• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

IL POPULO - OVER DE ROL VAN DE VOORUITGANG IN DE TECHNOLOGIE EN DE VREDE ONDER DE VOLKEN
Kersttoespraak 1953

Rond de stralende kribbe van Bethlehem

"Het volk, dat in duisternis wandelt, zal dan een helder licht aanschouwen". (Jes. 9, 1) Met dit levendig voorbeeld voorzegde de profetische geest van Jesaja de komst op aarde van het hemels Kind, Vader voor immer en Vorst van de Vrede. Ditzelfde beeld, dat in de volheid der tijden voor de geslachten der mensen, die elkaar afwisselen op deze wereld vol duisternis, troostvolle werkelijkheid is geworden, wensen Wij, dierbare zonen en dochters van de gehele katholieke wereld, aan het begin van Onze Kerstboodschap te plaatsen en te benutten om U opnieuw te leiden naar de kribbe van de pasgeboren Verlosser, stralende bron van licht.

Licht, dat schittert in de duisternis

De Geboorte des Heren is in haar wezenlijke betekenis inderdaad een licht, dat de duisternissen uiteendrijft en overwint, zoals de Apostel Joannes heeft verklaard en samengevat in de sublieme aanvang van zijn Evangelie, waarin wij een echo horen van de eerste plechtige bladzijden van het boek der Schepping bij het verschijnen van het eerste licht. "Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond; en wij hebben zijn glorie aanschouwd: een glorie als van de Eengeborene uit de Vader, vol van genade en waarheid" (Joh. 1, 14). Hij, leven en licht in Zichzelf, schittert in de duisternis en deelt aan allen, die hun ogen en hun hart voor Hem openen, aan degenen die Hem ontvangen en in Hem geloven, de macht mede, kinderen van God te worden. Vgl. Joh. 1, 12  

Doch, ondanks de overvloedige schittering van goddelijk licht, die uitstraalt van de nederige kribbe, wordt aan de mens het ontzagwekkend vermogen gelaten, om zich onder te dompelen in de oude duisternissen, die veroorzaakt zijn door de eerste zonde, waar de geest verdort in werken van onreinheid en dood. Voor zulke vrijwillige blinden, die zo geworden zijn, omdat zij het geloof hebben verloren of hebben laten verslappen, blijft er van het Kerstfeest zelf nog slechts de bekoring over van een louter menselijk feest, dat is teruggebracht tot povere menselijke gevoelens en tot alleen maar menselijke herinneringen, dat weliswaar met tedere liefde wordt omgeven, maar als een hulsel is zonder inhoud en een schaal zonder pit. Er blijven daarom, rondom de stralende kribbe van de Verlosser, gebieden in duisternis gehuld, er gaan mensen omheen, wier ogen blind zijn voor het hemels licht, niet omdat de Mensgeworden God, zelfs ook in het mysterie, niet het licht zou hebben om een ieder te verlichten, die in deze wereld komt; maar omdat velen, verblind door de kortstondige schittering van menselijke idealen en werken, hun blik beperken binnen de grenzen van het geschapene, daar ze niet in staat zijn hem op te heffen tot de Schepper, begin, samenhang en einde van alles wat bestaat.

De technische vooruitgang

Deze mensen der duisternis willen Wij wijzen op het "helder Licht", dat uitstraalt van de kribbe en hen uitnodigt, om vóór alles de oorzaak te erkennen, die hen heden ten dage blind en ongevoelig maakt voor het goddelijke. Deze ligt in de buitensporige en vaak exclusieve waardering voor de zogenaamde "technische vooruitgang". Nadat men zich deze eerst gedroomd heeft als een almachtige, gelukbrengende mythe, haar vervolgens met alle middelen zozeer heeft bevorderd, dat zij de stoutste overwinningen kon behalen, heeft zij zich nu aan het algemeen bewustzijn opgedrongen als het laatste doel van de mens en van het leven, en is zij aldus de plaats gaan innemen van àlle godsdienstige en geestelijke idealen. In onze dagen ziet men steeds duidelijker, dat het onrechtmatig ophemelen van deze technische vooruitgang de ogen van de moderne mensen zo blind en hun oren zo doof heeft gemaakt, dat in hen de woorden in vervulling gaan, waarmee het Boek der Wijsheid de afgodendienaars van zijn tijd geselde Vgl. Wijsh. 13, 1 : zij vermogen niet, door de zichtbare wereld heen, God te zien, noch de Schepper te vinden, terwijl zij Zijn werken aanschouwen; en dat geldt zelfs nog meer voor onze tijd : voor degenen, die in duisternis wandelen, blijft de wereld van het bovennatuurlijke en het werk van de Verlossing, dat alle natuur te boven gaat en door Jezus Christus werd volbracht; in volslagen duisternis gehuld.

Hij komt van God en leidt uit zijn aard tot God

En toch zou zulk een dwaling niét behoeven voor te komen, noch ook moeten deze Onze klachten worden op! gevat als een veroordeling van de technische vooruitgang zelf. De Kerk ziet graag de menselijke vooruitgang en bevordert ze. Het is niet te ontkennen, dat de technische vooruitgang van God komt, zij kan en moet bijgevolg leiden naar God. Het komt inderdaad ook zeer dikwijls voor, dat de gelovige mens, wanneer hij de veroveringen van de techniek bewondert, wanneer hij deze aanwendt om dieper door te dringen in de kennis van de schepping en van de krachten der natuur en om ze door middel van machines en apparaten beter te beheersen, met het doel ze aldus te brengen tot dienstbaarheid aan de mens en aan de verrijking van het leven op aarde, dat de gelovige mens zich als het ware onweerstaanbaar voelt aangespoord om de Gever van al dat goed, dat hij bewondert en gebruikt, te aanbidden: hij weet immers zeer goed, dat de eeuwige Zoon van God de "eerstgeborene is van gans de schepping, want in Hem werd alles geschapen wat in de hemel is en op aarde, de zichtbare en onzichtbare dingen" (Kol. 1, 15-16). Wel verre van zich genoopt te voelen, om de wonderen der techniek 'en hun wettig gebruik te loochenen, is de gelovige daarom misschien nog meer 'bereid om de knie te buigen voor het hemels Kind van de kribbe, is bij zich meer bewust van zijn schuld en dankbaarheid jegens Hem, die het verstand gaf en de dingen, en is hij meer geneigd om de werken der techniek zelf op, te nemen in het koor der engelen bij de lofzang van Bethlehem: "Glorie aan God in den hoge" (Lc. 2, 14). Hij zal het zelfs vanzelfsprekend vinden om naast het goud, de wierook en de mirre, die de Wijzen aan het goddelijk Kind aanboden, ook nog de moderne veroveringen van de techniek te plaatsen: machines en getallen, laboratoria en ontdekkingen, macht en hulpbronnen. Ja zelfs is zulk een offergave, als het ware, de aanbieding van het werk, dat het goddelijk Kind zelf eens heeft bevolen, en dat, ofschoon nog niet voltooid, nu met succes wordt uitgevoerd.

"Bevolkt de aarde en onderwerpt haar" (Gen. 1, 28): sprak God tot de mens, toen Hij hem de schepping als een voorlopig erfdeel toevertrouwde. Welk een lange en harde weg vanaf dat ogenblik tot aan de huidige tijd, waarin nu de mensen enigermate in staat zijn te zeggen, dat zij het goddelijk bevel hebben uitgevoerd!

De moderne techniek op her hoogtepunt van haar glans en van haar resultaten

Inderdaad leidt de techniek de hedendaagse mens tot een volmaaktheid in het beheersen van de stoffelijke wereld, zoals nooit te voren werd bereikt. De moderne machine maakt een productiewijze mogelijk, die de menselijke krachten vervangt en tot reusachtige afmetingen opvoert, die zich geheel vrij maakt van de hulp der levende krachten en tegelijk met de hoogst mogelijke accuratesse een maximum van intensieve en extensieve capaciteit verzekert. Wanneer men met één blik de resultaten van die ontwikkeling overziet, is het alsof men in de natuur zelf ontwaart, dat zij met voldoening instemt met hetgeen de mens in haar heeft gewerkt, en aanspoort om verder te gaan met het zoeken naar en het benutten van haar uitzonderlijke mogelijkheden. Welnu het is duidelijk, dat iedere opsporing en ontdekking van de krachten van de natuur, die door de techniek worden verricht, tenslotte opsporing en ontdekking zijn van de grootheid, de wijsheid, de harmonische volmaaktheid van God. Wanneer de techniek aldus wordt beschouwd, wie zou haar dan kunnen verwerpen en veroordelen?

Gevaar dat zij ernstige geestelijke schade veroorzaakt. - De "technische denkwijze"

Toch schijnt het onbetwistbaar, dat dezelfde techniek, wier schittering en resultaten in onze eeuw een hoogtepunt hebben bereikt, tengevolge van feitelijke omstandigheden de vorm aanneemt van een geestelijk gevaar. Het is alsof zij aan de moderne mens, die voor haar altaar neerligt, een gevoel geeft van zelf genoegzaamheid en van bevrediging van zijn verlangens naar onbegrensde kennis en macht. Door haar veelvuldige toepassingen, door het absoluut vertrouwen, dat zij ontmoet, door de onuitputtelijke mogelijkheden, die zij belooft, ontvouwt de moderne techniek rondom de hedendaagse mens zulk een groots beeld, dat het door velen valselijk voor de oneindigheid zelf wordt aangezien. Bijgevolg wordt haar een autonomie toegeschreven, die zij onmogelijk kan bezitten, welke op haar beurt in de gedachten van enkelen wordt gevormd tot een valse opvatting van het leven en van de wereld, die men aanduidt met de naam van "technische denkwijze". Maar waarin bestaat deze dan eigenlijk? Zij bestaat hierin, dat men het als de hoogste waarde van de mens en van het leven beschouwt, om uit de krachten en de elementen van de natuur het grootst mogelijke voordeel te halen; dat de technische methoden van mechanische productie, met voorbijgaan van alle menselijke activiteiten als laatste doel worden gesteld, en dat men daarin de volmaaktheid ziet van de cultuur en van het geluk op aarde.

Zij neigt er toe, de blik van de mens te beperken tot de stof alleen ...

Maar er ligt in de eerste plaats een fundamentele misleiding in dit verwrongen wereldbeeld, dat door de "technische denkwijze" wordt voorgehouden. Het op het eerste gezicht grenzeloos panorama, dat de techniek voor de ogen van de moderne mens ontrolt, hoe uitgestrekt het ook moge zijn, blijft toch slechts een gedeeltelijke projectie van het leven op de werkelijkheid, daar het alleen maar de verhouding uitdrukt, die het leven heeft tot de stof. Daarom is het een bedrieglijk panorama, dat de mens, die al te gemakkelijk in de onmetelijkheid en de almacht van de techniek gelooft, tenslotte opsluit in een gevangenis, die weliswaar ruim is, maar toch grenzen heeft, en daarom op de lange duur voor zijn ware geest onverdraaglijk is. Hij zal zijn blik bij lange niet kunnen uitstrekken over de oneindige werkelijkheid, die niet alleen uit stof bestaat, maar zal zich integendeel vernederd voelen door de versperringen, die de stof hem noodzakelijk in de weg legt. Hieruit komt die verborgen angst voort van de hedendaagse mens, die blind is geworden, omdat hij zich vrijwillig omgeeft met duisternis.

... zij maakt hem blind voor de godsdienstige waarheden

De nadelen, die uit de "technische denkwijze" voortvloeien, zijn voor de mens, die er zich door laat benevelen, nog veel ernstiger op het gebied van de strikt godsdienstige waarheden en in zijn betrekkingen tot het bovennatuurlijke. Ook deze liggen opgesloten in de duisternissen, waarop de H. Evangelist Johannes zinspeelt, die het Mensgeworden, Woord is komen uiteendrijven en die het geestelijk begrip van Gods geheimen verhinderen.

Niet dat de techniek zelf, krachtens haar logisch verband, de verloochening eist van de godsdienstige waarden - integendeel: de techniek leidt er toe: zoals Wij zeiden, om die waarheden te ontdekken -, doch dit geldt wel van die "technische denkwijze", welke de mens in ongunstige omstandigheden plaatst, om de bovennatuurlijke waarheden te zoeken, te zien en te aanvaarden. De geest, die zich laat misleiden door de levensopvatting, zoals deze door de "technische denkwijze" is uitgedacht, blijft ongevoelig, zonder belangstelling en daarom blind voor de werken van God, wier aard volkomen afwijkt van die der techniek, zoals dit het geval is met de geheimen van het christelijk geloof. Het geneesmiddel hiertegen, dat zou moeten bestaan in een verdubbelde inspanning om de blik te verruimen tot over de versperringen der duisternis heen en om in de ziel belangstelling op te wekken voor de bovennatuurlijke werkelijkheden, dit geneesmiddel zelf wordt reeds van meet af aan door diezelfde "technische denkwijze" krachteloos gemaakt; want zij berooft de mensen van de kritische zin ten opzichte van de zeldzame onrust en oppervlakkigheid van onze tijd, een gebrek, dat, helaas, ook zij die met de vooruitgang der techniek werkelijk en oprecht instemmen, als een van haar gevolgen moeten erkennen. De mensen, die geheel in beslag zijn genomen door die "technische denkwijze", vinden maar moeilijk de rust, de helderheid en de innerlijke houding der ziel, die onontbeerlijk zijn, om de weg naar de Mensgeworden Zoon van God te vinden. Zij zullen ten laatste zo ver komen, dat zij de Schepper en zijn werk ontluisteren door de menselijke natuur te bestempelen als een gebrekkige structuur, indien het prestatievermogen van de hersenen en van de andere organen van de mens, dat noodzakelijk begrensd is, de verwezenlijking van technische berekeningen en plannen belemmert. Noch minder zijn zij bij machte, om de diepe geheimen van het leven en van de goddelijke heilseconomie te begrijpen en te waarderen, zoals bijvoorbeeld het geheim van Kerstmis, waarin de vereniging van het goddelijk Woord met de menselijke natuur werkelijkheden en grootheden van geheel andere aard voortbrengt, dan de techniek zich kan voorstellen. Hun gedachten volgen andere wegen en methoden onder de eenzijdige invloed van die "technische denkwijze", die alleen datgene als werkelijkheid erkent en waardeert, wat in verhoudingen van getallen en in berekeningen van utiliteit kan worden uitgedrukt. Zij geloven aldus de werkelijkheid in haar grondelementen te ontleden, maar hun kennis blijft aan de oppervlakte hangen en beweegt zich slechts in één enkele richting. Het ligt voor de hand, dat de mens bij het aanwenden van de technische methode als enig middel om de waarheid te vinden, er van moet afzien, om door te dringen bijvoorbeeld in de diepe werkelijkheid van het organisch leven en nog veel meer in die van het geestelijk leven, de levende realiteiten van de mensen afzonderlijk en van de menselijke maatschappij, omdat deze zich nu eenmaal niet laten ontleden in kwantitatieve verhoudingen. Hoe kan men van een aldus gevormde geestesgesteldheid instemming en bewondering verwachten tegenover de indrukwekkende werkelijkheid, waartoe Jezus Christus ons door zijn Mensworden, zijn Openbaring en genade heeft verheven? Nog afgezien van de godsdienstige blindheid, die het gevolg is van de "technische denkwijze", blijft de mens, die er door bezeten is, achterlijk in zijn denken, juist in zover hij daarin beeld van God is. God is het oneindig verstand, dat alles omvat, terwijl de "technische denkwijze" alles in het werk stelt, om in de mens de vrije ontwikkeling van zijn verstand te beperken. Aan de technicus, hij moge meester zijn of leerling, die deze achterlijkheid van de geest wil ontwijken, moet men niet alleen een verstandelijke opvoeding voor houden, welke in de diepte gaat, maar vóór alles een godsdienstige vorming, die - in strijd met hetgeen soms wordt beweerd - het meest geschikt is, om zijn kennis tegen eenzijdige invloeden te behoeden. Dan zullen de enge grenzen van zijn kennis worden doorbroken; dan zal zich de schepping aan hem vertonen, in al haar afmetingen overstraald met licht, vooral wanneer hij vóór de kribbe er zich een denkbeeld van tracht te vormen "welke de breedte en lengte, de hoogte en diepte, de kennis van Christus' liefde is" (Ef. 3, 18-19). Anders zal het tijdperk der techniek zijn afschuwelijk meesterwerk voltooien, door de mens te maken dot een reus in de wereld der natuur, ten koste van zijn geest, die tot een dwerg wordt gemaakt in de wereld van het bovennatuurlijke en van het eeuwige. 

De invloed van de "technische denkwijze" op de natuurlijke orde der moderne mensen en op hun wederzijdse betrekkingen ...

Maar ook hier houdt de invloed van de technische vooruitgang nog geen halt, indien deze bewust aanvaard wordt als iets autonooms, als een doel in zich. Voor niemand blijft het gevaar verborgen, dat ligt opgesloten in een "technische levensbeschouwing", dat wil zeggen een opvatting, die het leven enkel en alleen beoordeelt naar zijn technische waarden, als een element of een factor van techniek. Haar invloed heeft een terugslag zowel op de leefwijze van de moderne mensen, als op hun wederzijdse betrekkingen.

Ziet een ogenblik, welke uitwerkingen zij heeft bij een volk, waaronder zij zich verbreidt, en bedenkt vooral, hoezeer zij de menselijke en christelijke opvattingen van de arbeid heeft gewijzigd, en welke invloed zij uitoefent op de wetgeving en op het bestuur. Het volk heeft terecht de technische vooruitgang met instemming begroet, omdat zij de last van de arbeid verlicht, en de productiviteit verhoogt. Maar men moet ook toegeven, dat wanneer deze gevoelens niet binnen de juiste perken worden gehouden, de menselijke en christelijke opvatting van de arbeid noodzakelijk schade lijdt. Op dezelfde wijze volgt uit een valse technische opvatting van het leven, en bijgevolg van de arbeid, dat de vrije tijd wordt beschouwd als een doel op zich zelf, in plaats van deze te zien en te gebruiken als een rechtmatige verlichting en als een herstel van krachten, die wezenlijk verbonden zijn met het rhythme van een geordend leven, waarin rust en inspanning elkaar afwisselen als draden van eenzelfde weefsel en elkaar aanvullen tot één harmonisch geheel. Nog duidelijker valt de invloed van de « technische denkwijze», in zover deze wordt toegepast op de arbeid, in het oog, wanneer men aan de zondag zijn bijzondere waardigheid ontneemt van de dag van Godsverering en van lichamelijke en geestelijke rust voor de enkeling en voor het gezin, en wanneer de zondag, integendeel, alleen maar een van de vrije dagen wordt in de loop van de week, die bovendien voor ieder lid van het gezin nog verschillend kunnen zijn, naar gelang het grotere voordeel dat men uit een dergelijke technische verdeling van de stoffelijke en menselijke arbeidskrachten hoopt te winnen. 

Of ook wanneer de beroepsarbeid dermate afhankelijk en ondergeschikt wordt gemaakt aan het "functioneren" van de machines en van de apparaten, dat zij de krachten van de arbeider zo snel sloopt, alsof één jaar uitoefening van zijn beroep de krachten van twee of drie normale levensjaren had opgebruikt.

... zowel op hun persoonlijke waardigheid als óók op de wereldeconomie ...

Wij zien er van af, uitvoerig uiteen te zetten, hoe dit systeem, dat louter door technische overwegingen wordt ingegeven, in strijd met alle verwachting, een verkwisting ten gevolge heeft van stoffelijke hulp,middelen en evenzeer van de voornaamste bronnen van energie - waarbij men zeker de mens zelf moet insluiten, - en hoe dit systeem zich, bijgevolg, op de lange duur moet openbaren als een hoogst kostbare belasting voor de wereldeconomie. We kunnen evenwel niet nalaten, de aandacht te vestigen op de nieuwe vorm van materialisme, die de "technische denkwijze" in het leven binnenvoert. Het kan volstaan er op te wijzen, dat zij het leven berooft van zijn inhoud; want de techniek is gericht op de mens en op het complex van geestelijke en stoffelijke waarden, die behoren bij zijn natuur en bij zijn persoonlijke waardigheid. Waar de techniek onbeperkt zou heersen, zou de menselijke maatschappij worden omgevormd tot een kleurloze massa, tot iets onpersoonlijks en schematisch, en in die mate tot iets, dat geheel in strijd is met de duidelijke wil van de natuur en van haar Schepper.

... en op het gezin.

Ongetwijfeld zijn grote delen van de mensheid nog niet getroffen door de zogenaamde "technische levensopvatting"; maar het is te vrezen, dat overal waar de technische vooruitgang ongecontroleerd doordringt, hij spoedig het gevaar van de zo juist aangegeven misvormingen zal vertonen. En Wij denken met bijzondere bezorgdheid aan het gevaar, dat het gezin bedreigt; want het gezin is in het sociale leven de stevigste grondslag voor de orde, in zover het onder zijn leden talloze persoonlijke diensten weet te verwekken, die zich dagelijks vernieuwen, hen met banden van genegenheid aan huis en haard hecht, en, in het voortbrengen en het bewaren van de gebruiksgoederen, in ieder van hen de liefde opwekt voor de familietraditie. Waar, daarentegen, de technische levensbeschouwing dóórdringt, raakt het gezin de persoonlijke band van zijn eenheid kwijt en verliest het zijn warmte en zijn duurzaamheid. Dan blijft het slechts verenigd in de mate, die zal worden opgelegd door de eisen der massaproductie, waarop men zich steeds met meer aandrang richt. Het gezin is dan niet meer een werk van liefde en een toevluchtsoord voor het hart, doch, al naargelang de omstandigheden een troosteloze voorraadschuur van productieve arbeidskrachten of van verbruikers der geproduceerde stoffelijke goederen.

De "technische levensopvatting": speciale vorm van het materialisme

De "technische levensopvatting" is dus niets anders dan een bijzondere vorm van het materialisme, doordat zij als antwoord op de vraag naar het bestaan een mathematische formule van utiliteitsberekening aan de hand doet. Om deze reden openbaart de hedendaagse ontwikkeling der techniek, die er zich als het ware van bewust is, dat zij door duisternissen wordt omhuld, een onrust en een angst, die met name diegenen in zich gewaar worden, die zich aftobben met het koortsachtig zoeken naar steeds meer ingewikkelde en meer gewaagde systemen. Van een wereld, die op zulk een wijze wordt geleid kan men niet zeggen, dat zij verlicht wordt door dàt licht, noch dat zij bezield wordt door dàt leven, dat het Woord, afstraling van Gods glorie (Hebr. 1, 3), door de Menswording aan de mensen is komen brengen. 

Ernst van het huidig uur, in het bijzonder voor Europa.

Met ononderbroken, angstige bezorgdheid zoeken Wij aan de horizon naar tekenen, dat de duisternis voor goed zal opklaren (al zal het niet het volle licht kunnen zijn, waarover de Profeet spreekt); maar ziet, aan Onze blik vertoont zich, integendeel, het grauwe beeld van een nog altijd onrustig Europa, daar dat materialisme, waarover Wij spraken, haar fundamentele problemen, die ten nauwste met de vrede en de orde der ganse wereld samenhangen, niet alleen onopgelost laat, maar zelfs nog op de spits drijft.

Het is waar, dat het materialisme voor dit werelddeel geen ernstiger bedreiging vormt dan voor de andere gebieden der aarde; Wij zijn zelfs van mening, dat die volkeren meer aan de juist genoemde gevaren zijn blootgesteld en op bijzondere wijze in hun geestelijk en psychologisch evenwicht worden geschokt, die laat en onvoorbereid in aanraking komen met de snelle voortgang der techniek; want bij hen verloopt de van buiten ingevoerde ontwikkeling niet gelijkmatig, doch met onregelmatige sprongen en ontmoet geen hechte dijken van weerstand, correctie en compensatie, noch in de rijpheid der enkelingen, noch in de traditionele cultuur. De oorzaak, evenwel, van Onze ernstige zorg over Europa ligt in de onophoudelijke ontgoochelingen, waarin, reeds sinds jaren, de oprechte verlangens naar vrede en ontspanning, die in deze landen worden gekoesterd, mede door de materiële wijze, waarop het probleem van de vrede gesteld wordt, schipbreuk lijden. Wij denken in het bijzonder aan diegenen, in wier oordeel het vraagstuk van de vrede er een is van technische aard, en die het leven van de enkeling en van de volkeren beschouwen vanuit het technisch-economisch gezichtspunt. Deze materialistische levensbeschouwing dreigt de gedragslijn te worden van hen die voor de vrede werken, en het recept van bun vredespolitiek. Zij geloven, dat het geheim van de oplossing daarin bestaat, dat door het voortdurend opvoeren van de arbeidsproductiviteit en van de levensstandaard, aan alle volkeren de stoffelijke welvaart, wordt gegeven; evenals een andere soortgelijke formule, honderd jaar geleden, het volledig vertrouwen van de Staatslieden won: door de vrije handel naar de eeuwige vrede.

De juiste weg naar de ware vrede

Maar geen enkele vorm van materialisme is ooit een geschikt middel geweest, om de vrede te vestigen, daar deze op de eerste plaats bestaat in een houding van de geest en pas op de tweede plaats in een harmonisch evenwicht van uitwendige krachten. Het is dus een principiële dwaling, de vrede te willen toevertrouwen aan het moderne materialisme, dat de mens in de wortel bederft en zijn persoonlijk en geestelijk leven verstikt. Tot hetzelfde wantrouwen leidt, overigens, eveneens de ondervinding, die ook in onze dagen het bewijs levert dat het zeer dure potentieel van de technische en economische krachten, als het ongeveer gelijk over de beide partijen wordt verdeeld, beide zijden vrees aanjaagt. Daarvan zou slechts een vrede uit angst het gevolg zijn; niet de vrede, die veiligheid biedt voor de toekomst. Dit moet zonder ophouden worden herhaald en diegenen moeten hiervan overtuigd worden, die zich gemakkelijk door het drogbeeld laten misleiden, dat de vrede gelegen zou zijn in de overvloed van goederen; terwijl toch de veilige en ware vrede op de allereerste plaats een vraagstuk is van ,geestelijke eenheid en morele gezindheid. De vrede eist, op straffe van een hernieuwde catastrofe voor de mensheid, dat men de bedrieglijke autonomie opgeeft van de materiële krachten, die in onze tijd nog maar weinig verschillen van de eigenlijke oorlogswapenen. De huidige toestand zal niet beter worden, indien niet alle volkeren de gemeenschappelijke, geestelijke en zedelijke doeleinden van de mensheid zullen erkennen, indien zij niet elkaar zullen helpen om die te verwezenlijken, en indien zij daardoor niet tot wederzijdse overeenstemming zullen komen, om zich tegen de ontwrichtende onenigheid, die onder hen heerst ten opzichte van de levensstandaard en de arbeidsproductiviteit, te weren.

De vereniging der volkeren van Europa

Dit alles kan gedaan worden, en het is vooral dringend nodig dat het in Europa gedaan wordt, door die continentale eenheid te vestigen tussen haar volkeren, die weliswaar onderling verschillen, maar toch geografisch met elkaar verbonden zijn. Een krachtige aanmoediging, om die eenheid tot stand te brengen, ligt in het duidelijk mislukken van de tegenovergestelde politiek, en in het feit dat de volkeren zelf tot in de laagste rangen, de verwachting koesteren, dat zij zal komen en dit ook voor noodzakelijk en praktisch uitvoerbaar houden.

De tijd schijnt dus rijp, om dit denkbeeld uit te voeren. Daarom sporen Wij op de eerste plaats de christelijke politici aan, over te gaan tot de daad; zij behoeven zich slechts te herinneren, dat het steeds de taak van het Christendom is geweest, elke vorm van vreedzame eenheid der volkeren te steunen. Waarom dan nog aarzelen? Het doel is duidelijk; de noden der volkeren staan allen voor ogen. Aan wie op voorhand de absolute garantie van een goede uitslag zou verlangen, moet het antwoord worden gegeven, dat er inderdaad een risico mee gemoeid is, maar een noodzakelijk; een risico, ja, maar een dat is afgemeten aan de mogelijkheden van het ogenblik; een redelijk risico. Men dient ongetwijfeld behoedzaam te werk te gaan, met zorgvuldig berekende passen voort te gaan; maar waarom juist nu wantrouwen koesteren in de hoge stand der politieke wetenschap, en praktijk, die toch voldoende de hindernissen kunnen voorzien en de middelen er tegen voorbereiden? Het kritieke ogenblik, waarin de strijd van Europa zich bevindt, moge vooral een motief zijn om tot handelen over te gaan : er is voor haar geen veiligheid zonder risico. Wie een absolute zekerheid verlangt, geeft geen bewijs van zijn goede wil jegens Europa.

Onvervalste christelijke sociale actie

Terwijl Wij dit steeds voor ogen houden, sporen Wij bovendien de christelijke politici aan, om binnen hun eigen landen over te gaan tot de daad. Indien er in het binnenlands leven der volkeren geen orde heerst, wacht men tevergeefs op de eenheid van Europa en op een veilige wereldvrede. In een tijd als de onze, waarin de dwalingen gemakkelijk tot ramp.en worden, mag geen christelijke politicus - thans minder dan ooit - de binnenlandse spanningen nog vergroten, door ze te overdrijven, door het positieve voorbij te zien en door het juiste inzicht in datgene wat redelijkerwijze mogelijk is te laten verloren gaan. Van hen wordt vasthoudendheid verwacht in het doorvoeren van de christelijke leer, meer vasthoudendheid en vertrouwen, dan de tegenstanders jegens hun valse leerstellingen aan de dag leggen. Indien de christelijke sociale leer zich, sinds meer dan honderd jaren, heeft ontwikkeld en vrucht heeft gedragen in de praktische politiek van vele volkeren - helaas niet van allert -, dan hebben zij, die te laat zijn gekomen, thans geen reden om te klagen, dat het Christendom op het sociaal terrein een leemte laat, die, volgens hen, moet worden aangevuld door een zogenaamde revolutie van het christelijk geweten. Deze leemte ligt niet in het Christendom, maar is in het denkvermogen van zijn aanklagers.

Bij deze stand van zaken dient de christelijke politicus de vrede noch binnen, noch bijgevolg buiten het eigen land, wanneer hij de soliede basis van de objectieve ervaring en van de heldere beginselen verlaat, zich als het ware opwerpt als een begenadigd prediker van een nieuwe sociale wereld, en zodoende bijdraagt tot een steeds grotere verwarring der toch steeds besluiteloze geesten. Daaraan maakt zich een ieder schuldig, die meent te kunnen experimenteren met de sociale orde, en hij vooral, die niet van plan is in alle rangen vóór alles het wettig gezag van de Staat en de eerbiediging van de rechtvaardige wetten te laten gelden. Moet men wellicht nog aantonen, dat een zwak gezag meer dan alle andere moeilijkheden de kracht van een Staat ondermijnt, en dat de zwakheid van een land de verzwakking van Europa betekent en de algemene vrede in gevaar brengt?

Het gezag van de Staat

Men moet zich dus keren tegen de valse mening, dat een juiste overheersing van het gezag en van de wetten noodzakelijk de weg zou banen naar de tirannie. Wij hebben enige jaren geleden bij deze Paus Pius XII - Radiotoespraak
Benignitas et humanitas
Kerstboodschap 1944 (fragmenten)
(24 december 1944)
, toen Wij over de democratie spraken, er op gewezen, dat in een democratische Staat, zoals trouwens in iedere goed geordende Staat, het gezag echt en krachtig moet zijn. De democratie wil zonder twijfel het ideaal van de vrijheid verwezenlijken; maar ideaal is alleen die vrijheid, welke zich ver houdt van alle teugelloosheid, die vrijheid, welke mèt het bewustzijn van het eigen recht, de eerbied voor de vrijheid, de waardigheid en het recht der anderen verenigt, en die van baar eigen verantwoordelijkheid voor het algemeen welzijn overtuigd is. Natuurlijk kan deze democratie niet leven noch bloeien, tenzij in de sfeer van eerbied jegens God en, van onderhouding van zijn geboden, niet minder dan in die van christelijke saamhorigheid of broederlijke verbondenheid.

Besluit

Op deze wijze, dierbare zonen en dochters, zal het werk van de vrede, dat in de lichtglans van de nacht van Bethlehem aan de mensen werd beloofd, tenslotte voltooid met de goede wil van allen, maar het vangt aan in de volheid der Waarheid, die de duisternis uit de geesten wegdrijft. zoals bij de schepping "in het begin heb Woord was", en niet de dingen, niet hun wetten, niet hun macht en overvloed, zo moet ook bij de uitvoering van de geheimnisvolle onderneming, die door de Schepper aan het mensdom werd toevertrouwd, dat zelfde Woord, zijn waarheid, zijn liefde en zijn genade aan het begin worden geplaatst; en eerst daarna de wetenschap en de techniek. Deze orde hebben Wij U willen uiteenzetten, en Wij sporen U aan haar krachtig te beschermen. Wij hebben de geschiedenis op Onze zijde en gij weet, dat zij een goede leermeesteres is. Toch schijnt het, dat ten aanzien van haar lessen diegenen, die ze niet begrijpen en die bijgevolg geneigd zijn, nieuwe avonturen te wagen, talrijker zijn dan de anderen, die het slachtoffer worden van hun dwaasheid. Wij hebben gesproken in naam van deze slachtoffers, die nog wenen om nabije en ver afgelegen graven, en die reeds moeten vrezen, dat andere worden gedolven; die nog tussen de puinhopen wonen en reeds weer nieuwe verwoestingen in aantocht zien; die nog altijd als gevangenen en ontheemden wachten en reeds weer vrezen voor hun eigen vrijheid. Het gevaar is zo groot, dat Wij vanaf de kribbe van de eeuwige Vorst des vredes ernstige woorden hebben moeten bezigen, ook indien daardoor een nog heviger vrees zou kunnen worden gewekt. Doch men mag steeds vertrouwen, dat het met Gods genade een heilzame en vruchtbare vrees zal zijn, die er toe moge leiden, dat de volkeren zich verenigen en aldus de hechte vrede wordt gevestigd.

Moge de Moeder van God en Moeder der mensen, de Onbevlekte Maagd Maria, voor wier altaren de volkeren der aarde zich in dit jaar met bijzondere verering neerwerpen, deze angsten en wensen aanhoren, opdat zij haar moederlijke voorspraak plaatse tussen deze aarde en de Troon van God.

Met deze heilwens op de lippen en in het hart verlenen Wij aan U allen, dierbare zonen en dochters, aan Uw gezinnen, en in het bijzonder aan de behoeftigen, aan de armen, aan de verdrukten, aan hen die om hun trouw aan Christus en zijn Kerk vervolging lijden, uit het diepst van Ons hart Onze vaderlijke, Apostolische Zegen.

Document

Naam: IL POPULO - OVER DE ROL VAN DE VOORUITGANG IN DE TECHNOLOGIE EN DE VREDE ONDER DE VOLKEN
Kersttoespraak 1953
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 24 december 1953
Copyrights: © 1942, Akten van Z.H. Paus Pius XII,, Uitgeverij ’t Groeit, Antwerpen, pp. 5-32
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam