• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Zoals u wel weet, behoren ook de verplichtingen de inspanning om vertolker te zijn van de honger naar gerechtigheid en waardigheid welke de mannen en vrouwen in de huidige tijd zo sterk voelen, tot de roeping van de Kerk. En in deze functie van het verkondigen en ondersteunen van de fundamentele rechten van de mens in alle fasen van zijn bestaan, wordt de Kerk bemoedigd door de internationale gemeenschap welke onlangs met bijzondere initiatieven de dertigste verjaardag van de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
heeft gevierd en 1979 tot internationaal jaar van het kind heeft uitgeroepen.

Misschien zal de twintigste eeuw de Kerk aanduiden als het voornaamste bolwerk van steun van de menselijke persoon in heel de spanne van zijn aardse leven vanaf zijn ontvangenis. In de ontwikkeling van het kerkelijk zelfbewustzijn ontmoet de menselijk-christelijke persoon niet alleen erkenning, maar ook en vooral een open, actieve en harmonische bescherming van zijn fundamentele rechten in overeenstemming met die van de kerkelijke gemeenschap. Ook dit is een onvervreemdbare taak van de Kerk en die op het gebied van de betrekkingen tussen persoon en gemeenschap een integratiemodel aanbiedt tussen de geordende ontwikkeling van de samenleving en de verwezenlijking van de persoonlijkheid van de christen in een gemeenschap van geloof, hoop en liefde. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 8

Het canonieke recht vervult een buitengewoon vormende, individuele en sociale functie, met de bedoeling een geordend en vruchtbaar samenleven te scheppen waarin de volledige ontwikkeling van de menselijk-christelijke persoon kan ontkiemen en rijpen. Dit kan namelijk alleen verwezenlijkt worden in de mate dat de uitsluitende individualiteit wordt afgewezen, daar zijn roeping tegelijk persoonlijk en gemeenschappelijk is. Het canonieke recht staat deze karakteristieke vervolmaking toe en begunstigt ze in zoverre ze tot een overwinnen van het individualisme leidt: ze leidt van de ontkenning van zichzelf als uitsluitende individualiteit tot de bevestiging van zichzelf als werkelijke socialiteit door middel van de erkenning en eerbiediging van de ander als 'persoon', begiftigd met universele onschendbare en onvervreemdbare rechten en bekleed met een transcendente waardigheid.

Maar de taak van de Kerk, en haar historische verdienste, om overal en altijd de fundamentele rechten van de mens te verkondigen en te verdedigen ontslaat haar niet, maar verplicht haar veeleer tegenover de wereld een 'speculum iustitiae' te zijn. De Kerk heeft in dit opzicht een eigen en bijzondere verantwoordelijkheid.

Deze fundamentele keuze welke een bewustwording vertegenwoordigt van de kant van het hele 'volk van God' blijft alle mensen van de Kerk uitdagen en stimuleren - en vooral degenen die evenals u een bijzondere taak in dit opzicht hebben - 'rechtvaardigheid en recht lief te hebben' (Ps. 33, 5). Ze betreft zelfs bijzonder de werkers aan de kerkelijke rechtbanken, dat wil zeggen degenen die 'met rechtvaardigheid moeten oordelen' (Ps. 7, 9)(Ps. 9, 8)(Ps. 67, 5)(Ps. 96, 10.13)(Ps. 98, 9). Zoals mijn vereerde voorganger Paulus VI verklaarde, kunt u die zich aan de dienst van de edele deugd van rechtvaardigheid wijdt, overeenkomstig de zeer mooie benaming welke Ulpianus reeds gebruikte, 'sacerdotes iustitiae' worden genoemd,

"omdat het inderdaad gaat om een 'edel en verheven ambt dat waardig is zich te spiegelen in het licht van God, die zelf de eerste en absolute gerechtigheid, en de zuivere bron van alle aardse gerechtigheid is. In dit goddelijke licht dient uw 'ministerium iustitiae', dat altijd trouwen onberispelijk vervuld moet worden, te worden gezien; in dit licht is het duidelijk met hoe grote zorg gij ook de allerminste ongerechtigheid moet ontwijken om het ambt zijn kristalhelder karakter te doen behouden." H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de Romeinse Rota (11 jan 1965). lnsegnamenti di Paolo VI, lIl, 1965, 29-30 (Katholiek Archief 20 (1965),859).

Document

Naam: TOT DE LEDEN VAN HET RECHTBANK VAN DE ROMEINSE ROTA
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 17 februari 1979
Copyrights: © 1979, Archief van Kerken 34e jrg, p. 805-810
Bewerkt: 29 augustus 2016

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam