• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

SOLLICITUDO OMNIUM ECCLESIARUM
Over het ambt van pauselijk gezant

De zorg voor de gezamenlijke kerken, waartoe we door een ondoorgrondelijk raadsbesluit van God zijn geroepen en waarvan wij eenmaal rekenschap zullen moeten afleggen, vereist, dat wij, die als gezant van Christus naar alle volkeren zijn gezonden, onszelf zo goed mogelijk tegenwoordig stellen in de verschillende delen van de wereld en van de toestand en situatie van de afzonderlijke kerken nauwkeurig op de hoogte zijn.

Krachtens zijn ambt bezit de bisschop van Rome over de Kerk immers de volledige, hoogste en universele macht, die hij steeds vrij kan uitoefenen. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 22 aangezien zij gewoon en onmiddellijk is; Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 1-3 bovendien, als opvolger van Petrus is hij het blijvend en zichtbaar beginsel en fundament van een eenheid zowel der bisschoppen als van de menigte der gelovigen: 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 23 zijn voornaamste functie in de Kerk is derhalve het episcopaat één en onverdeeld te bewaren. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 18 Want toen de eeuwige Herder aan zijn plaatsbekleder de sleutels van het rijk der hemelen overhandigde en hem tot steenrots en fundament van zijn Kerk maakte, Vgl. Mt. 16, 18 heeft Hij hem opgedragen zijn broeders te versterken Vgl. Lc. 22, 32 niet alleen door hun leiding te geven en hen in zijn naam verenigd te houden, maar ook door hen te steunen en op te wekken met zijn woord en in zekere zin door zijn tegenwoordigheid.

Wij mogen niet stilzwijgend voorbijgaan aan de plicht die op ons ligt, omdat de goede Herder ook zijn schapen tot zich roept die nog niet tot deze kudde behoren. Ook naar hen gaan onze aandacht en pastorale zorg uit, opdat het uiteindelijk volgens het verlangen van de Heer zal worden: één kudde, één herder (Joh. 10, 16). Want het is de wil van Jezus Christus, dat zijn volk onder de werking van de Heilige Geest in groei zal toenemen door de getrouwe verkondiging van het evangelie, de bediening van de sacramenten en het liefdevolle bestuur van de apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen, met aan hun hoofd de opvolger van Petrus. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 2 Bovendien drijft Christus' liefde, drijft het ons van godswege verleende ambt ons ertoe om het geloof en het heil van Christus te verkondigen: 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 5 wij moeten immers zonder ophouden de Christus verkondigen, die de weg, de waarheid en het leven is. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 2

De vervulling van deze veelvoudige zending vereist een dicht netwerk van contacten tussen onszelf en onze broeders in het bisschopsambt en de hun toevertrouwde kerken; deze kunnen niet alleen maar door middel van briefwisseling worden onderhouden, maar vinden ook plaats zo vaak de bisschoppen een bezoek ad limina Apostolorum brengen en wanneer wijzelf geestelijken uitzenden om als onze persoonlijke vertegenwoordigers een bijzondere opdracht uit te voeren of duurzaam verblijf houden bij de bisschoppen van de verschillende landen.

Het is zeker waar, dat de moderne vooruitgang ons op providentiële wijze te hulp komt, zodat ook wij ons naar ver verwijderde werelddelen kunnen begeven om onze zonen en broeders te bezoeken en ons apostolaat zo met een nieuwe uitdrukkingswijze te verrijken. Maar aangezien het grote aantal belangrijke werkzaamheden dat ons aan de Apostolische Stoel kluistert het ons niet mogelijk maakt hiervan zo vaak gebruik te maken als wij wel zouden willen, ervaren wij des te sterker het zeer grote belang van de wijze van contact die onze voorgangers kenden en waarover wij zojuist spraken.

Ook het Tweede Vaticaans Oecumenische Concilie heeft het belang en de waarde van dit gebruik ingezien en het in zijn dubbel aspect bevestigd, toen het de wens uitsprak, dat, aan de ene kant, een groter aantal bisschoppen, priesters of leken uit de verschillende landen in de Romeinse curie werkzaam zouden zijn en dat, anderzijds, het ambt en de functies van onze gezanten nauwkeuriger zouden worden vastgelegd. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 9

In het verlangen om aan dit verzoek van de Kerk te voldoen, hebben wij de synode van bisschoppen ingesteld die op onze uitnodiging samenkomen om ons te helpen met hun eigen raadgevingen en met die van hun broeders die zij vertegenwoordigen en om ons van de toestand en situatie van de afzonderlijke kerken op de hoogte te houden; Vgl. H. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Oprichting van de Synode van Bisschoppen voor de universele Kerk, Apostolica Sollicitudo (15 sept 1965) evenzo hoopten wij aan het verlangen van het concilie te voldoen, toen wij een apostolische constitutie uitvaardigden om bisschoppen uit verschillende delen van de wereld bestendig te laten deelnemen aan de beraadslagingen der dicasteries en bureaus van onze Romeinse curie. H. Paus Paulus VI, Motu Proprio, Sommige diocesane Bisschoppen zijn gecoöpteerd als leden van de Congregaties van de Romeinse Curie, Pro Comperto Sane (6 aug 1967)

Wat dit betreft, menen wij dan ook de verwachting die terecht bij onze broeders in het bisschopsambt is gewekt te vervullen met deze brief over de functies van onze gezanten bij de verschillende plaatselijke kerken en bij de staten, die over de verschillende delen van de wereld liggen verspreid. Het spreekt inderdaad vanzelf, dat de beweging naar het centrum en als het ware naar het hart van de Kerk moet beantwoorden aan een andere beweging die van het middelpunt uit naar de omtrek gaat en waardoor het geheel van de afzonderlijke kerken, waardoor alle afzonderlijke herders en gelovigen op een bepaalde wijze in tastbare aanraking moeten komen met de schat van waarheid, genade en eenheid, waarvan Christus ons tot deelgenoot, beheerder en uitdeler heeft gemaakt. Door middel van onze gezanten in de verschillende landen nemen wij aan het leven zelf van onze zonen deel en voegen wij ons er als het ware in, zodat hun noden en intieme verlangens ons sneller en feillozer bekend zijn.

Inderdaad is het ambt van pauselijk gezant op de eerste plaats een dienstwerk jegens de bisschoppen, priesters, religieuzen en alle gelovigen, die hierin steun en bescherming vinden, aangezien de pauselijk gezant een hoger gezag vertegenwoordigt dat op het welzijn van allen is bedacht. Het ambt van gezant stelt zich immers noch boven, noch in plaats van, noch binnen in de bisschoppelijke macht; integendeel, het beschermt haar, het bevordert en versterkt haar door broederlijke en onbaatzuchtige raad. Want steeds heeft de Apostolische Stoel bij het bestuur van de Kerk deze uitspraak van onze voorganger, de heilige Gregorius de Grote, voor ogen gehouden: Als de jurisdictie van de afzonderlijke bisschoppen niet wordt gerespecteerd, aan wie anders zou dat te wijten zijn tenzij aan ons, die de kerkorde juist dienen te beschermen?  H. Paus Gregorius de Grote, Registrum Epistolae. II, 285

Maar hoe omvangrijk deze taak van onze gezanten bij de afzonderlijke kerken ook mag zijn, hun ambt is hiermee niet uitgeput. Want op grond van een recht dat in onze geestelijke zending zelf ligt besloten en dat door de gebeurtenissen in de loop van de geschiedenis is bevorderd, zenden wij onze gezanten naar de hoogste gezagsdragers van de staten waarin de katholieke Kerk geworteld ligt of minstens op een of andere wijze tegenwoordig is.

Het valt niet te loochenen, dat het einddoel van Kerk en van staat van verschillende orde is en dat zowel Kerk als staat elk in zijn eigen orde een volmaakte maatschappij is met haar eigen rechten en middelen en haar eigen rechtsorde voor haar eigen, onafhankelijk terrein van handelen. Maar het is even waar, dat beider handelen gericht is op het welzijn van een gemeenschappelijk voorwerp: de mens, door God tot het eeuwig heil geroepen en op de aarde geplaatst om dit met de hulp van de genade voor zich te verwerven door zijn arbeid, die hem en zijn gelijken welvaart brengt, wanneer allen vreedzaam samen leven.

Daaruit volgt, dat de activiteiten van Kerk en staat elkaar in zekere zin aanvullen en dat het welzijn van individu en van volkerengemeenschap om een open gesprek en een oprechte verstandhouding tussen beide vraagt, zodat een situatie van wederzijds begrip en onderlinge samenwerking wordt geschapen, bevorderd en bestendigd en mogelijke tweedracht juist wordt vermeden of bijgelegd, met de bedoeling om bij te dragen tot de verwezenlijking van het diep menselijk verlangen naar vrede tussen de naties en naar rust en vooruitgang van het land. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 1-3

Waar een dergelijke dialoog de Kerk de vrije uitoefening van haar activiteit waarborgt, zodat zij een gelijkwaardig antwoord kan geven op de haar door God toevertrouwde taak, geeft hij tegelijk aan de burgerlijke overheid de garantie, dat de Kerk slechts vreedzame en opbouwende doeleinden nastreeft, en verschaft hij haar de kostbare hulp van haar geestelijke energie en haar organisatie bij het werk voor het algemeen welzijn van de maatschappij. Eerst de vertrouwvolle dialoog, die begint, wanneer de twee maatschappijen openbare betrekkingen met elkaar gaan onderhouden, en die door de gebruiken en gewoonten van het volkerenrecht wordt geregeld, opent de weg tot een echt zinvolle activiteit en tot werkelijk voor allen heilzame initiatieven.

Het verlangen van alle mensen van goede wil naar een vreedzaam samen leven van de naties en naar ontwikkeling van de volkeren vindt in onze dagen ook uitdrukking in de internationale instellingen die, door hun wetenschap, ervaring en invloed in dienst van allen te stellen, geen moeite sparen om de vrede en vooruitgang van de de volkeren te verzekeren. De betrekkingen tussen de Heilige Stoel en de internationale instellingen zijn talrijk en van verschillend juridisch karakter. Bij enkele ervan hebben wij een vaste vertegenwoordiging geplaatst, teneinde allen te tonen met welke zorg de katholieke Kerk de algemene vraagstukken van samenleving omgeeft en om haar onze graag verleende medewerking te schenken. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het herderlijk ambt van de bisschoppen in de Kerk, Christus Dominus (28 okt 1965), 9 Om duidelijk te maken, welke plaats het ambt van onze gezanten nu precies binnen het bestuursapparaat van de Kerk inneemt, en teneinde hun ambt een regeling te geven die beter met de eisen van onze tijd overeenkomt, daarbij tevens rekening houdend met de eigen herderlijke taak van de bisschoppen, hebben wij besloten de navolgende normen betreffende het ambt van pauselijk gezant vast te stellen, waarbij tegelijkertijd de van kracht zijnde voorschriften die hiermee op welke wijze ook strijdig zijn, worden afgeschaft.

Art I

1. Met de naam 'pauselijk gezant' worden aangeduid die geestelijken, gewoonlijk met het bisschopsambt bekleed, aan wie de paus de opdracht toevertrouwt om hem op blijvende wijze te vertegenwoordigen in de verschillende landen of delen van de wereld.

2. Zij oefenen het pauselijk gezantschap ofwel alleen bij de plaatselijke kerk uit ofwel bij de kerk zowel als bij de staat en de burgerlijke regering. Zij die hun gezantschap alleen bij de plaatselijke kerk vervullen, heten 'apostolisch delegaat'; wanneer aan dit gezantschap van religieus en kerkelijk karakter de taak wordt toegevoegd om de openbare betrekkingen met de staat en de burgerlijke regering te bevorderen, voeren de gezanten de bijzondere titel van 'nuntius', 'pronuntius' of 'internuntius', naargelang zij tot de ambassadeurs worden gerekend en al of niet rechtens deken van het corps diplomatique zijn, of als buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister. worden beschouwd.

3. Op grond van bijzondere omstandigheden van tijdelijke of plaatselijke aard kan de pauselijk gezant een andere naam dragen, zoals bijvoorbeeld die van 'apostolisch delegaat en afgevaardigde van de Heilige Stoel bij de regering'. Ook is het mogelijk, dat een vertegenwoordiging wel van blijvende, maar van aanvullende aard is; de pauselijk gezant wordt dan 'plaatsvervangend' genoemd, of 'gevolmachtigd zaakgelastigde'.

Art II

1. Vertegenwoordigers van de Heilige Stoel zijn ook die geestelijken en leken welke als leider of als lid deel uitmaken van een pauselijke afvaardiging bij internationale instellingen of bij conferenties en congressen. Zij worden 'afgevaardigde' genoemd of 'waarnemer', naargelang de Heilige Stoel al of niet tot de leden van de internationale instelling wordt gerekend en met of zonder stemrecht aan de conferentie deelneemt.

2. Evenzo zijn vertegenwoordigers van de Heilige Stoel die leden van een pauselijk gezantschap die bij ontbreken of bij afwezigheid van het hoofd van dit gezantschap diens plaats bekleden, zowel ten overstaan van de plaatselijke kerk als ten overstaan van de landsregering; zij worden dan 'waarnemend zaakgelastigde' genoemd.

3. De normen die in dit document liggen vervat, zijn niet van toepassing op de afgevaardigden en waarnemers van de Heilige Stoel, noch op de waarnemend zaakgelastigden, tenzij uitdrukkelijk anders wordt vermeld.

Art. III

1. Aan de paus komt het oorspronkelijk en onafhankelijk recht toe om zijn gezanten vrijelijk te benoemen, uit te zenden, over te plaatsen en terug te roepen, met inachtneming van de regels van het internationale recht betreffende het uitzenden en terugroepen van diplomatieke vertegenwoordigers.

2. Het ambt van pauselijk gezant houdt niet op bij vacatie van de Apostolische Stoel; het eindigt wanneer de ambtstermijn is voltooid, de gezant wordt teruggeroepen of het aangeboden ontslag door de paus is aanvaard.

3. Behoudens een tegenovergesteld voorschrift van de paus is ook op de pauselijk gezant de norm van toepassing die in de algemene regeling voor de Romeinse curie is vastgelegd en waarin wordt bepaald dat de ambtsperiode ophoudt bij het bereiken van de 75-jarige leeftijd.

Art. IV

1. Het is de voornaamste en specifieke taak van de pauselijk gezant de banden van eenheid die tussen de Apostolische Stoel en de plaatselijke kerken bestaan van dag tot dag hechter en inhoudsrijker te maken.

2. Bovendien vertolkt hij als het ware de zorg van de paus voor het welzijn van het land waarin hij zijn gezantschap uitoefent; de vraagstukken van vrede, ontwikkeling en internationale samenwerking moeten hem dan ook bijzonder ter harte gaan, met het oog op het geestelijk, moreel en economisch welzijn van de mensenfamilie in haar geheel.

3. Het behoort tevens tot de taak van de pauselijk gezant om in samenwerking met de bisschoppen bij de burgerlijke overheid van de staat waarin hij zijn ambt uitoefent de zending van de Kerk en van de Apostolische Stoel te beschermen. Deze taak valt ook toe aan de gezanten die niet bij het staatsgezag zijn geaccrediteerd: dezen zullen er dus naar streven om vruchtbare betrekkingen aan te knopen met de burgerlijke gezagsdragers.

4. Als vertegenwoordiger van de opperherder dient de pauselijk gezant, volgens de richtlijnen en instructies die hij van de bevoegde bureaus. van de Apostolische Stoel ontvangt en in overleg met de bisschoppen ter plaatse - in de oosterse kerken bovenal met de patriarchen -, gepaste betrekkingen tussen de katholieke Kerk en de andere christelijke gemeenschappen te bevorderen evenals een van naastenliefde doortrokken houding jegens de niet-christelijke godsdiensten.

5. De pauselijk gezant verricht zijn veelvoudig ambt onder leiding en volgens de richtlijnen van de kardinaalstaatssecretaris, die tevens prefect is van de Raad voor openbare zaken van de Kerk en aan wie hij rechtstreeks rekenschap is verschuldigd over de vervulling van het ambt dat hem door de paus is verleend.

Art. V

1. Het behoort tot de gewone functie van de pauselijk gezant om de Apostolische Stoel op gezette tijden naar waarheid en onpartijdig op de hoogte te stellen van de situatie van de kerk waarheen hij is gezonden alsmede van alles wat het leven van de kerk en het welzijn van de gelovigen aangaat.

2. Enerzijds zendt de pauselijk gezant aan de Apostolische Stoel de adviezen en wensen op van bisschoppen, geestelijkheid, religieuzen en leken binnen zijn rechtsgebied; anderzijds brengt hij de akten, documenten, nota's en instructies die van de Apostolische Stoel uitgaan aan diegenen over tot wie zij zijn gericht.

3. De verschillende dicasteries en bureaus van de Romeinse curie mogen daarom niet verzuimen de genomen besluiten aan de pauselijk gezant mee te delen en normalerwijze van zijn bemiddeling gebruik te maken om deze besluiten ter bestemder plaatse te doen terechtkomen. Evenzo zullen zij de pauselijk gezant ook om advies vragen, wanneer het gaat om zaken en besluiten die op zijn rechtsgebied betrekking hebben.

Art. VI

1. Bij de benoemingsprocedure van bisschoppen en van andere ordinarii die met de bisschoppen gelijkstaan, is het de taak van de pauselijk gezant zoals gebruikelijk het informatief proces over de kandidaten voor te bereiden en een lijst van geschikte kandidaten aan de bevoegde dicasteries van de romeinse curie over te leggen, te zamen met een nauwkeurig rapport waarin hij ten overstaan van God naar zijn eigen oordeel en gevoelen aangeeft, wie van de kandidaten hij het meest geschikt acht.

2. Bij de uitvoering van deze taak zal de pauselijk gezant:

  1. vrijelijk en met de nodige voorzichtigheid de mening vragen van de geestelijken en ook van de oordeelkundige leken- die het best in staat lijken om een geloofwaardig en bruikbaar oordeel te geven; vanzelfsprekend dient dit onder geheimhouding te geschieden, aangezien zowel de naam van de geraadpleegden als die van de eventuele kandidaten op het spel staan, maar ook vanwege de aard der raadpleging zelf;
  2. handelen volgens de normen die de Apostolische Stoel heeft vastgesteld voor de kandidaatstelling tot het bisschopsambt in de Kerk en de bevoegdheid van de bisschoppenconferentie voor ogen houden;
  3. rechtmatig toegestane of rechtens verkregen voorrechten eerbiedigen, evenals elke bijzondere procedure die door de Apostolische Stoel is goedgekeurd.

3. In ieder geval blijven volledig van kracht zowel de huidige rechtsnormen van de oosterse kerken inzake de bisschopsverkiezing als de praktijk van kandidaatstelling die geldt voor de kerkelijke rechtsgebieden welke aan religieuze gemeenschappen zijn toevertrouwd en onder gezag van de Heilige Congregatie voor de evangelisatie van de volkeren staan.

Art. VII

Onverminderd de faculteit der bisschoppenconferenties om adviezen en wensen uit te spreken ten aanzien van de oprichting, de herindeling en de opheffing van bisdommen en kerkprovincies en met behoud van de rechtsorde der oosterse kerken, dient de pauselijk gezant de bestudering van deze vraagstukken waar nodig zelf te bevorderen en de voorstellen van de bisschoppenconferentie samen met zijn eigen advies aan het bevoegde dicasterie van de Apostolische Stoel mee te delen.

Art. VIII

1. Wat nu de betrekkingen met de bisschoppen betreft, aan wie bij goddelijke opdracht in de afzonderlijke bisdommen de zorg voor de gelovigen is toevertrouwd: zonder enige inbreuk te maken op de eigen jurisdictie van de bisschoppen moet de pauselijk gezant dezen steunen en raadgeven en hen spontaan en grootmoedig bijstaan in een geest van broederlijke samenwerking.

2. In het verkeer met de bisschoppenconferenties zal de pauselijk gezant steeds voor ogen houden, welk een zware verantwoordelijkheid deze dragen; daarom zal hij veelvuldige contacten met haar moeten onderhouden en alle mogelijke hulp moeten bieden. Hoewel hij rechtens geen lid van de conferentie is, zal hij niettemin de openingszitting van de algemene vergaderingen bijwonen, onverminderd het recht om aan andere zittingen van de conferentie deel te nemen op uitnodiging van de bisschoppen zelf of in uitdrukkelijke opdracht van de Apostolische Stoel; bovendien zal hij bijtijds van de agenda der vergadering in kennis worden gesteld en een exemplaar van de notulen ontvangen, teneinde hiervan zelf kennis te nemen en ze aan de Apostolische Stoel door te geven.

Art. IX

1. Gezien de rechtspositie van de religieuze gemeenschappen die onder pauselijk recht staan en omdat het belangrijk is hun interne eenheid te versterken zowel als hun onderlinge samenhang aan beide zijden van de landsgrenzen, behoort het tot de taak van de pauselijk gezant om de hogere oversten die binnen het rechtsgebied van zijn gezantschap verblijf houden met raad en daad bij te staan. Het gaat er daarbij om conferenties van mannelijke en vrouwelijke religieuzen in te stellen of duurzaam te maken en de verschillende activiteiten van de religieuze instituten op het gebied van pastoraal, opvoeding, welzijnszorg en sociaal werk te coördineren, in volledige overeenstemming zowel met de normen van de Apostolische Stoel als met de plaatselijke bisschoppenconferenties.

2. De pauselijk gezant zal daarom de openingszitting van de conferenties van mannelijke en vrouwelijke religieuzen bijwonen, en na overleg met de hogere oversten, deelnemen aan de werkzaamheden waarbij zijn tegenwoordigheid gewenst blijkt te zijn. Bovendien zal hij bijtijds van de agenda der vergadering op de hoogte worden gesteld en een exemplaar der notulen ontvangen, teneinde hiervan zelf kennis te nemen en ze aan het bevoegde dicasterie der Romeinse curie te overhandigen.

3. De instemming van de pauselijk gezant tegelijk met die van de belanghebbende bisschoppen is vereist, zo vaak als een religieuze congregatie waarvan het moederhuis binnen het rechtsgebied van zijn gezantschap is gelegen de goedkeuring van de Apostolische Stoel en de titel 'van pauselijk recht' wil verwerven.·

4. Wat de seculiere instituten betreft, bezit de pauselijk gezant mutatis mutandis, dezelfde taken die in nn. 1, 2 en 3 zijn opgesomd.

Art. X

1. De betrekkingen tussen Kerk en staat worden als regel waargenomen door de pauselijk gezant, aan wie de eigen en specifieke taak is toevertrouwd om uit naam en gezag van de Apostolische Stoel op te treden:

  1. teneinde de banden te begunstigen en te verstevigen tussen de Apostolische Stoel en de regering van het land waar hij zijn gezantschap uitoefent;
  2. om de zaken te behandelen die betrekking hebben op de verhouding van Kerk en staat;
  3. tenslotte in het bijzonder om als onderhandelaar op te treden bij afspraken tot een 'modus vivendi', bij verdragen en concordaten en bij publiekrechtelijke vraagstukken.

2. Bij de afwerking van deze zaken heeft het zijn nut, dat de pauselijk gezant, op de wijze en in zover als de omstandigheden dit dienstig maken, de bisschoppen om hun mening en raad vraagt en hen op de hoogte houdt van de loop der onderhandelingen.

Art. XI

1. Wanneer bij een internationale instelling geen afgevaardigde of waarnemer van de Heilige Stoel is geaccrediteerd, behoort het tot de taak van de pauselijk gezant om zorgvuldig de werkzaamheden van deze instelling te volgen. Hij zal er bovendien zorg voor dragen:

  1. de Apostolische Stoel hiervan op gezette tijden in kennis te stellen;
  2. in overleg met de bisschoppen een vruchtbare samenwerking te bevorderen tussen de instellingen van hulpverlening en opvoeding die door de Kerk zijn opgericht en andere soortgelijke instellingen, of deze nu van staatswege zijn erkend of niet;
  3. de activiteit van de katholieke internationale instellingen te steunen en te bevorderen.

2. De afgevaardigden en waarnemers van de Heilige Stoel bij de internationale instellingen dienen hun ambt uit te oefenen in overleg met de pauselijke gezant van het land waarin zij verblijf houden.

Art. XII

1. De zetel van het pauselijk gezantschap is excempt van de jurisdictie van de plaatselijke ordinarius.

2. De pauselijk gezant kan aan priesters toestemming verlenen om in de kapel van zijn zetel biecht te horen, de eigen faculteiten uit te oefenen en aldaar de handelingen van de heilige eredienst en gewijde plechtigheden te voltrekken, steeds echter in overeenstemming met de normen die ter plaatse van kracht zijn en, waar dit nuttig is, na de belanghebbende kerkelijke overheid te hebben ingelicht.

3. Na voor zover mogelijk de plaatselijke ordinarii te hebben gewaarschuwd, mag de pauselijk gezant in alle kerkgebouwen binnen het rechtsgebied van zijn gezantschap het volk zegenen en de heilige diensten voltrekken, ook op pontificale wijze.

4. Binnen het rechtsgebied van zijn gezantschap heeft de pauselijk gezant voorrang op de aartsbisschoppen en bisschoppen, niet echter op de leden van het heilig college en evenmin op de patriarchen van de oosterse kerken, of deze nu binnen hun eigen rechtsgebied verblijven of dat ze elders de eredienst volgens hun eigen ritus voltrekken.

5. De rechten en voorrechten die de persoon of de zetel van de pauselijk gezant aankleven, worden verleend met de bedoeling, dat de gezant hiervan een gematigd en overdacht gebruik maakt zodat het specifiek karakter van zijn ambt duidelijker tot uiting komt en hij het hem opgedragen dienstwerk gemakkelijker kan vervullen.

Wij bevelen, dat bij dezen al wat door dit motu proprio is vastgesteld geldig en van kracht is, niettegenstaande alles wat hiermee in strijd is, ook al is het nog zo eerbiedwaardig.

Gegeven te Rome, bij de Sint Pieter, op 24 juni 1969, in het zevende jaar van ons pontificaat.

PAUS PAULUS VI

Document

Naam: SOLLICITUDO OMNIUM ECCLESIARUM
Over het ambt van pauselijk gezant
Soort: H. Paus Paulus VI - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 24 juni 1969
Copyrights: © 1969, Katholiek Archief 24e jrg nr 32, p. 757-766
Bewerkt: 25 februari 2020

Referenties naar dit document

 
Geen dossiers gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam