• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

PUBLICA HAEC SESSIO
Bij de VIIIe Sessie van het Concilie

Deze openbare zitting van ons Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie wordt twintig dagen vóór het einde van dit Concilie gehouden; daarom geeft zij ons, naast de afkondiging van de zeer belangrijke Concilieakten die u bekend zijn, de gelegenheid om u te spreken over bepaalde praktische kwesties die in verband staan met de sluiting van deze grote gebeurtenis in de Kerk die wij op regelmatige wijze in vier doelmatige zittingen hebben gevierd.
Wij zullen thans niets zeggen over de buitengewone waarde van dit Concilie op godsdienstig, leerstellig, geestelijk, pastoraal en historisch plan, noch over de mysteries van wijsheid en genade die het ons ter overweging biedt en nog lang daarna bieden zal, en ook niet over de hernieuwingen die de beslissingen van het Concilie hebben teweeggebracht zowel binnen de Kerk als in haar verhoudingen en betrekkingen tot de personen en zaken die haar omgeven: allemaal zaken die ieder van ons in zijn geest draagt als even zo vele vruchtbare onderwerpen tot overweging en motieven tot handelen. Over dit alles hebben wij immers reeds gesproken in voorgaande toespraken en onlangs in onze H. Paus Paulus VI - Apostolische Exhortatie
Postrema Sessio
Schrijft gebeden voor b.g.v. de naderende sluiting van het Tweede Vaticaans Concilie
(4 november 1965)
van 4 november laatstleden. Het ligt op dit ogenblik niet in onze bedoeling om de balans van geheel het Concilie op te maken; het zij ons hoogstens voldoende op te merken, dat het verloop ervan in alle opzichten ordelijk, regelmatig, vrij en vredig is geweest en, dank zij uw aanwezigheid en uw medewerking, plechtig, actief, vruchtbaar en zeer zeker weldadig. Geen enkel Concilie is in de Kerk van God veelomvattender geweest; geen enkel heeft actiever en rustiger werkzaamheden gekend met zo'n verscheidenheid aan onderwerpen die zo'n brede belangstelling hebben gewekt. Want het heeft beraadslaagd over het eigen leven van de Kerk, over onze christelijke medebroeders die nog van onze gemeenschap gescheiden zijn, over de andere, niet-christelijke godsdiensten en ook over het mensdom in het algemeen, waarvan wij in dit Concilie de ingewikkelde en zeer moeilijke problemen hebben leren kennen; wij hebben geleerd haar vuriger lief te hebben door ons bezig te houden met haar welzijn, haar vredig bestaan en haar gel uk. Laten wij God daarvoor loven, Hem alleen, onze beste en hoog verheven Vader, door Jezus Christus onze enige en zeer beminde Heer, in de Heilige Geest de Helper wiens liefde ons voedt, ons leidt en ons sterkt. God zij geloofd!
Laten wij ons er op dit ogenblik toe beperken om onze geest te richten op bepaalde gevolgen die, zoals wij zeiden, het einde van het concilie met zich meeebrengt. Wij zouden dit einde liever het begin van tallrijke zaken willen noemen, vooreerst door de instellling van raadgevende organen die ijverig met ons moeten samenwerken om de richtlijnen op te stellen die door de conciliedecreten verlangd worden. Wij wensen zo spoedig mogelijk tot de instelling ervan over te gaan, om zonder aarzelen de beslissingen uit te voeren die dit oecumenisch Concilie heeft genoomen. Wij hebben reeds drie post-conciliaire commisssies gevormd: een voor de heilige liturgie, een ander voor de herziening van het kerkelijk wetboek en een derde die de richtlijnen opstelt van het decreet over de publiciteitsmedia. Wij hebben niet de goedkeuuring van het decreet ,2e Vaticaans Concilie - Decreet
Christus Dominus
Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk
(28 oktober 1965)
' afgewacht om, tegemoettkomend aan het verlangen ervan, de instelling van de bisschoppensynode aan te kondigen. Wij hopen met Gods wil deze synode voor de eerste maal, zo niet het volgend jaar dat door talrijke andere zorgen in verrband met het einde van het concilie zal bezet zijn, dan toch minstens in 1967 bijeen te roepen. In dat jaar immers zullen wij op geeigende wijze het eeuwwfeest van het martelaarschap van de apostel Petrus moeten herdenken in navolging van wat in de vorige eeuw onze eerbiedwaardige voorganger Pius IX heeft gedaan.
Wij zullen er ook voor zorgen zo spoedig mogelijk de commissies in te stellen, tot wier oprichting het Concilie heeft besloten om de richtlijnen van de decreten uit te werken of om de speciale werkzaamheden te verrichten die noodzakelijk zijn voor hun toepassing Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 44. Eveneens zullen nieuwe organen worden opgericht voor de diensten die door de wetten van dit Concilie of door de hernieuwing van het leven van de Kerk noodzakelijk geworden zijn. Wij hebben het vaste voornemen om dat, wat uit de viering van deze oecumenische kerkvergadering gevolgd is, te verwezenlijken en voort te zetten, wat zij begonnen is, zoals de drie secretariaten die reeds een zeer gunstige activiteit ontplooien:
Moge God onze goede wil ondersteunen en ons de kracht en de middelen schenken om aan deze nieuwe verplichtingen te kunnen voldoen.
Dit alles, eerbiedwaardige broeders, zal enige tijd vragen. Indien de organisatie en de ontwikkeling van deze en van andere kerkelijke instellingen slechts, zoals het behoort, stap voor stap zullen verwezenlijkt worden en deze zo bestudeerd en geregeld moeten worden dat een al te groot aantal bureaus en nutteloze uitgaven worden vermeden, dan diene men dit in geen geval op te vatten als een gebrek aan trouw aan de voornemens die wij zoeven geformuleerd hebben.
Wij hebben geenszins de bedoeling een nieuwe en kunstmatige centralisatie in te voeren van de taken die de hiërarchie toebehoren; maar wij wensen van de ene kant dat de bisschoppen hun aandeel hebben in de uitvoering van de richtlijnen van het oecumenisch Concilie, en van de andere kant dat wij, voor zover mogelijk, van hun medewerking gebruik kunnen maken om beter aan de eisen van onze apostolische taak in het algemeen bestuur van de Kerk te beantwoorden. Het toekennen van een doeltreffende rol aan de bisschoppenvergaderingen of bisschoppenconferenties, onlangs, is een belangrijke gebeurtenis in de organische ontwikkeling van het kerkelijk recht. Zoals wij gaarne de instelling hiervan hebben gewenst en bevorderd, hopen wij ook dat dit in de verschillende landen en streken van de wereld zal dienen tot de heilzame en waardige ontwikkeling van de Kerk. In plaats van de zichtbare ledematen van het mystieke lichaam van Jezus Christus te isoleren en ze van elkaar te scheiden, hopen wij dat dit hun samenwerking in eensgezinde en broederlijke eenheid zal doen groeien. Wij van onze kant zullen hieraan meewerken en de centrale instellingen van de Kerk, op de eerste plaats de Romeinse Curie, zullen kostbare diensten bewijzen aan geheel het kerkelijk organisme door ons de hulp van hun juist inzicht te verlenen.
Wat de Romeinse Curie betreft, staat ons toe tegen het einde van dit oecumenisch Concilie, waarin de Kerk de overvloed van haar geestelijke krachten en de sterkte van haar tucht heeft bewezen, deze curie in uw welwillendheid en uw dankbaarheid aan te bevelen. Als de katholieke Kerk heden ten dage over deze steeds groeiende krachten kan beschikken, die wij door Gods genade in haar met vreugde moeten erkennen, dan is dit voor een groot deel toe te schrijven aan de diensten van dit actief en trouw instrument bij de uitoefening van het apostolisch ambt. Ten onrechte zou men kunnen menen, dat dit instrument reeds verouderd is en ongeschikt is geworden, dat het corrupt is en alleen bezorgd voor haar eigen belangen. Het is echter onze plicht getuigenis af te leggen van zijn verdiensten: de gebreken die men vroeger aan deze menselijke instelling verweet, die, dank zij de barmhartige God, het Romeins pontificaat omgeeft en ten dienste staat, bestaan niet meer in onze dagen. Integendeel, de religieuze geest, de oprechte liefde jegens Jezus Christus, de trouw en de gehoorzaamheid, de ijver om de heilige Kerk te helpen en de bereidvaardigheid om de vooruitgang van de Kerk te bevorderen zijn de beginselen van de activiteit van de Romeinse Curie: zij stellen haar niet alleen in staat om haar belangrijke zending te vervullen, maar zij maken haar ook het vertrouwen van geheel de Kerk waardig.
Men moet dit echter niet zo opvatten, als zouden wij ontkennen dat de Romeinse Curie nodig moet vervolmaakt worden. Immers alles wat menselijk is, alles wat vergankelijk is, is onderhevig aan tekortkomingen en aan verval. Ja, de gebreken van een mens vallen des te meer op en worden des te sterker afgekeurd, naarmate zijn waardigheid hoger in aanzien staat en zijn taak meer volmaaktheid en christelijke heiligheid eist. Wij zijn de eerste, niet alleen om dit te erkennen, maar ook om ons ervoor in te willen spannen de romeinse curie zo goed mogelijk te hernieuwen volgens § 9 van het onlangs afgekondigde decreet 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Christus Dominus
Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk
(28 oktober 1965)
2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 9 en om ervoor te zorgen, dat de ware geest van Jezus Christus steeds meer in hen doordringt en hen bezielt, die de eer hebben tot de Romeinse Curie te behoren.
Naar aanleiding hiervan, eerbiedwaardige broeders, willen wij u de verzekering geven dat wij, hoewel in beslag genomen door zoveel zorgen, gedurende al die tijd niet stil hebben gezeten. De beraadslagingen en studies voor de hervorming van de Romeinse Curie zijn reeds begonnen en goed op weg. Wij kunnen u echter zeggen, dat er geen ernstige en noodzakelijke reden is om de structuur zelf te veranderen. Daarentegen, naast de veranderingen in de bezetting, zijn er nieuwe herzieningen, bepaalde vereenvoudigingen en verbeteringen nodig. Maar men zal vooral de wezenlijke doelstellingen van deze instelling duidelijk dienen te formuleren en vast te stellen. Het zal misschien de indruk geven, dat deze zo gewenste hervorming slechts langzaam en gedeeltelijk tot stand komt; maar dat is nodig, als men aan de mensen en de tradities de verschuldigde eerbied wil betonen; de hervorming zal echter tenslotte toch geschieden.
Om onze woorden met een voorbeeld te bevestigen, kunnen wij u reeds aankondigen, dat spoedig de publicatie zal plaatshebben van het nieuwe statuut dat de eerste van de Romeinse Congregaties, het Heilig Officie, zal regelen.
Eerbiedwaardige broeders, het zijn niet zozeer deze hernieuwingen die, hoe noodzakelijk ook, uw aandacht moeten bezighouden, maar het zijn eerder de morele en geestelijke hernieuwingen die ons meer gelijkvormig moeten maken aan onze goddelijke Meester en meer geschikt om de plichten, die ieder van ons zijn opgelegd, te vervullen. Wat ons op de eerste plaats moet bezighouden, is onze daadwerkelijke heiliging en onze werkelijke geschiktheid om de boodschap van het Evangelie onder de mens en van onze tijd te verspreiden. Het schijnt ons dan ook zeer belangrijk goed te zien wat onze houding tijdens de periode na het Concilie moet zijn. Naar ons oordeel heeft het Concilie drie verschillende geesteshoudingen in ons opgewekt.
De eerste was die van enthousiasme, en dit was normaal: de H. Paus Johannes XXIII - Toespraak
Aankondiging diocesane Synode, Oecumenisch Concilie en aanpassing Kerkelijk wetboek
Tot college van kardinalen op het feest van St. Paulus-bekering - Vespers in de St. Paulus-buiten-de-Muren, Rome
(25 januari 1959)
, tegelijk verlangd en onverhoopt, werd ontvangen met verwondering, blijdschap, verwachting en met de droom van een soort messianisme; een soort lentewind streek vanaf het begin langs aller harten.
Toen kwam de tweede fase: die van de activiteiten van het Concilie: het werd gekenmerkt door talrijke kwesties en moeilijkheden: die moesten er wel komen, want er is zeer veel werk verzet, hetgeen vooral te danken was aan de activiteit van de leden van de commissies en subcommissies, waarin de medewerking van de periti - en in het bijzonder van sommigen onder hen - buitengewoon doeltreffend en competent is geweest. Om hun een openlijk bewijs van onze dankbaarheid te betuigen, hebben wij verlangd dat minstens enigen hunner vandaag met ons het heilig misoffer zouden celebreren. Maar terzelfder tijd werd in sommige sectoren van de openbare mening alles bediscuteerd en beschouwd als onderwerp van discussie: alles scheen hun moeilijk en ingewikkeld, niets ontsnapte aan hun pogingen tot kritiek en aan hun ongeduldige zucht naar hernieuwing; er ontstonden onrust, tegenstrijdige meningen, vrees, vermetele daden, willekeurige standpunten; hier en daar ontstond twijfel, zelfs over de fundamentele normen van de waarheid en van het gezag, totdat de stem van het Concilie begint te klinken: kalm weliswaar, maar weloverwogen en plechtig. Nu echter, tegen het einde van het Concilie, zal dit in beknopte maar bemoedigende woorden aankondigen hoe de vorm moet zijn van het leven van de Kerk.
Wij komen thans aan de derde fase: die van de resoluties waardoor de Conciliedecreten aanvaard en uitgevoerd worden. Hierop moet ieder zich nu voorbereiden. De discussies zijn geëindigd, de geest gaat haar werk doen. Na het omploegen van de grond volgt de bebouwing ervan, die methodisch en ordelijk dient te geschieden. De Kerk past zich aan de nieuwe richtlijnen aan, die het Concilie haar heeft gegeven: zij worden gekenmerkt door de trouw, door de hernieuwing, dat wil zeggen door een duidelijker bewustzijn van de kerkelijke gemeenschap, van haar bewonderenswaardige structuur, van de grootste liefde die de hiërarchische gemeenschap van de Kerk moet verenigen, stimuleren en heiligen.
Dit is het ogenblik van het ware aggiornamento, dat onze eerbiedwaardige voorganger Johannes XXIII heeft voorspeld: volgens het oordeel van zijn raadgevers heeft hij aan dit woord zeker niet die betekenis gegeven die sommigen eraan trachten te geven en die zou toestaan om volgens de mentaliteit van de wereld al wat de Kerk betreft, dogma's, wetten, instellingen, tradities, te relativeren, terwijl dit woord toch een zo levende en zo sterke betekenis heeft van de standvastigheid van de leer en van de structuren van de Kerk, dat deze het tot het fundamentele idee heeft gemaakt van haar denken en handelen. Aggiornamento zal dan ook voortaan voor ons de betekenis hebben van een diep doordringen in de geest van het Concilie en het getrouw toepassen van de richtlijnen die het op zo'n uitstekende wijze heeft opgesteld. Wij zijn van mening dat de nieuwe geest van de Kerk zich in deze lijn moet ontwikkelen: geestelijkheid en gelovigen zullen er een prachtig geestelijk werkprogramma vinden voor de hernieuwing van hun leven en van hun activiteiten volgens de geest van Christus de Heer. Om dit te bereiken, nodigen wij onze broeders en zonen - hen namelijk die Christus en de Kerk liefhebben - uit om samen met ons openlijker te getuigen van de waarheid in de betekenis waarin Christus en de apostelen deze hebben overgeleverd; en daarnaast om onze ijver te tonen in het naleven van de kerkelijke tucht en in het streven naar een innige en hartelijke eenheid welke ons allen, als ledematen van hetzelfde lichaam, vertrouwen schenkt en solidair maakt.
Om allen gemakkelijker tot deze hernieuwing van christelijk leven op te wekken, stellen wij de zonen van de Kerk voor om zich de woorden en de voorbeelden te herinneren van onze beide onmiddellijke voorgangers, Pius XII en Johannes XXIII, aan wie de Kerk en de wereld zoveel verschuldigd zijn. Daarom besluiten wij het proces tot zaligverklaring te openen van deze twee grote en vrome pausen die ons zo dierbaar zijn. Aldus zal voldaan worden aan de verlangens die in die richting door zeer talrijke stemmen zijn uitgedrukt aangaande beide pausen. Zo zal het nageslacht geheel het geestelijk erfgoed, dat zij hebben nagelaten, kunnen ontvangen; men zal tenslotte vermijden, dat hun juist en zeer beminnelijk beeld ons en de toekomstige eeuwen wegens andere motieven wordt voorgehouden dan wegens de werkelijke heiligheid, namelijk de eer van God en de opbouw van zijn Kerk. Zoals ieder weet, kan de procedure niet snel gaan, maar zij zal met zorg en regelmaat geleid worden. Moge God ons naar het gewenste doel voeren.
De nadering van het einde van dit Concilie zou voor ons een uitnodiging kunnen zijn om een overzicht te geven van de punten die het Concilie nu reeds bereikt heeft, zowel in leerstellig opzicht in de vorm van prachtige onderrichtingen, rijk aan waarheden en vruchtbaar voor het apostolaat, als in het opzicht van de liefde: het Concilie heeft ons allen van de meest verwijderde punten van de aarde verzameld om met elkaar kennis te maken, om samen te bidden, te studeren en te besluiten, om samen onze trouw aan Christus en aan zijn Evangelie te belijden en onze bekwaamheid te doen groeien om elkaar te beminnen, onze afgescheiden broeders lief te hebben, de armen en hen die lijden, de wereld die denkt en werkt, de gehele mensheid. Maar de tijd ontbreekt ons nu voor een zo brede synthese; wij en zij die na ons komen, zullen andere gelegenheden hiertoe hebben.
Op dit ogenblik zullen wij eenvoudig besluiten met de aankondiging van een plan, dat de herinnering aan dit Concilie zal doen voortduren: de oprichting te Rome, op een punt dat aan de pastoreae behoeften voldoet, van een nieuwe kerk toegewijd aan Maria, de moeder van deze Kerk, waarvan Maria zelf het eerste gezegende kind is dat door de hemelse gaven is geschonken.
Op de tweede plaats wensen wij u ons voornemen bekend te maken om voor de gehele Kerk een bijzonder jubileum af te kondigen, dat van het eind van het Concilie tot aan het aanstaande Pinksterfeest zal duren. Het doel ervan is om door de prediking de boodschap van waarheid en liefde te verbreiden welke van het Concilie uitgaat en om in de harten van de gelovigen de gemeenschapszin te versterken die hen rondom de herder van hun bisdom verzamelt. Bij deze gelegenheid sporen wij iedereen aan om gebruik te maken van ,de dienst van die verzoening' (2 Kor. 5, 18): zij zal zo breed mogelijk openstaan voor en aangeboden worden aan iedereen die van goede wil is. Inlichtingen en richtlijnen voor dit jubileum zullen zo spoedig mogelijk bekend worden gemaakt.
Het is nu tijd om deze toespraak te beëindigen en de viering van deze plechtige zitting te besluiten, niet echter zonder u allen eerst te hebben bedankt voor uw aanwezigheid en voor uw deelneming aan deze gewijde riten, zo vol waardigheid en zo treffend.
Wij groeten u allen in de Heer en in zijn zeer heilige Naam verlenen wij u onze zegen.

Document

Naam: PUBLICA HAEC SESSIO
Bij de VIIIe Sessie van het Concilie
Soort: H. Paus Paulus VI - Toespraak
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 18 november 1965
Copyrights: © 1966, Katholiek Archief 21e jrg nr. 7/8 p. 238-243
Alineanummering en -indeling door de redactie
Bewerkt: 12 november 2018

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam