• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Christelijke visie op de ontwikkeling

De ontwikkeling, waarover wij spreken, beperkt zich niet tot een louter economische groei. Wil er sprake zijn van echte ontwikkeling, dan moet deze alomvattend zijn, d.w.z. gericht op de ontplooiing van iedere mens en van de gehele mens. Met recht heeft een groot deskundige verklaard: "wij zijn het er niet mee eens, dat men het economische scheidt van het menselijke en dat men de ontwikkeling losmaakt van de beschaving, waartoe ze behoort. Wat voor ons telt is de mens, iedere mens, iedere groep van mensen, tot de gehele mensengemeenschap toe". Zie L. J. Lebret o.p., Dynamique concrete du développement, Paris, Economie et Humanisme, Les éditions ouvrieres, 1961, v. 28.

Roeping en zelfontplooiing

Krachtens Gods plan is iedere mens geroepen om te werken aan de ontplooiing van zichzelf, omdat het leven van iedere mens een opdracht inhoudt van Godswege. Want vanaf de geboorte zijn in ieder de kiemen gelegd van mogelijkheden en gaven, die gecultiveerd moeten worden om vrucht te kunnen dragen. De volledige roeping ervan in de mens als resultaat zowel van zijn opvoeding in zijn sociaal milieu als van zijn persoonlijke toeleg zal het iedereen mogelijk maken, te streven naar het doel, dat door de Schepper voor hem is bestemd. Begiftigd als hij is met verstand en met vrijheid, is de mens zelf verantwoordelijk voor zijn persoonlijke ontplooiing en voor zijn heil. Geholpen en soms gehinderd door degenen, die hem opvoeden en die in zijn omgeving leven, blijft iedereen, welke invloeden ook van buiten ondergaat, de voornaamste bouwer van zijn eigen geluk of ongeluk. En alleen door zich in te spannen met zijn verstand en zijn wil kan iedere mens groeien in menselijkheid, is hij tot meer in staat en kan hij zich vervolmaken.

Een persoonlijke plicht

Deze uitgroei echter van zijn persoon is niet iets, dat aan de willekeur van de mens is overgelaten. Gelijk al het geschapene gericht is op zijn Schepper, zo heeft het redelijk schepsel de plicht, zijn leven vrij te richten op God, de eerste waarheid en het hoogste goed. Daarom kan men deze ontplooiing van de menselijke persoon als het ware de samenvatting noemen van onze plichten. Daarbij komt nog, dat deze harmonie van de menselijke natuur, steeds verder uitgebouwd door persoonlijke arbeid en in persoonlijke verantwoordelijkheid, geroepen is tot een hogere waardigheid. Verbonden met de levengevende Christus, ontvangt de mens een nieuwe levensdimensie en komt hij tot een "humanisme", dat zijn natuur te boven gaat en hem de grootste volheid van leven schenkt; deze vormt het hoogste doel van de persoonlijke ontplooiing van de mens.

Een gemeenschapsplicht

Maar iedere mens is lid van de gemeenschap en behoort daardoor tot de gehele mensengemeenschap. Daarom wordt niet alleen deze of die mens, maar worden alle mensen geroepen om mee te werken aan de vooruitgang van de gehele mensheid. Alle beschavingen kennen een ontstaan, een bloei en een uitsterven. Maar zoals de golven van de zee bij het stijgend getij telkens verder opdringen op het strand, zo gaat ook de mensheid voort op de weg van de geschiedenis. Wij, die de erfgenamen zijn van vroegere generaties en die de vruchten plukken van het werk van onze tijdgenoten, wij hebben verplichtingen jegens alle mensen. Daarom mogen wij niet onverschillig staan ten opzichte van hen, die na ons de mensenfamilie zullen uitbreiden. De universele solidariteit, die een feit is, schenkt ons niet alleen weldaden, maar legt ons ook plichten op.

De hiërarchie der waarden

Deze vooruitgang van ieder individu en van de gehele mensheid zou bedreigd worden, als men daarbij niet de juiste hiërarchie van waarden in acht zou nemen. Uit het feit, dat het verlangen van de mens naar de voor hem noodzakelijke goederen rechtmatig is, volgt consequent, dat de arbeid die ons deze goederen verschaft, een plicht wordt: "als iemand niet wil werken, zal hij ook niet eten" (2 Tess. 3, 10) Maar het verkrijgen van de stoffelijke goederen kan voeren tot hebzucht, tot het verlangen altijd meer te bezitten en tot machtswellust. De hebzucht van individuen, gezinnen en volkeren kan even goed de armen als de rijken aantasten en beide groepen brengen tot een verstikkend materialisme.

Het tweezijdig karakter van elke ontwikkeling

Altijd meer te willen bezitten mag noch voor de volken noch voor de individuen het hoogste doel zijn: iedere vooruitgang heeft twee kanten: enerzijds is hij voor de mens noodzakelijk om steeds meer mens te worden, anderzijds houdt hij de mens als in boeien gevangen, indien wordt nagestreefd als het hoogste doel, dat een verder uitzicht belemmert. In dit geval wordt men innerlijk verhard, heeft men geen oog meer voor anderen en ontmoeten de mensen elkaar niet meer uit vriendschap, maar uit eigenbelang, waardoor zij gemakkelijk met elkaar in conflict komen en van elkaar vervreemden. Zo wordt het uitsluitend najagen van stoffelijk bezit niet alleen een beletsel voor de groei in menselijkheid, maar is het ook in strijd met de waarachtige grootheid van de mens. Zowel bij de volken als bij de individuen is de hebzucht het meest duidelijke teken van morele onderontwikkeling.

Naar een meer menselijke situatie
Vraagt de verwezenlijking van de ontwikkeling een steeds groter aantal technici, nog sterker is de behoefte aan wijze mannen, scherpe denkers, die zich wijden aan het zoeken naar een nieuw humanisme, dat de moderne mens in staat stelt, zichzelf als het ware te hervinden door zich de kostbare waarden van liefde, vriendschap, gebed en beschouwing eigen te maken. Zie bijv. J. Maritain, Les conditions spirituelles du programs et de la paix, in het werk: Rencontre des cultures d PUNESCO sous le signe du Concile Oecumenique Vatican 11, Paris, Mame 1966, p. 66. Worden deze voorwaarden vervuld, dan zal werkelijk en ten volle de echte ontwikkeling tot stand kunnen komen, die hierin bestaat, dat zowel de individuen als de gehele mensheid overgaan van minder menswaardige levensomstandigheden naar een meer menselijke situatie
Het na te streven ideaal
Een minder menswaardig bestaan leiden vooreerst zij die zulk een gebrek hebben, dat zij zelfs het minimum aan levensonderhoud moeten missen, ofwel die ten onder dreigen te gaan door een morele armoede, waaraan zijzelf schuld hebben tengevolge van hun egoïsme. Minder menswaardig is ook het bestaan van hen, die leven onder de druk van bepaalde sociale structuren, welke voortkomen uit misbruik van rijkdom of macht of uit de uitbuiting van de arbeiders of uit onrechtvaardige transacties. Daarentegen wijzen de volgende tekenen duidelijk op meer menswaardige levensomstandigheden:
  • vooreerst de overgang van gebrek naar het bezit van de noodzakelijke goederen, het verdwijnen van sociale wantoestanden, een vermeerdering van kennis, het verwerven van cultuur;
  • verder de groeiende waardering voor de waardigheid van anderen, zin voor de geest van armoede Vgl. Mt. 5, 3 , samenwerking aan het algemeen welzijn, een echte wil tot vrede;
  • ten derde: het erkennen door de mens van de hoogste waarden en van God, de bron en het einddoel van die waarden;
  • tenslotte en vooral: het geloof, die gave Gods, aanvaard door de mensen van goede wil, en de onderlinge eenheid in de liefde van Christus, die ons roept om als kinderen deel te hebben aan het leven van de levende God, de Vader van alle mensen.
Culturele vorming

Naast deze beroepsorganisaties zijn ook nog de culturele instellingen werkzaam, en hun taak is niet minder belangrijk voor het welslagen van de ontwikkeling. Ziehier de ernstige woorden van het Concilie: "Want de toekomst van de wereld zou in gevaar komen, als er geen wijze mensen zouden opstaan"; en het voegt er aan toe: "bovendien moet gezegd worden, dat vele volken, die economisch armer zijn, maar rijker aan wijsheid, aan de andere volken op dit punt grote steun kunnen bieden". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 15 Elk land, rijk of arm, bezit een cultuur, die het ontvangen heeft van het voorgeslacht: instellingen voor een goed functioneren van dit leven, en hogere uitingen van de geest op het gebied van kunstwetenschap en godsdienst. Wanneer deze laatste echte menselijke waarden bevatten, dan zou het een grote fout zijn, ze op te offeren aan de eerste. Een volk, dat dit zou toelaten, zou het beste doel van zichzelf prijsgeven; het zou om te kunnen bestaan, zijn bestaansredenen opgeven. De vermaning van Christus geldt ook voor de volken: "Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven?" (Mt. 16, 26)

De bekoring van het materialisme
De arme volken kunnen zich niet genoeg in acht nemen voor de verleiding, die uitgaat van de rijke volken, die niet alleen hun succes op het gebied van cultuur en techniek ten toon spreiden, maar ook het voorbeeld te zien geven van een activiteit, die bovenal het verkrijgen van stoffelijke welvaart beoogt. Niet alsof deze laatste uit zichzelf de ontplooiing van de geest zou belemmeren, integendeel, door de stoffelijke welvaart "kan de mens, minder slaaf van de dingen, zich vrijer verheffen tot de aanbidding en beschouwing van de Schepper". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 57 Toch "kan de moderne beschaving, weliswaar niet uit zichzelf, maar omdat ze te veel opgaat in het aardse, dikwijls oorzaak zijn, dat men God moeilijker vindt". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 19 De ontwikkelingsvolken moeten dus een keuze weten te doen uit wat hun wordt aangeboden. zij moeten de valse goederen, die een verlaging van het menselijk ideaal inhouden, kritisch beoordelen en afwijzen, maar zich openstellen voor de gezonde en weldoende waarden, om deze samen met hun eigen nationale waarden tot ontwikkeling te brengen volgens hun karakteristieke aanleg.

Document

Naam: POPULORUM PROGRESSIO
Over de ontwikkeling van de volken
Soort: H. Paus Paulus VI - Encycliek
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 26 maart 1967
Copyrights: © 1967, Ecclesia Docens 0818, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 8 juli 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam