• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
C.I.1

De principiële betekenis van de heilige Schrift. De geschriften van het Oude en Nieuwe Testament zijn onder inspiratie van de Heilige Geest geschreven, opdat zij dienstig zouden zijn ter onderrichting, wederlegging, verbetering en opvoeding in een rechtschapen leven. Vgl. 2 Tim. 3, 16 Deze geschriften werden samengevat in de canon. De Kerk heeft met haar leergezag in deze canon het apostolische geloofsgetuigenis de authentieke en betrouwbare uitdrukking van bet kerkelijk geloof uit de begintijd erkend en zich altijd daartoe bekend. Vgl. Concilie van Trente, 4. Zitting - Decreet over de Heilige Geschriften en de overleveringen van de apostelen, Sessio IV - Recipiuntur Libris Sacris et de traditionibus recipiendis (8 apr 1546), 2-4. (vgl. DH 1502-1504 Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 8.31. (vgl. DH 3006 en 3029) „De Kerk heeft de goddelijke geschriften steeds zo vereerd als ook het lichaam: van de Heer. Want zij neemt, vooral in de heilige liturgie; voortdurend van de tafel van het woord van God en van het lichaam van Christus het brood des levens en biedt dit aan de gelovigen aan”. Daarom dient elke kerkelijke verkondiging „door de heilige Schrift... gevoed en beheerst” te worden. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 21 De bestudering van de heilige Schrift moet als het ware de ziel van de theologie en van elke verkondiging zijn. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 24 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 16 Het getuigenis van de heilige Schrift moet daarom ook uitgangspunt en grondslag: voor de uitleg van het dogma zijn.

C.I.2

De crisis en de positieve resultaten van de moderne exsegese. Het conflict tussen de exegese en de dogmatiek is een modern verschijnsel. In de geest van de Verlichting werden de methoden en inzichten van de historische kritiek ook ontwikkeld om gebruikt te worden voor de emancipatie uit het kerkelijk-dogmatisch gezag. Deze kritiek ging steeds verder. Weldra vormden niet alleen de Schrift en het dogma partij in dit conflict, maar ook de tekst van de Schrift zelf werd kritisch „onderzocht” en er werd kritiek uitgeoefend op de „dogmatische inkleuring” in de Schrift zelf. De verdere ontwikkeling van de historische kritiek door de sociaal-politieke en psychologische kritiek onderzocht de tekst op sociaal-politieke tegenstellingen of op verdrongen psychische gevoelens. Gemeenschappelijk aan al deze verschillende stromingen van kritiek is dat het dogma van de Kerk en ook de Schrift zelf onder de verdachtmaking gesteld worden, een oorspronkelijke werkelijkheid te verbergen, die pas door kritische bevraging kan worden ontsloten.

Men mag uiteraard de positieve bedoeling en het resultaat van de „verlichte” kritiek op de traditie niet over het hoofd zien. De historische Bijbelkritiek kon namelijk duidelijk: maken, dat de Schrift zelf van de Kerk is ; zij heeft haar plaats binnen de kerkelijke traditie en de fixering van haar canonieke grenzen een kerkelijk proces van oordeelsvorming. Zo wees de exegese de weg terug naar ket dogma en naar de traditie.

De historische kritiek kon vooral niet voorbijgaan aan ket feit dat Jezus zelf klaarblijkelijk helemaal niet „ondogmatisch” was. Zelfs bij toepassing van de strengste historische kritiek blijft er een zinnigerwijze niet loochenbare historische kern van de aardse Jezus bestaan. Tot deze kern behoren de aanspraken die Jezus in zijn optreden en woorden liet gelden ten aanzien van zijn zending zijn persoon, en zijn relatie tot God, d.w.z. tot zijn ,,Abba”. Deze aanspraken impliceren de latere, al in ket Nieuwe Testament beginnende dogmatische ontwikkeling en zij vormen de kern van alle dogmatische uitspraken. De oorspronkelijke vorm van het dogma is daarom de belijdenis die voor het Nieuwe Testament centraal is: Jezus Christus is de Zoon van God. (Mt. 16, 16)

C.I.3

De leer van het Tweede Vaticaans Concilie over de interpretatie van de Schrift. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft de positieve bedoeling van de moderne historische kritiek opgenomen. Het leert dat het bij de uitleg van de heilige Schrift erom gaat zorgvuldig te onderzoeken ,,wat de gewijde schrijvers werkelijk hebben bedoeld uit de drukken en wat God door hun woorden heeft willen bekendmaken”. Om dit te zien moet men de historische situatie alsook de denk-, spreek- en vertelvormen van de toenmalige tijd kennen. De historisch-kritische uitleg moet uiteraard dienstbaar zijn en in een theologische en kerkelijke uitleg opgenomen kunnen worden. „Omdat de heilige Schrift ook in dezelfde Geest moet worden gelezen en verklaard waarin zij is geschreven”, is het even onontbeerlijk dat men ,,met niet minder ijver... op de inhoud en de eenheid van de gehele Schrift” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 12

De theologische Schrifuitleg moet uitgaan van Jezus Christus als centrum van de Schrift. Hij is de enige exegeet van de Vader (exegesato) Vgl. Joh. 1, 18 Van meet af aan verleent Hij aan zijn leerlingen aandeel in deze Schriftuitleg, doordat Hij ken betrekt in zijn manier van leven, kun zijn woorden toevertrouwt en hen toerust met zijn volmacht en zijn Geest die hen in de hele waarheid zal binnenleiden. Vgl. Joh. 16, 13 In de kracht van deze Geest hebben zij en hun leerlingen het getuigenis van Jezus opgeschreven en doorgegeven. De uitleg van ket getuigenis over Jezus is daarom onlosmakelijk verbonden met de werkzaamheid van zijn Geest in de continuïteit van zijn getuigen (apostolische successie) en in de geloofszin van het volk van God.

Bij het dogma van de Kerk gaat het dus om de juiste uitleg van de Schrift. Bij zo’n dogmatisch verplichtende uitleg van de Schrift staat het leergezag niet boven het Woord van God, veeleer is het eraan dienstbaar. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 10 Het leergezag oordeelt namelijk niet over het Woord van God, maar over de juistheid van de interpretatie ervan. Een latere tijd kan niet teruggaan achter datgene wat in het dogma onder bijstand van de Heilige Geest als sleutel ter lezing van de Schrift werd geformuleerd. Dat sluit niet uit dat in een latere tijd nieuwe gezichtspunten naar voren kunnen komen en dus ook nieuwe formuleringen gezocht zullen worden. Niet op de laatste plaats wordt het oordeel van de Kerk in geloofszaken altijd opnieuw toegespitst door de voorbereidende werkzaamheden van de exegeten en door hun zorgvuldig onderzoek naar de bedoeling van de Heilige Schrift. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 12

C.I.4

De gerichtheid van de heilige Schrift op Christus als criterium. Ondanks al het nieuwe van de nieuwe tijd, ondanks de radicaliteit van de geestelijke, maatschappelijke en culturele omwenteling ten gevolge van de Verlichting dient men er toch aan vast te houden, dat Christus de definitieve openbaring van God is en dat geen enkel nieuw heilshistorisch tijdperk dat van Jezus Christus kan vervangen. Er valt geen ander Evangelie te verwachten. De tijd tot de wederkomst van Christus blijft constitutief gebonden aan het heilshistorische moment van destijds (het „eens voor altijd”: ephapax), waarop Jezus Christus en de over Hem getuigende traditie van de Schrift en van de kerkelijke overlevering gestalte kregen. Zijn actuele, zij het ook verborgen heerschappij, is de maatstaf en het oordeel waaraan ook nu vandaag waarheid en leugen gescheiden worden. Met het oog op Hem komt ook de scheiding tot stand tussen datgene waarin het de nieuwe methodes van Schriftuitleg „werkelijk om Christus gaat” („Christum treibet”) en datgene wat Hem miskent of zelfs vertekent.

Veel van datgene wat de historisch-kritische methode of nieuwe methoden (godsdienstgeschiedenis, structuralisme, semiotiek, sociale geschiedenis, dieptepsychologie) aan nieuwe visies opleveren, kan ertoe bijdragen dat de gestalte van Christus duidelijker naar voren komt voor onze hedendaagse tijd. Toch blijven deze methoden slechts zolang vruchtbaar, als zij worden toegepast in de gehoorzaamheid van het geloof en geen zelfstandige rol gaan vervullen. De communio Ecclesia (gemeenschap van de Kerk) blijft het milieu waarin de Schriftuitleg behoed wordt tegen een funeste aanpassing aan de heersende stromingen van de tijd.

Document

Naam: DE INTERPRETATIE VAN HET DOGMA
Soort: Internationale Theologische Commissie
Datum: 1 oktober 1989
Copyrights: © 2018, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Vert.: vatican.va
Bewerkt: 10 oktober 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam