• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

OVER HET RIJK DER HEMELEN
78e Catechese in de reeks: Theologie van het Lichaam

We zetten nu onze overwegingen van de afgelopen weken verder over de woorden over de onthouding omwille van het Rijk der hemelen die Christus volgens het Evangelie van Matteüs aan zijn leerlingen heeft geopenbaard. Vgl. Mt. 19, 10-12

Laten we eens te meer zeggen dat deze woorden, zo beknopt als ze zijn, bewonderenswaardig rijk en nauwkeurig zijn, ze zijn rijk met een aantal implicaties van een doctrinaire en pastorale natuur, terwijl ze tegelijkertijd een juiste grens aan het onderwerp stellen. Daarom blijft elke vorm van Manicheïstische interpretatie buiten deze grens evenals, wat Christus in de Bergrede zei, het begerig verlangen ‘in het hart’ (Mt. 5, 27-28).

In Christus’ woorden over de onthouding ‘omwille van het Rijk der hemelen’ is er geen zinspeling op de ‘minderwaardigheid’ van het huwelijk met betrekking tot het’ lichaam’, of met andere woorden wat betreft de essentie van het huwelijk, die bestaat in het feit dat man en vrouw zich zo aan elkaar hechten dat ze ‘één vlees’ worden. Vgl. Gen. 2, 24. |“zij volkomen één {vlees} worden” Christus’ woorden, opgenomen in Matteüs 19:11-12 (Mt. 19, 11-12) Vgl. 1 Kor. 7. |evenals de woorden van Paulus in 1 Kor 7 geven geen reden om de ‘minderwaardigheid’ van het huwelijk te steunen, noch de ‘superioriteit’ van de maagdelijkheid of het celibaat, in de mate dat deze door hun aard bestaan in de onthouding van de echtelijke ‘eenwording’ ‘in het lichaam’. Op dit punt zijn Christus’ woorden heel duidelijk. Hij stelt aan zijn leerlingen het ideaal van de onthouding en zijn oproep ertoe niet wegens de minderwaardigheid van, of vooroordelen tegen de echtelijke eenwording ‘in het lichaam’, maar alleen ‘omwille van het Rijk der hemelen’.

In dat licht wordt het nuttig om de uitdrukking ‘omwille van het Rijk der hemelen’ meer uitgediept te verduidelijken; dat zullen we, althans summier, trachten te doen in wat volgt. Maar met betrekking tot het juiste inzicht in het verband tussen het huwelijk en de onthouding waarover Christus spreekt, en om dat verband te begrijpen zoals de hele traditie dit heeft begrepen, is het de moeite waard om toe te voegen dat deze ‘superioriteit’ en deze ‘minderwaardigheid’ binnen de grenzen van de complementariteit zelf van het huwelijk en de onthouding omwille van het Koninkrijk van God vallen. Huwelijk en onthouding zijn niet tegengesteld aan elkaar, noch verdelen zij de menselijke (en christelijke) gemeenschap in twee kampen (laten we zeggen, de ‘volmaakten’ [c:Het Manicheïsme bevat en brengt de karakteristieke elementen van alle ‘gnosis’ tot rijping, dat wil zeggen het dualisme van twee eeuwige en radicaal aan elkaar tegengestelde principes en het concept van een heil dat alleen via kennis (‘gnosis’, {γν?σις}) of zelfbegrip wordt gerealiseerd. In de hele Manicheïstische mythe is er slechts één held en slechts één situatie die altijd wordt herhaald: de gevallen ziel is altijd de gevangene van de materie en wordt bevrijd door de kennis. De huidige historische situatie is negatief voor de mens, want ze is een voorlopig en abnormaal mengsel van geest en materie, goed en kwaad, wat een voorafgaande, oorspronkelijk toestand inhoudt, waar beide materies gescheiden en onafhankelijk waren. Er zijn daarom drie ‘tijdperken’: het ‘initium’ of de oorspronkelijke scheiding; het ‘medium’, dat wil zeggen het huidige mengsel; en de ‘finis’ die bestaat in de terugkeer naar de oorspronkelijke scheiding in een heil dat een totale breuk tussen geest en materie veronderstelt. De materie is in de grond begeerte, ongezonde neiging tot genot, een instinct van de dood, vergelijkbaar, zo niet gelijk aan de seksuele wellust, aan de ‘libido’. Ze is een kracht die het Licht tracht te overvallen; ze is een ongeordende beweging, dierlijke wellust, brutaal, half onbewust. Adam en Eva werden verwekt door twee demonen; onze soort werd geboren uit een reeks afstotende daden van kannibalisme en seksualiteit en behoudt de tekenen van deze duivelse oorsprong, die het lichaam is, de dierlijke vorm van de ‘Archonten van de hel’, en ook de ‘libido’, die de mens aanzet te copuleren en zichzelf te reproduceren, en dus daardoor zijn lichtgevende ziel altijd daarin gevangen houdt. Als hij gered wil worden, moet de mens proberen om zijn ‘levende ego (nous, {νους}) te bevrijden van het vlees en het lichaam. Aangezien de begeerte de opperste uitdrukking van de materie is, bestaat de hoofdzonde uit de seksuele eenwording (ontucht), die brutaliteit en bestialiteit is en die de mensen tot instrumenten en medewerkers maakt van het kwaad doorheen de voortplanting. De uitverkorenen vormen de groep volmaakten wier deugd een ascetisch kenmerk heeft omdat ze de onthouding beoefenen, bevolen door de drie ‘zegels’: het ‘zegel van de mond’ dat alle godslastering verbiedt en ook opdrachten inhoudt, namelijk de onthouding van vlees, bloed, wijn en alle alcoholhoudende dranken en eveneens de vasten beveelt; het ‘zegel van de handen’ die het respect van het leven (het ‘licht’) ingesloten in het lichaam, in zaden, in bomen beveelt, en het verzamelen van fruit, het scheuren van planten, het ontnemen van het leven van mensen en van dieren verbiedt; het ‘zegel van de schoot’ die een totale onthouding voorschrijft. Zie H. Ch. Puech: Le Manicheisme; son fondateur, sa doctrine, Paris, Musée Guimet, deel II, 1949, p. 73-88; H. Ch. Puech, Le Manichéisme, "Histoire des religions," Encyclopédie de la Pleiade II (Gallimard: 1972), p. 522-645; J. Ries, "Manichéisme," in Catholicisme hier, aujourd'hui, demain, Lille: Letouzey-Ané, 1977, p. 314-320).] vanwege de onthouding en degenen die ‘onvolmaakt’ of ‘minder volmaakt’ zijn vanwege de realiteit van het huwelijksleven). Maar deze twee fundamentele situaties of zoals men zegt deze twee ‘staten’ verklaren elkaar en vullen elkaar in zekere zin aan met betrekking tot het bestaan en het (christelijk) leven van deze gemeenschap, dat zich in zijn geheel en in elk van haar leden realiseert in de dimensie van het Koninkrijk van God en een eschatologische oriëntatie heeft, die eigen is aan dat Koninkrijk. Maar met betrekking tot deze dimensie en deze oriëntatie – waaraan de hele gemeenschap, dat wil zeggen al degenen die ertoe behoren, in geloof moet delen – heeft de onthouding ‘omwille van het Rijk der hemelen’ een bijzonder belang en een speciale welsprekendheid voor degenen die een gehuwd leven leiden. Bovendien weten we dat deze de meerderheid vormen.

Het lijkt er derhalve op dat een zo begrepen complementariteit haar grond vindt in de woorden van Christus volgens Matteüs 19:11-12 (en ook in 1 Kor 7). Er is daarentegen geen enkele grond voor een vermoedelijke tegenstelling volgens welke de celibatairen (of ongehuwde personen) alleen vanwege hun onthouding, de klasse van degenen die ‘volmaakt’ zijn, zouden vormen en daartegenover de gehuwde personen een klasse van degenen die ‘onvolmaakt’ (of ‘minder volmaakt’) zouden vormen. Als men volgens een bepaalde theologische traditie spreekt van een staat van volmaaktheid (status perfectionis), doet men dit niet wegens de onthouding zelf, maar doet men dit met betrekking tot het geheel van een levensstijl die gebaseerd is op de evangelische raadgevingen (armoede, kuisheid en gehoorzaamheid) aangezien dit leven overeenkomt met Christus’ oproep tot volmaaktheid: “Wilt ge volmaakt zijn ...” (Mt. 19, 21). De volmaaktheid van het christelijk leven daarentegen wordt gemeten met de regel van de liefde. Hieruit volgt dat een persoon die niet in de ‘staat van volmaaktheid’ leeft (dat wil zeggen in een instituut dat zijn levensplan baseert op de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid) of met andere woorden die niet in een religieuze instelling leeft maar in de ‘wereld’, de facto een hogere graad van volmaaktheid kan bereiken – waarvan de maat de liefde is – in vergelijking tot de persoon die in de ‘staat van volmaaktheid’ leeft maar met een mindere mate van liefde. Niettemin helpen de evangelische raadgevingen ons ongetwijfeld om tot een vollediger liefde te komen. Daarom komt degene die zo’n liefde bereikt, zelfs als hij niet in een geïnstitutionaliseerde ‘staat van volmaaktheid’ leeft, tot de volmaaktheid die uit de liefde voortvloeit door de trouw aan de geest van die raadgevingen. Een dergelijke volmaaktheid is mogelijk en toegankelijk voor elke persoon, zowel in een ‘religieuze instelling’ als in de wereld.

Met Christus’ woorden in Matteüs 19:11-12 lijkt dus dat de complementariteit van het huwelijk en de onthouding ‘omwille van het Rijk der hemelen’, in hun belang en draagwijdte, adequaat overeenkomen. In het leven van een authentieke christelijke gemeenschap vullen de houdingen en waarden eigen aan de ene en andere staat – dat wil zeggen het aardse leven en in het perspectief van de ‘hemelse Kerk’ – elkaar in zekere zin aan en doordringen ze elkaar wederzijds. De volmaakte echtelijke liefde moet worden gekenmerkt door die trouw en die gave aan de enige Bruidegom (en ook door de trouw en de gave van de Bruidegom aan de enige Bruid), waarop de religieuze gelofte en het priesterlijk celibaat zijn gegrond. De aard van de ene en de andere liefde is uiteindelijk ‘sponsaal’, dat wil zeggen uitgedrukt door de totale zelfgave. Beide soorten liefde hebben de neiging om deze sponsale betekenis van het lichaam uit te drukken, die ‘vanaf het begin’ ingeschreven is in de persoonlijke structuur van man en vrouw.

We zullen later op dit punt terugkomen.

Aan de andere kant moet de sponsale liefde die haar uitdrukking vindt in de onthouding ‘omwille van het Rijk der hemelen’, in haar normale ontwikkeling leiden tot ‘vaderschap’ of ‘moederschap’ in een geestelijke zin (met andere woorden precies die ‘vruchtbaarheid van de Heilige Geest’ waarover we al hebben gesproken), op een wijze analoog aan de echtelijke liefde, die rijpt in het lichamelijk vaderschap en moederschap en zich op die manier zelf als sponsale liefde bevestigt. Van haar kant beantwoordt de lichamelijke voortplanting ook pas volledig aan de betekenis ervan als deze wordt voltooid door het vaderschap en moederschap in de geest, waarvan de uitdrukking en de vrucht het educatieve werk van de ouders zijn met betrekking tot de kinderen die geboren zijn uit hun echtelijke lichamelijke eenwording.

Zoals we zien, zijn er vele aspecten en terreinen van complementariteit tussen de roeping, in evangelische zin, van degenen die “huwen en ten worden huwelijk gegeven” (Lc. 20, 34), en van degenen die zich bewust en vrijwillig onthouden ‘omwille van het Rijk der hemelen’ (Mt. 19, 12).

In zijn eerste brief aan de Korintiërs (die we verderop in onze overwegingen zullen analyseren {zie TvL 82-85}), schrijft St. Paulus over dit onderwerp: “ieder heeft nu eenmaal van God zijn eigen gave ontvangen, de een deze, de ander die” (1 Kor. 7, 7).

Document

Naam: OVER HET RIJK DER HEMELEN
78e Catechese in de reeks: Theologie van het Lichaam
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 14 april 1982
Copyrights: © 2016, Libreria Editrice Vaticana / Uitg. Betsaida, Den Bosch
© 2016, Vertaling: Uitg. Betsaida
Bewerkt: 29 december 2021

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam