• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

In zijn Evangelie heeft Lucas ons een beknopte beschrijving gegeven van de omstandigheden rond Jezus' geboorte: "In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus, dat er een volkstelling moest gehouden worden in heel zijn rijk ... Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad om zich te laten inschrijven. Ook Jozef trok op en omdat hij behoorde tot het huis en het geslacht van David, ging hij van Galilea uit de stad Nazaret, naar de stad van David, Betlehem geheten, om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was. Terwijl zij daar verbleven, brak het uur aan waarop zij moeder zou worden; zij bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats was in de herberg" (Lc. 2, 1.3-7).
Aldus ging in vervulling wat de engel Gabriël had voorzegd bij de aankondiging, toen hij tot de maagd van Nazaret deze woorden sprak: "Verheug u, Begenadigde, de Heer is met u". (Lc. 1, 28) Deze woorden hadden Maria doen schrikken en daarom had de boodschapper van God er onmiddellijk aan toegevoegd: "Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden ... De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God" (Lc. 1, 30-32.35). Het antwoord van Maria op de boodschap van de engel was duidelijk: "Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord" (Lc. 1, 38). In heel de geschiedenis van de mensheid heeft nooit zoveel afgehangen van de instemming van een mens, als toen. Vgl. H. Bernardus van Clairvaux, In Laudibus Virginis Mariae. Homilia IV, 8, Opera omnia, Edit. Cicterc. (1966), 53.

In de proloog van zijn evangelie vat Johannes in één zin heel de diepte samen van het geheim van de menswording. Hij schrijft: "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, zulk een heerlijkheid als de Eniggeborene van de Vader ontvangt, vol genade en waarheid" (Joh. 1, 14). In de ontvangenis en geboorte had voor Johannes de menswording plaats van het eeuwige Woord, een van wezen met de Vader. De evangelist spreekt over het Woord dat in het begin bij God was, door wie alles is geworden wat geworden is; het Woord in wie het leven was, leven dat het licht was van de mensen. Vgl. Joh. 1, 1-5 Over de eengeboren Zoon, God uit God, schrijft de apostel Paulus dat Hij was "de eerstgeborene van heel de schepping" (Kol. 1, 15). God schept de wereld door het Woord. Het Woord is de eeuwige Wijsheid, de Gedachte en het Wezensbeeld van God, "de afstraling van Gods heerlijkheid en het evenbeeld van zijn wezen" (Heb. 1, 3). Van eeuwigheid verwekt en van eeuwigheid bemind door de Vader, God uit God en Licht uit Licht, is Hij het beginsel en oerbeeld van alles wat door God in de tijd geschapen is.
Het feit dat in de volheid der tijden het eeuwige Woord het menselijk bestaan op zich heeft genomen, geeft een heel eigen kosmische betekenis aan het gebeuren dat 2000 jaar geleden te Betlehem plaats vond. Dankzij het Woord verschijnt de geschapen wereld als 'kosmos', dat wil zeggen als geordend universum. En opnieuw is het door mens te worden, dat het Woord de kosmische ordening van de schepping hernieuwt. De brief aan de Efeziërs spreekt over het plan dat God van tevoren in Christus had vastgesteld "ter verwezenlijking van de volheid der tijden: het heelal in Christus onder één hoofd te brengen, alle wezens in de hemel en alle wezens op aarde, in Hem" (Ef. 1, 10).

Christus, de Verlosser van de wereld, is de enige middelaar tussen God en de mensen, en er is geen andere naam onder de hemel waardoor wij gered kunnen worden. Vgl. Hand. 4, 12 In de brief aan de Efeziërs lezen we: " Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de zonden, dankzij de rijkdom van zijn genade. Die heeft Hij ons meegedeeld als een overvloed van wijsheid en inzicht. Hij heeft ons zijn geheim raadsbesluit doen kennen, de beslissing die Hij in Christus had genomen ter verwezenlijking van de volheid der tijden" (Ef. 1, 7-10). Christus, de Zoon die een van wezen is met de Vader, openbaart dus Gods bedoeling met de gehele schepping, en met de mens in het bijzonder. Zoals Vaticanum II het zo indrukwekkend formuleert: "Hij maakt de mens voor zichzelf duidelijk en geeft hem inzicht in zijn zeer hoge roeping". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 Hij laat hem die roeping zien door de openbaring van het geheim van de Vader en van zijn liefde. Als beeld van de onzichtbare God is Christus de volmaakte mens die aan de kinderen van Adam de door de zonde misvormde gelijkenis met God heeft teruggeschonken. In zijn menselijke natuur, die vrij was van alle zonde en die opgenomen was in de goddelijke Persoon van het Woord, wordt de natuur waarin alle mensen delen, verheven tot een waardigheid die haar gelijke niet kent: "Door zijn menswording heeft de Zoon van God zich in zekere zin met iedere mens verenigd. Met menselijke handen heeft Hij werk verricht, met een menselijke geest heeft Hij gedacht, met een menselijke wil heeft Hij gehandeld, met een menselijk hart heeft Hij liefgehad. Geboren uit de maagd Maria, is Hij werkelijk één van de onzen geworden, in alles aan ons gelijk, behalve in de zonde." 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22

Het feit dat de Zoon van God "één van de onzen" is geworden, heeft zich in alle nederigheid voltrokken. Het is dus niet verwonderlijk dat de profane geschiedschrijving, die zich bezig hield met meer spectaculaire gebeurtenissen en prominenter persoonlijkheden, aanvankelijk op Hem slechts korte hoewel duidelijke toespelingen heeft gemaakt. Christus wordt bijvoorbeeld genoemd in de Flavius Josephus
Antiquitates Judaicae
De Oude Geschiedenis van de Joden ()
, een door de geschiedschrijver Flavius Josephus tussen 93 en 94 te Rome geschreven werk, Vgl. Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden, Antiquitates Judaicae. 20,200 Vgl. Flavius Josephus, De Oude Geschiedenis van de Joden, Antiquitates Judaicae. 18,63-64; de welbekende en veel besproken passage en vooral in de Tacitus
Annales ()
van Tacitus die tussen 115 en 120 werden geschreven. Bij het verslag over de brand van Rome in 64, waarvan Nero valselijk de christenen de schuld gaf, wordt door de schrijver uitdrukkelijk gesproken over Christus "ter dood gebracht door de landvoogd Pontius Pilatus onder keizer Tiberius". Tacitus, Annales. 15, 44, 3 Ook Suetonius deelt ons in zijn rond 121 geschreven biografie van keizer Claudius mee dat de joden uit Rome werden verdreven omdat "zij op aanstichting van een zekere Chrestos veelvuldig onlusten veroorzaakten". Seutonius, Vita Claudii. 25, 4 De meeste geleerden blijken er in hun uitleg van overtuigd te zijn dat deze tekst betrekking heeft op Jezus Christus, die bij de joodse kringen in Rome een bron van onderlinge strijd was geworden. Er is nog een ander belangrijk getuigenis, waaruit de snelle verspreiding van het christendom blijkt: het getuigenis van Plinius de Jongere, gouverneur van Bithynia, die aan keizer Trajanus tussen 111 en 113 meldt dat een groot aantal mensen gewoon waren bijeen te komen "op een vaste dag en voor de dageraad, om in beurtzang een loflied te zingen tot Christus als tot een God". Plinius de Jongere, Epist.. 10,96
Maar de grote gebeurtenis, waaraan de niet-christelijke schrijvers slechts terloops een enkel woord wijden, wordt in het volle licht geplaatst door de geschriften van het Nieuwe Testament, die weliswaar geloofsdocumenten zijn, maar zelfs als historische getuigenissen daarom niet minder betrouwbaar zijn in al wat zij verhalen. Christus, ware God en ware mens, Heer van het heelal, is ook Heer van de geschiedenis, waarvan Hij de "Alfa en Omega" (Openb. 1, 8)(Openb. 21, 6), "het Begin en het Einde" (Openb. 21, 6) is. In Hem heeft de Vader het laatste woord gesproken over de mens en zijn geschiedenis. Dat wordt kernachtig gezegd in de brief aan de Hebreeën: "Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijze tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der tijden, tot ons gesproken door de Zoon" (Hebr. 1, 1-2).

Jezus is in het uitverkoren volk geboren als vervulling van de belofte die aan Abraham was gedaan en waaraan de profeten voortdurend hadden herinnerd. Zij spraken uit Gods naam en in zijn plaats. Want het heilsplan van het Oude Testament is wezenlijk gericht op de voorbereiding en aankondiging van de komst van Christus, de Verlosser van het heelal, en van zijn messiaans Rijk. De boeken van het Oude Verbond zijn zo de blijvende getuigenissen van het ware opvoedingsplan van God. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 15 Deze pedagogie bereikt haar doel in Christus. Jezus spreekt immers niet alleen 'in naam van God' zoals de profeten, maar Hij is God zelf die in zijn mensgeworden Woord spreekt. Hier raken we aan hetgeen het wezenlijk verschil is tussen het christendom en de andere godsdiensten, waarin vanaf het begin het zoeken van de mens naar God vorm heeft gekregen. Het uitgangspunt in het christendom is de menswording van het Woord. Hier zoekt niet alleen de mens naar God, maar God komt in eigen persoon over zichzelf spreken tot de mens en hem de weg tonen waarlangs hij Hem kan bereiken. Dat is wat de proloog van het Johannesevangelie verkondigt: "Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen" (Joh. 1, 18). Het mensgeworden Woord is dus de vervulling van het verlangen dat bij alle godsdiensten van de mensheid leeft: die vervulling is het werk van God, en gaat alles wat een mens kan verhopen, te boven. Het is een geheim van genade.

In Christus is godsdienst niet langer "een tastend zoeken naar God" Vgl. Hand. 17, 27 , maar een antwoord in geloof op de zich openbarende God: een antwoord waarbij de mens tot God spreekt als tot zijn Schepper en Vader; een antwoord dat mogelijk is geworden door deze éne Mens die tegelijk het Woord is, één in wezen met de Vader, in wie God tot iedere mens spreekt en in wie iedere mens de mogelijkheid heeft God antwoord te geven. Sterker nog, in deze Mens geeft de hele schepping antwoord aan God. Jezus Christus is het nieuwe begin van alles: in Hem komen alle dingen tot zichzelf, worden opgenomen en teruggegeven aan de Schepper, van wie ze zijn voortgekomen. Op die wijze is Christus de vervulling van het verlangen van alle godsdiensten ter wereld, en juist daardoor hun enige en definitieve eindpunt. Juist zoals God in Christus over zichzelf spreekt tot de mensheid, spreken heel de mensheid en heel de schepping in Christus over zichzelf tot God, ja, geven zij zichzelf aan God. Zo keert alles terug tot zijn oorsprong. In Christus wordt alles onder één hoofd gebracht Vgl. Ef. 1, 10 ; tegelijk is Hij de voltooiing van alle dingen in God, een voltooiing die de glorie is van God. De godsdienst die op Jezus Christus is gefundeerd is de religie van de heerlijkheid; het is een bestaan in de nieuwheid van leven tot lof van Gods heerlijkheid Vgl. Ef. 1, 12 . Heel de schepping is in werkelijkheid een openbaring van zijn heerlijkheid. Met name de mens (vivens homo) is een zichtbaar worden van Gods heerlijkheid en is geroepen om te leven uit de volheid van het leven in God.

In Jezus Christus spreekt God niet alleen tot de mens, maar zoekt Hij hem op. De menswording van Gods Zoon getuigt daarvan: God zoekt de mens. Dit zoeken bedoelt Jezus als Hij over het terugvinden van het verloren schaap spreekt Vgl. Lc. 15, 1-7 . Het is een zoeken dat begint in het hart van God en dat zijn hoogtepunt bereikt in de menswording van het Woord. Als God op zoek gaat naar de mens, die naar zijn beeld en gelijkenis is geschapen, doet Hij dat omdat Hij hem van de eeuwigheid af in het Woord liefheeft, en Hij wil hem in Christus verheffen tot de waardigheid van aangenomen kind. God zoekt dus de mens, die anders dan welk ander schepsel zijn bijzonder eigendom is. De mens hoort aan God toe op grond van een uitverkiezing uit liefde: God zoekt de mens, daartoe bewogen door zijn Vaderhart.
Waarom zoekt Hij hem? Omdat de mens zich van Hem heeft afgekeerd, zich zoals Adam verbergend tussen de bomen van het aards paradijs Vgl. Gen. 3, 8-10 . De mens heeft zich op een dwaalspoor laten leiden door de vijand van God Vgl. Gen. 3, 13 .
Satan heeft hem bedrogen door hem ervan te overtuigen dat hijzelf god zou zijn, en dat hij, zoals God, goed en kwaad zou kunnen kennen en de wereld zou kunnen inrichten naar eigen believen zonder rekening te hoeven houden met Gods wil. Vgl. Gen. 3, 5 Als God de mens door de Zoon zoekt, wil Hij hem ertoe brengen om de wegen van het kwaad te verlaten die hem steeds verder wegvoeren. "Hem ertoe brengen die wegen te verlaten" betekent, hem tot het inzicht brengen dat hij op de verkeerde weg is; het betekent het kwaad overwinnen dat overal in de mensengeschiedenis heerst. Het kwaad overwinnen: dat is de betekenis van de Verlossing. Deze geschiedt door het offer van Christus, waardoor de mens de zondeschuld aflost en met God wordt verzoend. De Zoon van God is juist daartoe mens geworden door een lichaam en een ziel aan te nemen in de schoot van de Maagd: om zelf het volmaakte offer van verlossing te worden. De godsdienst van de menswording is de godsdienst van de Verlossing van de wereld door het offer van Christus, dat de overwinning van het kwaad, van de zonde, ja, van de dood zelf inhoudt. Door de dood op het kruis te aanvaarden, openbaart Christus het leven en tegelijkertijd schenkt Hij het, want Hij verrijst, en de dood heeft niet langer macht over Hem.

De godsdienst die in het geheim van de verlossende menswording haar oorsprong heeft is de godsdienst waardoor men 'verblijft in het hart van God' en deelt in zijn eigen leven. Paulus spreekt daarover in de passage die in de aanhef werd geciteerd: "God heeft de Geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader!" (Gal. 4, 6). De mens verheft zijn stem zoals Christus, die met name in Gethsemani en op het kruis zich "onder luid geroep en geween" (Heb. 5, 7) tot God richtte: de mens roept tot God zoals Christus geroepen heeft, en op die wijze getuigt hij dat hij aan zijn zoonschap door de heilige Geest deel heeft. De heilige Geest die de Vader in naam van de Zoon gezonden heeft, bewerkt dat de mens deel heeft aan het eigen leven van God. Hij bewerkt dat de mens ook, zoals Christus, zoon is en erfgenaam van al hetgeen de Zoon toebehoort. Vgl. Gal. 4, 7 Hierin bestaat de godsdienst van 'het verkeren in het hart van God', dat begint met de menswording van Gods Zoon. De Heilige Geest die de diepste geheimen van God doorgrondt Vgl. 1 Kor. 2, 10 , leidt ons, mensen daarin binnen uit kracht van Christus' offer.

Document

Naam: TERTIO MILLENNIO ADVENIENTE
Nu het derde millennium van de nieuwe tijd nadert
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 10 november 1994
Copyrights: © 1997, SRKK, Utrecht
Vertaling: F. van Voorst tot Voorst s.j.
Bewerkt: 8 januari 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam