• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Wij houden zeer levendig het beeld voor de geest, dat het Tweede Vaticaans Concilie zo scherp en gezagvol heeft getekend, om het dit keer toe te passen op de "tekenen des tijds" en op de eisen van de situatie die voortdurend verandert en zich in bepaalde richtingen ontwikkelt.

De hedendaagse mens wordt kennelijk steeds meer bedreigd door wat hij zelf voortbrengt: door de resultaten van zijn handenarbeid en nog meer door die van zijn geestesarbeid en van zijn wilsbeschikkingen. Niet alleen leiden de vruchten van deze veelvormige activiteit tot "vervreemding" doordat zij eenvoudigweg worden ontnomen aan wie ze heeft voortgebracht; maar al te snel en vaak onvoorzien keren de resultaten zich, tenminste ten dele, in een bepaalde loop van hun gevolgen tegen de mens zelf, al is het dan soms onrechtstreeks. Ze zijn feitelijk of mogelijkerwijs tegen hem gericht. Dit schijnt het hoofdkapittel te zijn van het drama van het huidig menselijk bestaan in zijn breedste en meest universele dimensie. Het doet de mens in groeiende angst leven. Hij vreest, dat wat hij voortbrengt zich wel eens radicaal tegen hem zou kunnen keren, niet alles natuurlijk, zelfs niet het meeste, maar precies dat waarin de mens een aanzienlijk deel van zijn genialiteit en creativiteit heeft geïnvesteerd. Hij vreest nu dat zij een onvoorstelbare zelfvernietiging kunnen veroorzaken en bewerken, waarbij de grootste rampen en catastrofen uit de geschiedenis zouden verbleken. Dat moet de vraag doen oprijzen: waarom keert deze macht zich tegen de mens? Hij kreeg deze macht vanaf het begin en ze moest hem de aarde doen beheersen. Nu veroorzaakt zij begrijpelijke onrust, bewust of onbewuste angst, en dreiging die zich onder tal van aspecten manifesteert en zich op verschillende manieren aan de hele mensenfamilie van tegenwoordig doet voelen.

Deze zelf voortgebrachte dreiging voor de mens uit zich in verschillende richtingen en vertoont een gradatie van sterkte. Wij realiseren ons blijkbaar alsmaar beter dat de aarde, de planeet waarop we leven, moet benut worden volgens een verstandige en eerlijke planning. Maar intussen wordt ze ook gebruikt voor industriële en ook militaire doeleinden. Dit betekent, samen met een technische ontwikkeling die niet volgens echt humane criteria op wereldniveau wordt gecontroleerd en georganiseerd, vaak een bedreiging voor het natuurlijk leefmilieu van de mens. Het vervreemdt en scheidt de mens van de natuur. Direct gebruik en verbruik van de natuurlijke omgeving schijnen de mens vaak blind te maken voor haar andere betekenissen. De Schepper daarentegen wilde, dat de mens in gemeenschap leefde met de natuur, als haar "meester", haar verstandige en nobele "beschermer", en niet als haar niets ontziende "uitbuiter" en "verwoester".

De technische vooruitgang en de ontwikkeling van de huidige beschaving, die de stempel draagt van een meesterlijke techniek, moeten gepaard gaan met een evenredige ontwikkeling van het morele leven en van de ethiek; maar die schijnt helaas steeds achterop te blijven. Deze vooruitgang is zeker bewonderenswaardig. Men vindt er ook gemakkelijk echte tekenen in van de grootheid van de mens, wiens creativiteit in de kiem wordt geopenbaard en beschreven in het boek Genesis. Maar tevens verwekt diezelfde vooruitgang onwillekeurig heel wat verontrusting. Zo kan men zich in de eerste plaats de wezenlijke en fundamentele vraag stellen: maakt deze vooruitgang, die helemaal op rekening van de mens staat, het menselijk leven op deze aarde werkelijk wel "humaner" in alle opzichten? Maakt hij het leven "menswaardiger"? In bepaalde opzichten ongetwijfeld wel. Toch komt deze vraagstelling telkens weer hardnekkig terug op het essentiële: wordt de mens, als mens, in het kader van deze vooruitgang, werkelijk beter? Met andere woorden: wordt hij geestelijk rijper, wordt hij zich dieper bewust van zijn waarde als mens, wordt hij er verantwoordelijker door, ontvankelijker voor zijn medemensen, vooral voor de meest kwetsbaren en voor de zwaksten, en wordt hij er hulpvaardiger door voor allen?

De christenen moeten zich daarop bezinnen, want het is juist Jezus Christus die hen gevoelig gemaakt heeft voor heel het probleem van de mens. Overigens moet deze problematiek de zorg zijn van iedereen, vooral van de groepen die zich actief wijden aan de hedendaagse ontwikkeling en vooruitgang. Bij het volgen en meemaken van dit proces mogen wij niet in de greep geraken van euforie of ons laten meeslepen door een eenzijdige geestdrift voor onze veroveringen. Maar wij moeten ons in alle oprechtheid, objectiviteit en sterke morele verantwoordelijkheidszin de essentiële vragen stellen met betrekking tot de situatie van de mens vandaag en in de toekomst. Houdt de morele en geestelijke vooruitgang van de mens gelijke tred met alle behaalde en door de techniek nog geplande overwinningen? Ontwikkelt de mens zich in dit verband verder als mens en maakt hij als zodanig vorderingen? Of gaat het achteruit met hem, en wordt hij minder mens? Heeft bij de mensen, "in de wereld van de mens", die op zichzelf een wereld van moreel goed en kwaad is, het goede de overhand? Groeien in en onder de mensen werkelijk de liefde en de eerbied voor de rechten van de ander, van iedere mens, natie of volk? Of winnen integendeel allerlei vormen van eigenliefde veld? In plaats van de echte vaderlandsliefde het overdreven nationalisme? Of heerszucht die de perken van de eigen rechten en gerechtvaardigde verdiensten te buiten gaat? En groeit ook de neiging om de hele materiële, technische en economische vooruitgang uit te buiten om anderen te overheersen of ten gunste van een of andere vorm van imperialisme?

Dit zijn de wezenlijke vragen die de Kerk zich moet stellen, want het gaat om vragen waarmee vandaag miljarden mensen zich min of meer uitdrukkelijk bezighouden. Over ontwikkeling en vooruitgang wordt overal en in nagenoeg alle talen van de wereld druk gesproken en geschreven. Maar we mogen niet vergeten dat dit thema niet enkel vaststellingen en zekerheden inhoudt, maar ook vragen en angstige bezorgdheid die niet minder belangrijk zijn. Ze beantwoorden aan de aard van het menselijk geweten en nog meer aan de fundamentele behoefte van de mens zich te bekommeren om de medemens, om zijn eigen mens-zijn en om de toekomst van de mensen op deze wereld. De Kerk, bezield door het eschatologisch geloof, ziet in deze bezorgdheid van de mens vóór de mens, voor zijn mens-zijn, voor de toekomst van de mensen op aarde en bijgevolg ook voor de richting die vooruitgang en ontwikkeling inslaan, een essentieel element van haar zending dat er onscheidbaar mee samenhangt. De kern van deze bezorgdheid vindt de Kerk in Jezus Christus zelf, zoals de evangeliën getuigen. Daarom juist wil ze deze bekommernis ook voortdurend versterken in Hem door de situatie van de mens in de huidige wereld te interpreteren in het licht van de belangrijkste tekenen van onze tijd.

Wanneer deze tijd, de tijd van onze regeneratie, deze tijd die naar het einde loopt van het tweede millennium van ons christelijk tijdperk, zich aan ons openbaart als een tijd van grote vooruitgang, dan blijkt hij tevens allerlei bedreigingen voor de mens te bevatten. De Kerk moet daarover met alle mensen van goede wil spreken en in gesprek blijven. Er schijnt inderdaad een kloof te bestaan tussen de situatie van de mens in de huidige wereld en de objectieve eisen van de morele orde, alsook van de rechtvaardigheid en meer nog van de sociale liefde. Het gaat hier om wat de Schepper in zijn eerste boodschap tot de mens zei, toen Hij hem de aarde toevertrouwde om haar te "onderwerpen". Deze eerste boodschap werd in het verlossingsmysterie door Christus, de Heer, bekrachtigt. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft dat uitgedrukt in de wondermooie hoofdstukken van zijn leer over het "koningschap" van de mens, m.a.w. zijn roeping om deel te hebben aan de koninklijke taak - "munus regale" - van Christus zelf. De wezenlijke betekenis van dit "koningschap" en deze "heerschappij" van de mens over de zichtbare wereld, die hem door de Schepper als opgave werd toevertrouwd, bestaat in de voorrang van de ethiek op de techniek, van de persoon op de dingen, van de geest op de materie.

Daarom moet men alle etappen van de moderne vooruitgang op de voet volgen en ze vanuit dit gezichtspunt elk afzonderlijk doorlichten. Het gaat hier om de ontwikkeling van personen en niet alleen om het vermenigvuldigen van dingen waar de personen zich van kunnen bedienen. Of zoals een hedendaags filosoof het uitdrukte en zoals het Concilie bevestigde: het komt niet zozeer aan op "meer hebben" dan wel op "meer zijn". Er bestaat inderdaad reeds een reëel en herkenbaar gevaar: enerzijds maakt de mens enorme vooruitgang in de beheersing van de materiële wereld; anderzijds dreigt hij de teugels van deze beheersing te verliezen; hij loopt het gevaar dat zijn mens-zijn op verschillende manieren ondergeschikt geraakt aan deze wereld en dat hijzelf daardoor het voorwerp wordt van velerlei - niet altijd direct als zodanig herkenbare - manipulaties door de hele organisatie van het gemeenschapsleven, door het productiesysteem en door de druk van de sociale communicatiemiddelen. De mens mag niet verzaken aan zichzelf noch aan de plaats die hem in de zichtbare wereld toekomt. Hij mag geen, slaaf worden van de dingen, geen slaaf van de economische systemen, geen slaaf van de productie noch van zijn eigen producten. Een louter materialistische beschaving doemt de mens tot een dergelijke slavernij, al gebeurt dat dan ongetwijfeld soms in weerwil van de bedoelingen en principes van haar pioniers. Dit probleem ligt heel zeker aan de basis van de huidige bekommernis om de mens. Het komt er hier niet zozeer op aan een abstract antwoord te geven op de vraag: wie is de mens? Maar het gaat om de hele dynamiek van het leven en de beschaving. Het gaat om de zin van de verschillende initiatieven van het dagelijks leven en tegelijk om de betekenis van de uitgangspunten voor talrijke programma's, op het gebied van beschaving, politiek, maatschappij, staatkunde en nog vele andere terreinen.

Als wij durven stellen, dat de situatie van de mens in de huidige wereld lang niet strookt met de objectieve eisen van de morele orde, van de rechtvaardigheid en nog minder van de sociale liefde, is dat op grond van algemeen gekende feiten en voorbeelden die al vaker hebben weerklonken in de pauselijke, conciliaire en synodale documenten. De situatie van de hedendaagse mens is zeker niet eenvormig; zij is op veel manieren onderscheiden. Deze verschillen hebben hun historische oorzaken, maar zij hebben ook een sterke ethische weerslag. Algemeen bekend is het kader van de consumptiebeschaving enerzijds, waarin een zekere overmaat heerst aan goederen die voor de mens en voor hele gemeenschappen onontbeerlijk zijn - bedoeld zijn hier de rijke en hoog ontwikkelde maatschappijen - terwijl anderzijds in de andere gemeenschappen, of tenminste in brede lagen ervan, honger wordt geleden en veel mensen dagelijks sterven van uitputting en ondervoeding. Daarmee hangt samen, dat de eerste in zekere mate de vrijheid misbruiken als gevolg van een consumptiegedrag dat niet wordt beteugeld door de moraal, waardoor uiteraard de vrijheid van de anderen wordt beknot die groot gebrek lijden en nog dieper wegzinken in ellende en armoede.

Dit algemeen bekende voorbeeld en deze tegenstelling, waar de pausen van onze eeuw, in de jongste tijd Johannes XXIII en Paulus VI, in hun leerstukken op gewezen hebben, zijn in zekere zin een reusachtige vergroting van de Bijbelse parabel over de feestende rijke en de arme Lazarus'.

De omvang van het fenomeen stemt tot nadenken over de structuren en mechanismen op het vlak van de financiën, het geldwezen, de productie en de handel, die met behulp van verschillende middelen van politieke druk de wereldeconomie beheersen. Zij blijken niet in staat de onrechtvaardigheden uit het verleden op te vangen en staan eveneens machteloos tegenover de dringende uitdagingen en ethische eisen van vandaag. Zij zetten de mens onder spanningen die hij zelf heeft veroorzaakt, ze verkwisten alsmaar sneller de reserves aan grondstoffen en energie en brengen het geofysisch milieu in gevaar: daardoor maken deze structuren de gebieden van ellende steeds maar groter en doen ze de nood, de frustratie en de bitterheid voortdurend toenemen.

Wij staan hier voor zo'n omvangrijk drama, dat het niemand onverschillig mag laten. Degene die ofwel een maximum aan voordeel tracht te behalen, ofwel de tol van benadeling en onrecht betaalt, is altijd weer de mens. Het drama wordt nog verscherpt doordat de bevoorrechte sociale groepen samen gaan met de rijke landen, die een buitenissig rijke goederenvoorraad opstapelen die dan op zichzelf weer allerlei nieuwe moeilijkheden schept. Daarbij komen nog de inflatiekoorts en de treurige plaag van de werkloosheid, symptomen temeer van deze morele wanorde op wereldschaal die gedurfde en creatieve vernieuwingen vraagt overeenkomstig de authentieke menselijke waardigheid.

Dat is geen onmogelijke taak. Op basis van het solidariteitsprincipe in de ruime zin moet daadwerkelijk worden gezocht naar geschikte instellingen en mechanismen. Dat moet zowel gebeuren op het vlak van de handel, waarbij men de wetten van een gezonde concurrentie moet naleven, als door een gecontroleerde, ruimere, meer directe herverdeling van rijkdom. Dan pas zullen de volkeren in economische ontwikkeling niet enkel in hun wezenlijke behoeften kunnen voorzien, maar tevens stelselmatig en werkelijk hogerop kunnen geraken.

Op deze moeilijke weg van noodzakelijke economische herstructurering kan men enkel vooruitgang maken door een werkelijke bekering van geest, wil en hart. Hier is de vastberaden inzet nodig van vrije en solidaire mensen en volkeren. Al te vaak echter wordt vrijheid verward met het instinct van persoonlijk of gemeenschappelijk eigenbelang, of met het instinct ofwel van strijd en heerszucht, onverschillig hoe men het ideologisch inkleurt. Die instincten bestaan en zijn actief, maar een echt humane economie is uitgesloten als ze niet worden opgevangen, gericht en beheerst door de diepste krachten, die in de mens zitten en die de ware cultuur van de volkeren bepalen. Precies uit deze bronnen moet de werkzame kracht komen die gestalte geeft aan de echte menselijke vrijheid en die deze vrijheid ook op economisch gebied kan waarborgen. De economische groei, met al zijn specifieke wetmatigheden, moet voortdurend gepland en gerealiseerd worden binnen een globaal ontwikkelingsperspectief in intermenselijke en internationale solidariteit, zoals mijn voorganger Paulus VI met klem onderstreepte in H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
. Zo niet, dan zal dat deelgebied economische vooruitgang zich opwerpen als een hogere macht en het hele menselijk bestaan onderwerpen aan haar eigen eenzijdige eisen; ze zal de mens verstikken, de maatschappij ontwrichten en uiteindelijk zelf stranden op haar eigen ongerijmdheden en excessen.

Deze verplichting is haalbaar. Dat wordt bewezen door de feitelijke werkelijkheid en door de resultaten waarop hier moeilijk verder en dieper kan worden ingegaan. Één zaak staat in ieder geval vast: men moet deze reusachtige taak beginnen met het aanvaarden en verdiepen van de morele verantwoordelijkheidszin die de mens zich moet eigen maken. Altijd en opnieuw: de mens. We komen hier alweer terug op de morele verantwoordelijkheid waarvan het subject enkel en alleen de mens is. Voor ons christenen wordt die verantwoordelijkheid bijzonder vanzelfsprekend wanneer we - zoals we altijd moeten doen - denken aan het laatste oordeel, volgens de woorden van Christus, ons overgeleverd door het evangelie van Mattheus.

Dit eschatologisch beeld moet altijd worden toegepast op de geschiedenis van de mens. Het moet steeds een "maatstaf" zijn voor het menselijk handelen. Het moet een grondschema zijn voor het gewetensonderzoek van ieder en allen: "Want lk had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven. . ; Ik was naakt en gij hebt Mij niet gekleed ... ; Ik was ( ... ) in de gevangenis en gij zijt Mij niet komen bezoeken". Deze woorden krijgen een nog sterker waarschuwingskarakter als men bedenkt dat men de jonge staten en natie die aan hun onafhankelijkheid toe zijn, in plaats van voedsel en culturele hulp, soms massa's wapens en vernietigingstuig aanbiedt; die worden dan gebruikt voor gewapende conflicten en oorlogen, niet zozeer om hun legitieme rechten en hun soevereiniteit te verdedigen, maar als een vorm van allerlei chauvinisme, imperialisme en neokolonialisme. Iedereen weet goed, dat op onze wereld de gebieden waar honger en ontbering heersen, in een kort tijdsbestek vruchtbaar gemaakt konden worden, als men die reusachtige geldsommen niet besteedde aan wapens voor oorlog en vernieling, maar aan voedsel, in dienst van het leven.

Misschien blijft deze overweging min of meer "abstract". Misschien geeft ze bepaalde "kampen" de gelegenheid elkaar te beschuldigen waarbij ieder zijn eigen fouten vergeet. Misschien geeft ze aanleiding tot nieuwe beschuldigen tegen de Kerk. De Kerk van haar kant beschikt over geen andere wapens dan die van de geest, van het woord en van de liefde. Ze mag niet verzaken aan haar verkondiging van "het woord ... te pas en te onpas". Daarom vraagt ze voortdurend, aan ieder van beide kanten en aan allen, in naam van God en in naam van de mens: Dood niet! Zaai geen vernieling en vernietiging onder de mensen! Denk aan uw broeders die honger en ellende lijden! Eerbiedig de waardigheid en de vrijheid van iedereen!

Document

Naam: REDEMPTOR HOMINIS
De Verlosser van de mensen
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 4 maart 1979
Copyrights: © 1979, Stg. Verkondiging voor het Bisdom Roermond
Nog zonder notenapparaat
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam