• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE ECCLESIOLOGISCHE DIMENSIE VAN HET DENKEN VAN PAULUS
8e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus

Beste broeders en zusters

in de Paus Benedictus XVI - Audiëntie
De relatie met de historische Jezus
7e catechese in reeks over de H. Apostel Paulus
(8 oktober 2008)
heb ik gesproken over de relatie van Paulus met de Jezus van vóór Pasen tijdens zijn aardse leven. De vraag was: “Wat heeft Paulus geweten over het leven van Jezus, over zijn woorden, zijn lijden?”. Vandaag zou ik het willen hebben over hetgeen Sint Paulus leert over de Kerk. We moeten beginnen met vast te stellen dat dit woord “Chiesa” (Kerk) in het Italiaans - zoals “Église” in het Frans en “Iglesia” in het Spaans - ontleend is aan het Griekse “ekklèsia”. Dat komt uit het Oude Testament en betekent de vergadering van het Volk Israël, samengeroepen door God, in het bijzonder de voorbeeldvergadering aan de voet van de Sinaï. Met dit woord wordt nu de nieuwe gemeenschap aangeduid van hen die in Christus geloven en die zichzelf zien als de vergadering van God, de nieuwe van Godswege ten overstaan van Hem samengeroepen vergadering van alle volkeren.

Het woord ekklèsia komt alleen voor uit de pen van Paulus, die de eerste auteur van een christelijk werk is. Dat gebeurt in de aanhef van de eerste Brief van de Tessalonicensen, waar Paulus zich letterlijk richt “aan de kerk (ekklèsia) van de Tessalonicensen” vgl. later “de kerk van de Laodicensen” in Kol. 4, 16. In andere brieven spreekt hij over de Kerk van God die in Korinte is (1 Kor. 1, 2)(2 Kor. 1, 1), die in Galatië is (Gal. 1, 2, enz.) - particuliere Kerken dus - maar ook zegt hij “de Kerk van God” te hebben vervolgd: geen bepaalde locale gemeenschap, maar “de Kerk van God”. Zo zien we dat dit woord voor Kerk een betekenis heeft met meerdere dimensies: enerzijds duidt het de vergaderingen van God aan die er in concrete plaatsen zijn (in een stad, een dorp, een huis), maar het betekent ook heel de Kerk in haar geheel. Zo zien we dat “de Kerk van God” niet enkel een optelsom is van diverse locale Kerken, maar dat de diverse locale Kerken ieder voor zich een verwezenlijking zijn van de ene Kerk van God. Allen tezamen zijn “de Kerk van God” die aan de afzonderlijke locale Kerken voorafgaat en zich daarin uitdrukt, verwezenlijkt.

Het is belangrijk op te merken dat het woord kerk (ekklèsia) bijna altijd voorkomt met de toegevoegde kwalificatie “van God”: het is geen menselijk verband, ontstaan uit gemeenschappelijke ideeën of interesses, maar (een vergadering) die voortkomt uit een convocatie van God. De eenheid van God schept de eenheid van de Kerk in alle plaatsen waar zij zich bevindt. Later, in de Brief aan de Efeziërs, zal Paulus het begrip “eenheid van de Kerk” uitvoerig uitwerken, in continuïteit met het begrip “volk van God”: Israël, door de profeten beschouwd als “bruid van God”, geroepen om met Hem in een bruidsverhouding te leven. Paulus stelt de ene Kerk van God voor als “bruid van Christus” in de liefde, één lichaam en één geest met Christus zelf.

Het is bekend dat de jonge Paulus een verklaard tegenstander is geweest van de nieuwe beweging die de Kerk van Christus was. Hij was er tegenstander van omdat hij in die nieuwe beweging een bedreiging zag voor de trouw aan de overlevering van het volk van God, dat bezield werd door het geloof in de ene God. Die trouw drukte zich vooral uit in de besnijdenis, in het onderhouden van de cultische reinheidsvoorschriften, de onthouding van bepaalde spijzen en de eerbiediging van de sabbat. Deze trouw hadden de Israëlieten betaald met het bloed van de martelaren, met name ten tijde van de Makkabeeën, toen het hellenistische regime alle volken wilde verplichten zich te conformeren aan de hellenistische cultuur. Veel Israëlieten hadden de eigen roeping van Israël met hun bloed verdedigd. De martelaren hadden met hun bloed betaald voor de identiteit van hun volk die zich door middel van deze elementen uitdrukte.

Na de ontmoeting met de verrezen Christus, begreep Paulus dat de christenen geen verraders waren; integendeel, de God van Israël had in de nieuwe situatie door middel van Christus zijn oproep uitgebreid naar alle volken en door de God van alle volkeren te worden. Zo verwezenlijkte zich de trouw aan de ene God; daar waren geen onderscheidende tekenen, bestaande uit bijzondere voorschriften en observanties, meer voor nodig, omdat allen in hun verscheidenheid geroepen waren om deel uit te maken van het ene volk van God, van de “ekklèsia van God” in Christus.

Een ding was voor Paulus meteen duidelijk in de nieuwe situatie: de fundamentele en funderende waarde van Christus en van het “woord” dat Hem verkondigde. Paulus begreep dat men niet alleen geen christen werd door dwang, maar dat in de interne configuratie van de nieuwe gemeenschap het institutionele aspect onvermijdelijk verbonden was aan het levende “woord”, aan de verkondiging van de levende Christus in wie God zich opent voor alle volkeren en hen in één volk van God verenigt.

Symptomatisch is dat Lucas in de Handelingen van de Apostelen meermaals, ook met betrekking tot Paulus, het syntagma (vast samenstel van woorden) gebruikt “het woord verkondigen” (Hand. 4, 29.31)(Hand. 8, 25)(Hand. 11, 19)(Hand. 13, 46)(Hand. 14, 25)(Hand. 16, 6.32), klaarblijkelijk met de bedoeling om de beslissende betekenis van het “woord” bij de verkondiging zo duidelijk mogelijk te doen uitkomen. Concreet bestaat dat ‘woord’ uit het kruis en de verrijzenis van Christus, waarin de Schriften zich hebben verwezenlijkt. Het paasmysterie dat onderweg naar Damascus de wending van zijn leven teweeggebracht had, staat duidelijk in het centrum van de prediking van de Apostel Vgl. 1 Kor. 2, 2 Vgl. 1 Kor. 15, 14 . Dit mysterie, verkondigt in het woord, verwezenlijkt zich in de sacramenten van de Doop en de Eucharistie en wordt vervolgens concrete werkelijkheid in de christelijke naastenliefde.

Het evangelisatiewerk van Paulus is nergens anders opgericht dan de gemeenschap op te richten van hen die in Christus geloven. Deze idee ligt opgesloten in de etymologie zelf van het woord ekklèsia, waaraan Paulus - en met hem heel het christendom - de voorkeur gaf boven de term “synagoge”: niet alleen omdat dat eerste woord oorspronkelijk meer een lekenwoord is (afkomstig uit de Griekse praktijk van de politieke en niet in eigenlijke zin godsdienstige vergadering), maar ook omdat het meteen de meer theologische idee impliceert van een oproep van buitenaf, ab extra, en niet de idee van eenvoudigweg samenkomen; de gelovigen worden door God geroepen Die hen verzamelt in een gemeenschap, in zijn Kerk.

In deze lijn kunnen we ook het oorspronkelijke, exclusief Paulinische begrip van de Kerk als “Lichaam van Christus” verstaan. Hierbij moeten we de beide dimensies van dit begrip voor de geest houden. De ene is van sociologische aard, volgens welke een lichaam samengesteld is uit zijn onderdelen en zonder die niet zou kunnen bestaan. Deze betekenis komt voor in de Brief aan de Romeinen en in de Eerste Brief aan de Korintiërs, waar Paulus een beeldspraak hanteert die al in de Romeinse sociologie bestond: hij zegt dat een volk als een lichaam is met diverse ledematen, waarvan elk zijn eigen functie heeft, maar allemaal zijn ze, ook het kleinste en ogenschijnlijk onbeduidendste, noodzakelijk opdat het lichaam kan leven en de eigen functies kan verwezenlijken. Dit toepassend merkt Paulus op dat er in de Kerk veel roepingen zijn: profeten, apostelen, leraren, eenvoudige mensen, allemaal geroepen om dagelijks de naastenliefde te beleven, en allemaal noodzakelijk om de levende eenheid te vormen van dit geestelijk organisme.

De andere betekenis verwijst naar het Lichaam zelf van Christus. Paulus houdt dat de Kerk niet alleen maar een organisme is, maar werkelijk lichaam van Christus wordt in het sacrament van de Eucharistie, waar allen zijn Lichaam ontvangen en werkelijk zijn Lichaam worden. Zo verwezenlijkt zich het bruidsmysterie dat allen één lichaam worden en één geest in Christus. Zo gaat de werkelijkheid veel verder dan de sociologische beeldspraak, doordat het diepste wezen tot uitdrukking wordt gebracht, de eenheid namelijk van alle gedoopten in Christus, door de Apostel als “één” in Christus beschouwd, omdat zij gelijkvormig geworden zijn aan het sacrament van zijn Lichaam.

Door dit te zeggen laat Paulus zien dat hij goed weet en ook ons allen laat verstaan dat de Kerk niet van hem is en niet van ons: de Kerk is lichaam van Christus, is “kerk (ekklèsia) van God”, "akker van God, bouwwerk van God... tempel van God” (1 Kor. 3, 9.16). Deze laatste aanduiding is bijzonder interessant, omdat zij aan een weefsel van inter-persoonlijke betrekkingen een naam geeft die gewoonlijk diende om een fysieke plaats aan te duiden die als heilig werd beschouwd. De relatie tussen Kerk (ekklèsia) en tempel krijgt daardoor twee elkaar aanvullende dimensies: van de ene kant wordt op de kerkelijke gemeenschap het kenmerk van afscheiding en reinheid toegepast dat op het gewijde bouw betrekking heeft, maar van de andere kant wordt toch ook het begrip van een materiële ruimte overwonnen, om die waarde over te brengen op de realiteit van een levende geloofsgemeenschap. Waar eerst de tempels beschouwd werden als plaats van Gods aanwezigheid, zo weet en ziet men nu dat God niet in gebouwen woont die van stenen zijn gemaakt, want dat de plaats van Gods aanwezigheid in de wereld de levende gemeenschap van gelovigen is.
Een aparte behandeling zou de aanduiding “volk van God” verdienen die bij Paulus hoofdzakelijk toegepast wordt op het volk van het Oude Verbond en vervolgens ook op de heidenen, die eerst “geen volk” waren en nu tot volk van God zijn geworden, - ook zij -, dank zij hun invoeging in Christus door het woord en het Sacrament.

En tot slot nog een laatste bemerking. In de Brief aan Timoteüs duidt Paulus de Kerk aan als “huis van God” (1 Tim. 3, 15); en dat is een wel heel originele benaming, want zij betrekt zich op de Kerk als een gemeenschapsstructuur waarin warme inter-persoonlijke relaties beleefd worden als in een gezin. De Apostel helpt ons steeds dieper door te dringen in het mysterie van de Kerk in zijn verschillende dimensies als de “assemblee”, de “vergadering” of ekklèsia van God in de wereld. Dit is het grootse van de Kerk en het grootse van onze roeping: wij zijn Gods tempel in de wereld, de plaats waar God werkelijk woont, en we zijn tegelijkertijd gemeenschap, gezin van God, die liefde is. Als gezin en huis van God moeten wij in de wereld de liefde van God gestalte geven en zo - door de kracht die van het geloof komt - plaats en teken zijn van Zijn aanwezigheid. Bidden wij de Heer dat Hij ons wil verlenen steeds meer zijn Kerk te kunnen zijn, zijn Lichaam, de plaats waar zijn liefde aanwezig is in onze wereld en in onze geschiedenis.

Document

Naam: DE ECCLESIOLOGISCHE DIMENSIE VAN HET DENKEN VAN PAULUS
8e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 15 oktober 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, alineanummering en -indeling: Past. Chr. van Buijtenen pr.
Bewerkt: 29 november 2017

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam