• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT DE DEELNEMERS AAN HET INTERNATIONAAL CONGRES VAN DE SITA (INTERNATIONALE SOCIëTEIT THOMAS VAN AQUINO)

Ik ben zeer verheugd u te ontmoeten, leden van het Genootschap ‘Sint-Thomas van Aquino’, en u allen, deelnemers aan dit internationale congres, door de SITA georganiseerd om een dieper inzicht te verkrijgen in de thomistische leer over de ziel, in relatie tot de problemen en waarden van onze tijd.
Ik kan enkel maar uiting geven aan mijn tevredenheid over dit initiatief, dat zeker zal leiden tot een waardevolle bijdrage aan de zaak van de mens en aan de dienst van de Kerk. Ik ben met name verheugd over de algemene strekking van uw Genootschap, nl. de bevordering en versterking van de studie van de Engelachtige Leraar, die op het gebied van de systematische en speculatieve theologie steeds van de zijde van het Leergezag van de Kerk het object is geweest van bijzondere lofbetuigingen en aanbevelingen, tot aan de bekende richtlijnen van het Concilie, op het specifieke gebied van de priesterlijke vorming. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 16

Ik had het blijde genoegen deel uit te maken van uw Genootschap sinds haar stichting, waartoe besloten werd op het Thomistisch Congres in 1974 waaraan ik deelnam.

En nog een reden dat ik mij nauw met u verbonden voel, is de herinnering aan de H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Tot de deelnemers aan het Internationaal Congres ter gelegenheid van de 100ste verjaardag van de encycliek Aeterni Patris
Pauselijke Universiteit van het Angelicum
(17 november 1979)
die ik gericht heb tot de deelnemers aan het congres georganiseerd in 1979 ter herdenking van het honderdjarige bestaan van de grote encycliek van Leo XIII Paus Leo XIII - Encycliek
Aeterni Patris
Ter herstel van de christelijke wijsbegeerte naar de geest van Sint-Thomas van Aquino in de katholieke scholen
(4 augustus 1879)
, die zulk een grote impuls heeft gegeven aan de heropbloei van de thomistische studies en in het algemeen aan de vooruitgang en de bevestiging van de christelijke filosofie en aan de leerstellige vorming van herders en gelovigen.

Ik groet van ganser harte alle deelnemers en in het bijzonder de huidige leiders van het Genootschap: de voorzitter, Pater Damiaan Byrne, Magister-generaal van de dominicanen; de directeur Pater Abelardo Lobato en de secretaris Pater Daniel Ols.
De mens is geboren voor de waarheid en onrustig zoekt hij haar.
Het onderwerp van de ziel is verbonden met de vraag de mens zich altijd stelt over de diepe zin van zijn bestaan en over het fundament van zijn leven, zijn denken en handelen. In elke periode is de mens een grote vraag voor zichzelf. De mens is geboren voor de waarheid en met een diepe onrust zoekt hij de waarheid over de mens, d.w.z. het antwoord op de vraag die Sint-Augustinus zich aldus stelde: “Quid ergo sum, Deus meus? Quae natura mea?” H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. X, 17, 26 . De mens weet iets van zichzelf, maar veel weet hij niet en hij verlangt te weten.

De uitingen van de menselijke activiteit zijn nu talrijker dan ooit, maar dit doet nu meer dan ooit de vraag rijzen naar een betere bepaling van hun gemeenschappelijke bron en naar het criterium voor hun samenwerking en voor hun waarde: en dit is niets anders dan zich de vraag stellen naar de ziel.
Dit onderzoek stelt ons voor een groot mysterie en doet ons ontdekken hoe onwetend wij zijn over onszelf: “Wandel, wandel –zei Heraclitus-, misschien zul je nooit de grenzen van de ziel bereiken, alhoewel je elke weg bewandeld hebt. Zo diep is jouw ‘logos’”. Diels, Die Fragmente der Vorsokratiker. 22 B 45, Berlin 1951 En inderdaad –zoals Sint-Thomas opmerkt H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. , 3, 1, 2 m; 93, 2, c.; 4, c.,1 m; 6, c., 2m; Iª - IIª, prol. H. Thomas van Aquino, Sententia Libri Ethicorum. I, D. XVI, q. 3, o.; D. XXXX, q. 1, 1, 1 m H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. IV, c. 26 H. Thomas van Aquino, De Veritatis. q. X, a. 7, c. - het is precies in de ziel dat men het ‘beeld van God’ vindt, dat de mens doet gelijken op zijn Schepper; en het is dus dankzij de ziel dat er in de mens –een eindig schepsel- een zekere oneindigheid bestaat in zijn aspiraties, alhoewel niet in de feitelijke praktijk.

Het bewustzijn van een ziel te bezitten heeft iets paradoxaals omdat het enerzijds een vrijwel direct en evident gegeven lijkt te zijn van de innerlijke, vitale en existentiële ervaring en tegelijkertijd is het, zoals ik zei, een theoretisch probleem dat bijzonder duister en moeilijk is en waar ook grote denkers als het ware schipbreuk hebben geleden.

Deze tweevoudige, verrassende constatering drukt Sint-Thomas zeer goed uit wanneer hij zegt: “Secundum hoc scientia de anima est certissima, quod unusquisque in seipso experitur se animam habere et actus animae sibi inesse; sed cognoscere quid sit anima difficillimum est” (Kennis over de ziel is het meest zeker in de zin dat elkeen in zichzelf ervaart dat hij een ziel heeft en dat de handelingen van de ziel in hem zijn; maar het is zeer moeilijk te weten wat de ziel is.) H. Thomas van Aquino, De Veritatis. q. X, a. 8, 8m; en er aan toevoegt: “Requiritur diligens et subtilis inquisitio” (Een nauwkeurig en subtiel onderzoek is vereist) H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, 87, 1. Een vermoeiend en riskant werk maar niet vergeefs, zeker niet indien het gedaan wordt, zoals jullie van plan zijn, door gebruik te maken van het licht dat komt van de goddelijke Openbaring en van het Leergezag van de Kerk.
Vaticanum II vindt een vertolking in het thomisme

Het programma van uw congres brengt het grote vraagstuk van de ziel in verband met de meest omvangrijke en meest complexe realiteit van het antropologische vraagstuk. Er leeft vandaag in de cultuur het verlangen om een ‘dualistische’ antropologie te vermijden die op een bijna vijandige wijze het lichaam tegenover de ziel stelt. In het licht van wat de Bijbel leert, bevestigt men met kracht de psycho-fysische eenheid van de mens. Ditzelfde verlangen is aanwezig in Sint-Thomas en daarom – zoals ik zei tijdens een H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
De nieuwe betekenis van het lichaam
66e catechese in de reeks: Theologie van het Lichaam
(2 december 1981)
- “heeft hij in zijn metafysische (en theologische) antropologie de filosofische opvatting van Plato over de verhouding tussen ziel en lichaam achter zich gelaten en is genaderd tot de opvatting van Aristoteles.” H. Paus Johannes Paulus II, Audiëntie, 66e catechese in de reeks: Theologie van het Lichaam, De nieuwe betekenis van het lichaam (2 dec 1981), 6 De mens lijdt zeker in de praktijk - en Sint-Thomas herkent dit - aan een inwendige verdeling tussen het “vlees” en de “geest”. Zulk een intern en pijnlijk contrast is echter volgens de Aquinaat “tegen de natuur” omdat het een gevolg is van de zonde, terwijl het diepe verlangen van de mens, dat wordt vervuld door het leven in de genade, uitgaat naar de eenheid en de harmonie tussen het fysieke en een geestelijk leven.

In zijn traktaat “de homine, qui ex spirituali et corporali substantia componitur” (over de mens, die wordt samengesteld uit een geestelijke en lichamelijke substantie) H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, q. 75, prol. laat de Engelachtige Leraar duidelijk de toenmalige recente leringen van het Vierde Lateraanse Concilie doorklinken, welke de menselijke natuur hadden voorgesteld als bestaande tussen de zuiver geestelijk, engelachtige wezens en de zuiver lichamelijke wezens, “quasi communem ex spiritu et corpore constitutam” (als het ware samen uit geest en lichaam samengesteld). 4e Concilie van Lateranen, Hfd 1. Over het Katholieke geloof, Caput 1: De fide catholica (11 nov 1215), 1 Dus, een werkelijk en wezenlijk verschil tussen ziel en lichaam. Voor de Doctor Communis is de ziel een “essentia composita” (een samengesteld wezen) H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. 1, 76, 1, een “substantia composita” (samengestelde substantie) H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. II, c. 68. Maar het zijn van de mens is één: “Unum esse substantiae intellectualis et materiae corporalis” (Er is één zijn van de intellectuele substantie en de lichamelijke stof) H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. II, c. 68. “Unum esse formae et materia” , (Er is één zijn van de vorm en de stof) H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. II, c. 68, waarbij de ziel de “forma” (vorm) en het lichaam de “materia”(stof) is.

Zoals bekend is het trouwens met zijn beroemde leer van de geestelijke ziel als “substantiële vorm” van het lichaam dat Sint-Thomas het moeilijke probleem van de verhouding tussen lichaam en lichaam opgelost heeft en enerzijds het onderscheid van de wezenlijke componenten en anderzijds de eenheid van het persoonlijke zijn van de mens, vrijwaart. Het is eveneens bekend dat deze leer, zoals ook trouwens deze van de onsterfelijkheid van de menselijke ziel, als het ware herbevestigd is geworden door twee opeenvolgende oecumenische Concilies (het Vierde en Vijfde Lateraanse Concilie) om vanaf dan tot het patrimonium van het katholieke geloof te behoren. De antropologische leer van “de eenheid van ziel en lichaam” is hernomen geworden door het Tweede Vaticaanse Concilie, welke dus in het denken van de Engelachtige Leraar een bijzonder geëigende vertolker kan vinden.

Maar de thomistische antropologie stopt niet bij de abstracte beschouwing van de menselijke natuur; op basis van de ervaring en vooral van het onderricht van de Openbaring, toont zij dat zij een sterke gevoeligheid –welke dierbaar is aan de moderne mens- bezit voor de concrete, historische situatie van de menselijke persoon, voor zijn –zo zouden wij vandaag zeggen- “existentiële situatie” van schepsel, gewond door de zonde en verlost door het Bloed van Christus; voor de originaliteit en de waardigheid van elke persoon; voor zijn dynamisch en moreel aspect en tot slot voor de “fenomenologie” –nogmaals met een begrip van onze tijd- van het menselijk bestaan. Immers, Sint-Thomas zegt: “Perfectissimum autem est ipsum individuum generatum, quod in generatione humana est hypostasis, vel persona, ad cuius constitutionem ordinatur et anima et corpus” (Maar het meest volmaakt is het voorgebrachte individu en in de menselijke voortbrenging is dit de hypostase of persoon en de ziel en het lichaam zijn gericht op de constitutie van deze persoon) H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. IV, c. 44.

Om deze achting die de Engelachtige Leraar bezit voor de werkelijkheid van de persoon te begrijpen, moeten wij verwijzen naar zijn metafysica, waarin de grootste volmaaktheid gegeven wordt aan het zijn, verstaan als “zijnact” (esse ut actus). Nu, de persoon, meer nog dan de “natuur” of het “wezen”, richt zich, door middel van de zijnsact die de persoon op zichzelf doet bestaan, precies op tot aan de piek van de volmaaktheid van het zijn en van de werkelijkheid en dus van het goede en van de waarde.
Indien de leer van de menselijke natuur als “eenheid van lichaam en ziel” bij de Doctor Communis de inzichtelijkheid van het menselijke zijn en van zijn geschiedenis uitlegt, dan richt ons de leer over de persoon op bijzondere wijze op het morele perspectief en op het perspectief waarin de concrete weg van de mens ligt in het plan van de schepping en de christelijke verlossing.

Aldus vinden wij in de antropologie van Sint-Thomas dat er uitvoerig wordt tegemoet gekomen aan zowel het verlangen naar een subtiele en systematische analyse als ook aan het verlangen om een fundament te geven en rechtvaardiging te vinden voor de meest hoogstaande waarden van de persoon –welke vandaag zo vaak worden ingeroepen-, als ook voor de waarde van het morele geweten, van de onvervreemdbare rechten, van de rechtvaardigheid, de vrijheid en de vrede; kortom, voor alles wat bijdraagt tot de opheldering van het waarlijk goede van de mens, verlost door Christus, opdat hij de verloren waardigheid zou herwinnen en de toestand van zoon van God opnieuw zou bereiken. De antropologie van Sint-Thomas verenigt altijd nauwgezet de beschouwing van de natuur met deze van de persoon en dit op zulke wijze dat de natuur de objectieve waarden van de persoon fundeert, waardoor de universele waarden van de natuur een concrete betekenis verkrijgen.

De leer over de ziel is het centrum van de thomistische antropologie. Maar deze antropologie –en zelfs niet de leer over de ziel- zou niet in haar ware betekenis en in haar ware omvang kunnen begrepen worden zonder de verwijzing naar –zoals de Engelachtige Leraar dit zelf doet- niet enkel de rationele begrippen –metafysisch of kosmologisch- maar ook en vooral naar de gegevens die komen van de bijbelse Openbaring en van de leerstellingen van de Kerk.
De diepe kerkelijkheid van het denken van de Aquinaat
Het is door trouw en gehoorzaam te zijn aan het kerkelijk Leergezag dat Sint-Thomas een uiterst waardevolle leerstellige dienst heeft kunnen bewijzen aan de Kerk en aan de zielen, een dienst die in zijn tijd hem de titel “Doctor Communis” deed verdienen.

De diepe “kerkelijkheid” van het thomistische denken maakt het vrij van beperkingen, vergankelijkheid en geslotenheid. Het is zeer open en staat ten dienst van een oneindige vooruitgang door het opnemen van elke nieuwe, authentiek waarde die opkomt in de geschiedenis van eender welke cultuur. Dit wil ik graag ook bij deze gelegenheid herhalen. De voornaamste taak van de leerlingen van de Aquinaat en in het bijzonder van uw Genootschap, bestaat erin deze universele en altijddurende ‘ziel’ van het thomistische denken te verzamelen en te bewaren en haar vandaag te doen herleven in een dialoog en een constructieve confrontatie met de huidige culturen om er zo de waarden van over te nemen en de fouten ervan te weerleggen.

De thomistische antropologie vindt haar hoogtepunt en haar theologische fundering ten diepste in het traktaat over de Mensheid van Christus. De analyse en de interpretatie van dit sublieme verlossingsmysterie bracht de Engelachtige Leraar ertoe om op wonderbaarlijke en onovertrefbare wijze de begrippen van zijn antropologie te verfijnen en te verdiepen zodanig dat zij een buitengewone dienst zijn komen te leveren, ook in het zuiver rationele gebied en in het gebied van de menselijke en natuurlijke orde. Omgekeerd kan dit verfijnde onderzoeksinstrument ook vandaag zich zeer nuttig tonen in het voorstellen van de geldige contouren van een authentieke christologie en in het bekritiseren van de misvormingen ervan.

Met deze gevoelens en wensen, roep ik over het werk en de resultaten van uw cultureel initiatief de overvloed af van de hemelse gunsten, terwijl ik u allen een bijzondere zegen schenk.

Document

Naam: TOT DE DEELNEMERS AAN HET INTERNATIONAAL CONGRES VAN DE SITA (INTERNATIONALE SOCIëTEIT THOMAS VAN AQUINO)
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 4 januari 1986
Copyrights: © 2008, Vertaling uit het Italiaans: Drs. J. Vijgen
Bron: Insegnamenti XI, 1 (1986) pp. 18-24
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam