• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET “CONCILIE” VAN JERUZALEM EN HET INCIDENT VAN ANTIOCHIë
6e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus

Beste broeders en zusters, het respect en de eerbied die Paulus altijd heeft gekoesterd tegenover de Twaalf worden er niet minder om als hij met vrijmoedigheid het Evangelie verdedigt, dat niets anders is dan Jezus Christus, de Heer. Vandaag willen we stil blijven staan bij twee gebeurtenissen die de eerbied en tegelijk de vrijmoedigheid laten zien waarmee de Apostel zich tot Kefas en de andere Apostelen richt: het zogenaamde “Concilie” van Jeruzalem, en het incident in het Syrische Antiochië waarover in de Brief aan de Galaten bericht wordt Vgl. Gal. 2, 1-10 Vgl. Gal. 2, 11-14 .
Elk Concilie en elke Synode van de Kerk is een “gebeuren van de Geest” en in zijn voltrekking gaat het alle geledingen van het volk van God aan: in eigen persoon hebben dat degenen ervaren die het geluk hadden te mogen deelnemen aan het Tweede Vaticaans Concilie. Vandaar dat de heilige Lucas, wanneer hij ons informeert over het eerste Concilie van de Kerk dat zich in Jeruzalem heeft voltrokken, zó de brief inleidt die de Apostelen bij die gelegenheid aan de christengemeenschappen in de diaspora zonden: “De heilige Geest en wij hebben besloten...” (Hand. 15, 28). De Geest, die in heel de Kerk werkt, leidt de Apostelen bij de hand wanneer zij nieuwe wegen inslaan om zijn plannen te realiseren: Hij is de voornaamste bouwer bij de opbouw van de Kerk.
De vergadering van Jeruzalem voltrok zich echter op een moment van niet geringe spanning binnen de Oorsprongsgemeenschap. Het ging er om een antwoord te geven op de vraag of men van de heidenen, die Jezus Christus de Heer begonnen aan te hangen, de besnijdenis moest eisen of dat het geoorloofd was hen vrij te laten wat de Mozaïsche wet betreft, dat wil zeggen wat betreft het onderhouden van de voorschriften die noodzakelijk waren om een rechtvaardige, aan de Wet gehoorzame mens te zijn, en vooral of zij vrij konden blijven wat betreft de normen met betrekking tot de rituele zuiveringen, de reine of onreine spijzen en de sabbat.

Over de vergadering van Jeruzalem bericht ook de heilige Paulus in Gal. 2, 1-10: veertien jaar na de ontmoeting met de Verrezene bij Damascus - we zijn dan in de tweede helft van de jaren 40 na Christus - vertrekt Paulus met Barnabas uit het Antiochië van Syrië en laat zich vergezellen door Titus, zijn trouwe medewerker, die hoewel hij van Griekse afkomst was, niet gedwongen was om zich te laten besnijden om tot de Kerk toegang te krijgen. Bij deze gelegenheid zet Paulus voor de Twaalf, nader bepaald als personen van aanzien, zijn evangelie van de vrijheid van de Wet uiteen Vgl. Gal. 2, 6 . In het licht van de ontmoeting met de verrezen Christus waren voor de heidenen de besnijdenis, en de voorschriften over het voedsel en de sabbat niet langer noodzakelijk als kenmerken van de gerechtigheid: Christus is onze gerechtigheid en “recht” is alles wat aan Hem gelijkvormig maakt. Geen andere kenmerken zijn noodzakelijk om rechtvaardig te zijn. In de Brief aan de Galaten geeft hij in slechts korte trekken het verloop weer van de vergadering: enthousiast herinnert hij zich hoe het Evangelie van het vrij zijn van de Wet goedgekeurd werd door Jacobus, Kefas en Johannes, “de steunpilaren”, die hem en Barnabas de hand reikten als teken van de kerkelijke communio in Christus Vgl. Gal. 2, 9 .

Als voor Lucas, zoals we hebben opgemerkt, het Concilie van Jeruzalem uitdrukking is van het handelen van de heilige Geest, voor Paulus stelt het de beslissende erkenning voor van de vrijheid die door allen werd gedeeld die er aan deelnamen: een vrij zijn ten aanzien van de verplichtingen die voortkomen uit de besnijdenis en de Wet; die vrijheid “waarvoor Christus ons heeft vrijgemaakt” opdat wij daarin zouden “standhouden” en ons niet weer “het slavenjuk zouden laten opleggen” Vgl. Gal. 5, 1 . De twee verschillende wijzen waarop Paulus en Lucas de vergadering van Jeruzalem beschrijven zijn door de bevrijdende werking van de heilige Geest bij elkaar gebracht, want - zo zal hij het in zijn tweede Brief aan de Korintiërs zeggen: “waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid” Vgl. 2 Kor. 3, 17 .

Toch is de christelijke vrijheid - zo blijkt overduidelijk in de Brieven van de heilige Paulus - niet te vereenzelvigen met losbandigheid of met willekeurig doen wat men wil; zij wordt beoefend in de gelijkvormigheid aan Christus en om die reden in de authentieke dienst aan de broeders en zusters, vooral aan de meest behoeftigen. Daarom sluit het verslag van Paulus over de vergadering af met de herinnering aan de aanbeveling die de Apostelen hem hadden gedaan: “Wij moesten wel hun armen blijven gedenken - wat ik dan ook van harte gedaan heb” (Gal. 2, 10). Elke Concilie wordt uit de Kerk geboren en keert tot de Kerk terug: bij die gelegenheid keert het terug met aandacht voor de armen die, zoals blijkt uit de diverse kanttekeningen van Paulus in zijn Brieven, vooral die van de Kerk in Jeruzalem zijn. In de zorg voor de armen waarvan in het bijzonder sprake is in de tweede Brief aan de Korintiërs Vgl. 2 Kor. 8-9 en in het slotgedeelte van de Brief aan de Romeinen Vgl. Rom. 15 , toont Paulus zijn trouw aan de besluiten die tijdens de vergadering zijn gerijpt.
Misschien zijn wij niet meer in staat ten volle de betekenis te begrijpen die Paulus en zijn gemeenschappen gaven aan de collecte voor de armen van Jeruzalem. Het ging om een totaal nieuw initiatief in het panorama van de godsdienstige activiteiten: het was niet verplicht maar vrij en spontaan; alle kerken namen er aan deel die door Paulus in Westelijke richting waren gesticht. De collecte drukte uit wat zijn gemeenschappen verschuldigd waren aan de moederkerk van Palestina, de onbeschrijfelijke gave van het Evangelie. Zo groot is de waarde die Paulus aan dit gebaar van samen delen toekent dat hij het maar zelden eenvoudigweg “collecte” noemt: voor hem is zij veeleer “dienstwerk”, “zegening”, “liefde”, “genade”, ja zelfs “liturgie” (2 Kor. 9).

Met name deze laatste term verrast, die aan de inzameling in de vorm van geld ook een cultuswaarde toekent: van de ene kant is zij een liturgisch gebaar of “dienstwerk”, door elke gemeenschap aan God gebracht, en van de andere kant is zij een handeling van liefde die wordt verricht ten gunste van het volk. Liefde voor de armen en goddelijke liturgie gaan samen, de liefde voor de armen is liturgie. De beide horizonten zijn in elke liturgie aanwezig die gevierd en beleefd wordt in de Kerk, die zich krachtens haar wezen verzet tegen de scheiding tussen cultus en leven, tussen het geloof en de werken, tussen het gebed en de liefde voor de broeders. Zo ontstaat het Concilie van Jeruzalem om de kwestie op te lossen over hoe om te gaan met de heidenen die tot het geloof kwamen, door te kiezen voor de vrijheid ten opzichte van de besnijdenis en de observanties die de Wet oplegt, en loopt uit op een kerkelijk en pastoraal schrijven dat het geloof in Christus Jezus centraal stelt en de liefde voor de armen van Jeruzalem en van heel de Kerk.

De tweede episode is het bekende incident in Antiochië, in Syrië, dat getuigt van de innerlijke vrijheid die Paulus genoot: hoe zich te gedragen bij gelegenheid van een tafelgemeenschap tussen gelovigen van Joodse afkomst en die van heidense origine? Hier komt het andere epicentrum opdagen van de Mozaïsche observantie: het onderscheid tussen reine en onreine spijzen, dat de strikte Joden ten diepste scheidde van de heidenen. In het begin deelde Kefas, Petrus, de tafel met zowel de ene groep als de andere; maar met de komst van enige christenen die met Jakobus, de “broeder van de Heer” (Gal. 1, 19) waren gelieerd, was Petrus begonnen de tafelcontacten met de heidenen te mijden, om geen aanstoot te geven aan degenen die doorgingen met de wetten te onderhouden met betrekking tot de reinheid van het voedsel; en die keuze werd gedeeld door Barnabas.

Die keuze verdeelde ten diepste de christenen uit de besnijdenis en de christenen uit het heidendom. Dit gedrag, dat werkelijk de eenheid en de vrijheid van de Kerk bedreigde, wekte de ontvlamde reacties van Paulus die zover ging dat hij Petrus en de anderen van hypocrisie beschuldigde: “Als jij, een geboren Jood, leeft als een heiden en niet als een Jood, met welk recht kun je dan de heidenen dwingen om te leven als Joden?” (Gal. 2, 14). In werkelijkheid waren de bezorgdheden van Paulus aan de ene kant en van Petrus en Barnabas aan de andere kant verschillend: voor deze laatsten was de afscheiding van de heidenen een manier om de gelovigen uit het jodendom in bescherming te nemen en geen aanstoot te geven; voor Paulus daarentegen vormde dat juist een gevaar tot misverstand over het universele heil in Christus dat zowel aan de heidenen als aan de Joden aangeboden wordt. Als de rechtvaardiging alleen tot stand komt door het geloof in Christus, door de gelijkvormigheid met Hem, zonder enig werk van de Wet, wat heeft het dan voor zin zich nog aan de voedselreinheid te houden bij gelegenheid van het delen van de tafel? Naar alle waarschijnlijkheid beoogden Petrus en Paulus allebei wat anders: voor de een ging het erom de Joden niet kwijt te raken die het Evangelie aanhingen, en voor de ander ging het erom de geen afbreuk te doen aan de heilswaarde van de dood van Christus voor alle gelovigen.

Het mag vreemd klinken, maar wanneer hij enkele jaren later (op de helft van de jaren 50 na Christus) aan de Romeinen schrijft, zal Paulus zelf zich in een analoge situatie bevinden en aan de sterke vragen geen onreine spijs te eten om de zwakke niet te verliezen of aanstoot te geven: “Het is goed geen vlees te gebruiken, , geen wijn of wat ook, wanneer uw broeder daardoor geërgerd wordt” (Rom. 14, 21). Zo blijkt het incident van Antiochië een les geweest te zijn voor zowel Petrus als Paulus. Alleen de oprechte dialoog die open staat voor de waarheid van het Evangelie, kon richting wijzen aan de weg van de Kerk: “Het koninkrijk Gods hangt niet af van spijs of drank, maar is gerechtigheid, vrede en vreugde door de heilige Geest” (Rom. 14, 17). Het is een les die ook wij moeten leren: dat wij ons allen met de verschillende charismata die aan Petrus en aan Paulus zijn toevertrouwd laten leiden door de heilige Geest, terwijl ze trachten te leven in de vrijheid die haar oriëntatie vindt in het geloof in Christus en die zich concretiseert in de dienst aan de broeders en zusters. Waar het om gaat is: altijd meer gelijkvormig worden aan Christus. Het is op die manier dat we werkelijk vrij worden. De diepste kern van de Wet drukt zich onder ons zo uit: liefde voor God en voor de naaste. Laten we de Heer bidden dat hij ons leert met Hem één van gevoelen te zijn, om van Hem de ware vrijheid en de evangelische liefde te leren die elke mens omhelst.

Document

Naam: HET “CONCILIE” VAN JERUZALEM EN HET INCIDENT VAN ANTIOCHIë
6e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 1 oktober 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, alineanummering en -indeling: Past. Chr. van Buijtenen pr.
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam