelfsprekend, dat het onderwijskrachten, ingenieurs, technici en wetenschapsmensen vormt, om hun kennis en bekwaamheid in dienst te stellen van die volken.
Afstaan van zijn overvloed

Opnieuw zij gezegd: de overvloed van de rijke landen moet ten goede komen aan de arme landen. De regel, die vroeger voorschreef, dat men zijn naaste moest helpen, moet thans worden uitgestrekt tot het geheel van de noodlijdenden in de wereld. De rijken zullen overigens de eersten zijn, die hier de vruchten van plukken. Daarentegen zullen zij, als zij blijven vasthouden aan hun gierigheid, Gods straf over zich afroepen en de woede van de armen opwekken met gevolgen, die niet te overzien zijn. Als de momenteel rijke landen zich opsluiten in hun egoïsme, tasten zij hun hoogste waarden aan, doordat zij het verlangen om meer te zijn opofferen aan de begeerte om meer te bezitten. Op hen zal men dan met recht de parabel kunnen toepassen van die rijke, wiens landerijen zo'n overvloedige oogst opleverden, dat hij niet wist, waar ze te bergen: "Maar God sprak tot hem: Dwaas! nog deze nacht komt men je leven van je opeisen." (Lc. 12, 20)

Bundeling van de programma's

Willen deze pogingen volledig succes hebben, dan mogen ze niet ongeorganiseerd en geïsoleerd blijven, nog veel minder elkaar tegenwerken om redenen van prestige of macht. Onze tijd eist samenbundeling van de programma's; dergelijke programma's zijn beter en doeltreffender dan incidentele hulp, die aan ieders goede wil blijft overgelaten. Zoals reeds gezegd, vraagt dit alles diepgaande studie, duidelijk opgezette en concrete plannen, het bepalen van de middelen en methoden, een goede organisatie van de werkzaamheden, om zo tegemoet te kunnen komen aan de noden van deze tijd en aan de eisen, die voor de toekomst te voorzien zijn. De betekenis van deze programma's reikt zelfs verder dan de economische groei en de sociale vooruitgang, omdat het werk zelf er zin en waarde door krijgt. Door het feit alleen reeds, dat ze een betere wereld scheppen, verhogen ze de waarde en de waardigheid van de mens.

Een wereldfonds

Wij moeten nog verder gaan. Toen wij in Bombay waren voor de viering van het Internationaal Eucharistisch Congres, hebben wij een appèl gedaan op de regeringen om uit een deel van de militaire uitgaven een groot wereldfonds te stichten ten bate van de gebreklijdende volken. Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de journalisten b.g.v. zijn reis naar Bombay, Although our pelgrimage (4 dec 1964), 2 Wat geldt voor de bestrijding van de ellende, geldt evenzeer op het punt van de ontwikkeling. Alleen een samenwerking op wereldniveau, die in dit fonds zowel een symbool als een middel zou vinden, zal in staat zijn, een zinloze rivaliteit te overwinnen en een vruchtbare en vreedzame dialoog tussen alle volken tot stand te brengen.

De voordelen van dit wereldfonds

Ongetwijfeld moeten de bilaterale of multilaterale overeenkomsten van kracht blijven, want ze maken het mogelijk om de afhankelijkheid en de verbittering, die het gevolg zijn van het koloniale tijdperk, te vervangen door weldadige vriendschapsbetrekkingen op de grondslag van juridische en politieke gelijkheid. Worden echter deze overeenkomsten geplaatst in het kader van een plan van een mondiale samenwerking, dan staan ze boven iedere verdenking. Want degenen, die erdoor begunstigd worden, hebben dan minder grond tot wantrouwen en minder reden om bang te zijn voor een nieuwe vorm van kolonialisme, dat zich verbergt achter financiële steun of technische hulp, een nieuw kolonialisme, bestaande uit politieke druk en economische overheersing, met het doel om een hegemonie van enkelen te handhaven of te vestigen.

De dringende noodzaak tot dit wereldfonds

Iedereen zal tevens inzien, dat men door een dergelijk fonds gemakkelijker bepaalde geldverspillingen kan uitsparen, die worden ingegeven door angst of trots. Wanneer zoveel volken honger lijden, zoveel gezinnen gebrek hebben aan het aller-noodzakelijkste, zoveel mensen leven in totale onwetendheid, wanneer er nog zoveel scholen, ziekenhuizen en woningen moeten gebouwd worden, die deze naam werkelijk waardig zijn, is iedere verkwisting door overheid of door particulieren, iedere uitgave voor nationaal of persoonlijk vertoon, iedere uitputtende bewapeningswedloop een ondraaglijk schandaal. Het hoge ambt, dat ons is opgelegd, eist, dat wij dit openlijk brandmerken. Mogen de verantwoordelijke autoriteiten naar ons luisteren, voordat het te laat is.

Het tot stand komen van een dialoog

Daarom is het dringend nodig, dat alle volken komen tot de dialoog, waarvoor wij in onze eerste encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Ecclesiam Suam
Over de Kerk
(6 augustus 1964)
zo vurig hebben gepleit. Door zulk een dialoog tussen hen, die hulp verlenen, en hen, die deze hulp ontvangen, zal men gemakkelijker de hulpverlening kunnen afwegen niet alleen naar de edelmoedigheid en de beschikbare middelen van de een, maar ook naar de werkelijke behoeften en de bestedingsmogelijkheid van de ander. Dan zullen de ontwikkelingsvolken niet langer het gevaar lopen om overstelpt te worden door schulden, die zij alleen kunnen aflossen door het grootste gedeelte van hun inkomsten af te staan. Beide partijen zullen de rentevoet en de duur van de leningen bepalen, en wel zo, dat deze aanvaardbaar zijn voor beide partners; en hierbij zal men letten op het noodzakelijke evenwicht tussen schenkingen en leningen tegen geen of tegen een minimum aan rente enerzijds en de duur van de aflossingen anderzijds. Aan hen, die de geldmiddelen verschaffen, moeten garanties worden gegeven, dat de gelden ook inderdaad zullen worden besteed volgens het overeengekomen plan en met een redelijke kans op resultaat; want men behoeft niet de luiheid en het parasitisme in de hand te werken. Van de andere kant zullen degenen, die de hulp ontvangen, met recht kunnen eisen, dat men zich niet mengt in hun politiek en dat men hun sociale structuur niet verstoort. Want omdat het hier gaat over onafhankelijke landen, hebben deze ook het recht, hun eigen zaken te regelen, hun eigen politiek te bepalen en vrij de staatsvorm te kiezen, die zij wensen. Er moet derhalve een vrijwillige samenwerking tussen de volken tot stand komen op voet van volkomen gelijkwaardigheid om zo samen te bouwen aan een echt menswaardige wereld.

De noodzakelijkheid van de dialoog
Een dergelijke onderneming kan onuitvoerbaar lijken in landen, waar de gezinnen zó geheel in beslag worden genomen door de zorg voor het dagelijks levensonderhoud, dat zij niet in staat zijn zelfs te denken aan een werk, dat hun toekomst dragelijker zou kunnen maken. Toch moeten juist deze mannen en vrouwen op alle manieren worden geholpen en ertoe gebracht worden om zelf hun ontwikkeling ter hand te nemen en zichzelf de noodzakelijke middelen tot verbetering te verschaffen. Dit gemeenschappelijk werk is niet denkbaar zonder een systematische, volhardende en moedige inspanning. Maar iedereen moet ervan overtuigd zijn, dat men hier zonder uitstel de hand aan het werk moet slaan. Het leven van de arme volken, de maatschappelijke vrede in de ontwikkelingslanden en de wereldvrede staan op het spel.

Document

Naam: POPULORUM PROGRESSIO
Over de ontwikkeling van de volken
Soort: H. Paus Paulus VI - Encycliek
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 26 maart 1967
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0818, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 8 juli 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam