• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"WIE ZIJN LEVEN VERLIEST OM MIJ EN OM DE BLIJDE BOODSCHAP, ZAL HET REDDEN"
44e catechese in deze reeks

Op onze zoektocht naar de evangelische tekenen die ons het bewustzijn aantonen dat Christus had van zijn Godheid, hebben we in de vorige catechese de nadruk gelegd op de vraag die Hij tot zijn apostelen richtte, om aan Hem geloof te hechten: "Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Joh. 14, 1) - een vraag die alleen kan gesteld worden door God. Dat geloof wordt door Jezus geëist, wanneer Hij een goddelijke macht laat zien die al de krachten van de natuur te boven gaat, bijvoorbeeld bij de verrijzenis van Lazarus (Joh. 11, 38-44). Hij eist dat geloof eveneens ten tijde van zijn beproeving, geloof namelijk in de verlossende kracht van zijn Kruis, zoals Hij verklaarde in zijn gesprek met Nicodemus (Joh. 3, 14-15); het geloof in zijn Godheid: "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh. 14, 9).

Het geloof slaat op een onzichtbare werkelijkheid, die boven de zintuigen en de ervaring uitstijgt, en die zelfs de grenzen van het menselijk verstand te boven gaat (argumentum non apparentium: het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen: (Heb. 11, 1)). Het slaat op hetgeen, zoals sint-Paulus het uitdrukt, "geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord, geen mens zich kan voorstellen, maar dat God bereid heeft voor die Hem liefhebben" (1 Kor. 2, 9). Eenzelfde geloof eist Jezus vóór zijn dood aan het kruis, wanneer Hij zijn apostelen zegt dat Hij hun een plaats gaat bereiden in het huis van de Vader (Joh. 14, 2).

Die mysterieuze dingen, die onzichtbare werkelijkheid is één en dezelfde als het oneindige Goed dat God is, de eeuwige Liefde, die op onovertrefbare wijze waard is boven alles bemind te worden. Daarom vaardigt Jezus, samen met de vraag om geloof, het gebod uit God "boven alles" lief te hebben. Dat gebod bestond al in het Oude Testament, maar Jezus vaardigt het opnieuw uit en bevestigt het op een nieuwe manier. Weliswaar herneemt Jezus de woorden uit de Wet van Mozes bij zijn antwoord op de vraag: "Meester, wat is het voornaamste gebod in de Wet?" Hij zegt dan: "Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand (Mt. 22, 37) Vgl. Dt. 6, 5 . Maar in zijn mond krijgt dat gebod een volheid aan betekenis, die voortkomt uit het verband met hetgeen Jezus elders doet en onderwijst. Ongetwijfeld wil Hij inprenten dat alleen God boven al het geschapene mag en moet bemind worden: alleen in verband met God kan er voor de mens sprake zijn van een eis tot liefde boven alles. Alleen God kan, juist omwille van de eis van een totale en radicale liefde, de mens roepen om "Hem te volgen" zonder voorbehoud, zonder beperking, op een onverdeelde wijze, zonder enige afbreuk, zoals wij het al lezen in het Oude Testament: "Gij moet Jahwe uw God volgen zijn geboden onderhouden en naar Hem luisteren; Hem moet gij dienen en Hem aanhangen" (Dt. 13, 5). Alleen God immers "is goed" in absolute zin (Mc. 10, 18)(Mt. 19, 17). Alleen Hij is "liefde" (1 Joh. 4, 16), per definitie en door zijn wezen zelf. Hier staan we dan in het leven en de leer van Christus voor een nieuw en verrassend element.
Jezus roept op om Hem in persoon te volgen. Die oproep vormt, zo mag men wel zeggen, de kern zelf van het Evangelie. Enerzijds horen we Jezus die oproept. Anderzijds horen we de evangelisten spreken van mensen die Hem volgen, en zelfs van enkelen die om Hem te volgen, alles in de steek laten.

Wij blijven hier even stilstaan bij al deze oproepen, die de evangelisten ons hebben overgeleverd. "Een andere van zijn leerlingen zei tot Hem: Heer, laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven. Jezus zei hem: Volg Mij; laat de doden hun doden begraven (Mt. 8, 21-22). Dit is een draconische wijze om te zeggen: laat onmiddellijk alles in de steek voor Mij. Lucas voegt er deze apostolische kanttekening aan toe: "Maar gij, ga heen en verkondig het Rijk Gods" (Lc. 9, 60). Hetzelfde zien we bij Matteüs. Een andere keer kwam Hij aan het tolhuis voorbij en zei tot Matteüs - het klonk bijna als een bevel: "Volg Mij". De man stond op en volgde Hem (Mt. 9, 9)(Mc. 2, 13-14).

Jezus volgen wil dikwijls zeggen: niet alleen je bezigheden laten staan en de banden verbreken die je met de wereld hebt, maar ook je losmaken van het gemakkelijke leven dat je leidt, en zelfs je bezittingen aan de armen geven. Iedereen voelt zich er niet toe in staat, om zo'n radicale breuk tot stand te brengen. De rijke jongeling had er de moed niet toe, en hij had nochtans van jongsaf aan de Wet nageleefd en misschien had hij zelfs getracht een volmaakt leven te leiden. Maar "toen de jongeman deze raad hoorde (nl. om Jezus te volgen) ging hij ontdaan heen, omdat hij vele goederen bezat" (Mt. 19, 22)(Mc. 10, 22). Anderen daarentegen aanvaarden dit "volg Mij" en voelen zelfs behoefte, zoals Filippus uit Betsaïda, om aan anderen hun overtuiging door te geven, dat ze de Messias gevonden hebben (Joh. 1, 43 e.v.). En Simon krijgt bij de eerste ontmoeting te horen: "Gij zult Kefas - dat betekent: Rots - genoemd worden" (Joh. 1, 42). De evangelist Johannes merkt op dat Jezus "hem aanzag": in die doordringende blik zat een sterke en pakkende uitnodiging om Hem te volgen. Maar het schijnt wel dat Jezus _ wegens de heel speciale roeping van Petrus (en misschien ook wegens zijn natuurlijk temperament) - geleidelijk diens bekwaamheid wil tot rijpheid brengen, om Jezus' uitnodiging naar waarde te schatten en ze te aanvaarden. Het "volg Mij" in de letterlijke betekenis van het woord komt voor Petrus na de voetwassing op het laatste Avondmaal (Joh. 13, 36) en vervolgens, eens en voorgoed, na de verrijzenis, op de oever van het meer van Tiberias (Joh. 21, 19).

Ongetwijfeld beluisteren en aanvaarden Petrus en de andere apostelen - met uitzondering van Judas - die oproep om Jezus te volgen, als een uitnodiging om zichzelf en alles wat hun toebehoort te wijden aan de verkondiging van het Rijk Gods. Zelfs zullen zij bij monde van Petrus er Jezus aan herinneren: "Zie, wij hebben alles prijsgegeven om U te volgen" (Mt. 19, 27). Lucas voegt eraan toe: "Ons eigendom" (Lc. 18, 28). En Jezus schijnt te willen preciseren om welk eigendom het gaat, als Hij Petrus antwoordt: "Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand die huis of vrouw, broers, ouders of kinderen omwille van het Rijk Gods heeft prijsgegeven, of Hij ontvangt het in deze tijd dubbel en dwars terug en in de toekomstige wereld het eeuwige leven" (Lc. 18, 29-30).

Bij Marcus staat er over dat-in-de-steek-laten nog een nadere precisering nl.: "Om Mij en om de Blijde Boodschap". Zo ook over de beloning die ze zullen krijgen: "Of hij ontvangt nu, in deze tijd, het honderdvoud aan huizen, broers, moeders, kinderen en akkers, zij het ook gepaard met vervolgingen, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven" (Lc. 18, 29-30).

Bij Marcus staat er over dat in de-steek-laten nog een nadere precisering nl.: "Om Mij en om de Blijde Boodschap". Zo ook over de beloning die ze zullen krijgen: "Of hij ontvangt nu, in deze tijd, het honderdvoud aan huizen, broers, moeders, kinderen en akkers, zij het ook gepaard met vervolgingen, en in de toekomstige wereld het eeuwige leven" (Mc. 10, 29-30).

Zonder ons voor het moment bezig te houden met Jezus' figuurlijke manier van spreken, vragen wij ons af wie Degene is die oproept om Hem te volgen en die zo'n buitengewone beloning, tot het eeuwige leven toe, belooft aan wie Hem volgen. Kan een gewoon mensenkind zulke beloften doen, en dan geloofd en gevolgd worden, en zoveel macht bezitten, niet alleen over zijn gelukkige leerlingen, maar ook over duizenden en miljoenen mensen door de eeuwen heen?

De leerlingen roepen het gezag te binnen waarmee Jezus hen had geroepen om Hem te volgen; daarbij aarzelde Hij niet van hen een radicale trouw te vragen met woorden die paradoxaal konden lijken, zoals toen Hij verklaarde dat Hij niet de vrede maar het zwaard was komen brengen, d.w.z. dat Hij om Hem te volgen scheidingen en verdeeldheid was komen brengen in de gezinnen; en dan besloot Hij met gezag: "Wie Vader en moeder meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig. En wie zijn kruis niet opneemt en Mij volgt, is Mij niet waardig" (Mt. 10, 37-38). Bij Lucas klinkt het nog krachtiger: "Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouwen kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat (een Hebreeuwse zegswijze om te beduiden: zich niet onthecht aan ), kan hij mijn leerling niet zijn" (Lc. 14, 26).

Jezus' manier van spreken doet ons nadenken over de verhevenheid en de moeilijkheid van de christelijke roeping. Ongetwijfeld is er een gradatie in de concrete vormen die het volgen van Jezus aanneemt, al naar gelang van de situatie, de mogelijkheden, de zendingen, de charismen van personen en milieus. De woorden van Jezus zijn, naar Hijzelf zegt, "geest en leven" (Joh. 6, 63) en niemand mag de pretentie hebben ze op identiek dezelfde wijze door allen te doen beleven. Maar, zoals de heilige Thomas van Aquino het uitlegt, de evangelische uitnodiging tot heldhaftige verzakingen, als daar bijv. zijn de evangelische raden van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid om Jezus te volgen - en hetzelfde kan gezegd worden van de gave van zichzelf in het martelaarschap, liever dan te verzaken aan het geloof en te weigeren Christus te volgen - geldt voor iedereen "secundum praeparationem" H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. Dat wil zeggen dat iedereen in zijn hart ertoe bereid moet zijn in daden om te zetten wat God van hem vraagt, indien hij daartoe geroepen wordt. Daarin zit dus een innerlijke verzaking, een trouwen een zelfgave aan Christus besloten, zonder welke er geen evangelische geest mogelijk is.

Uit hetzelfde Evangelie kan men opmaken dat er speciale roepingen zijn, afhankelijk van een uitverkiezing door Christus. Zo bijv. die van de apostelen en van talrijke leerlingen, zoals Marcus vrij duidelijk laat verstaan waar hij schrijft: "Jezus ging de berg op en riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem. Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen " (Mc. 3, 13-14). Volgens Johannes zei Jezus in zijn afscheidsrede tot de apostelen: "Niet gij hebt Mij uitgekozen maar Ik u " (Joh. 15, 16). Jezus schijnt degene die Hem niet wilde volgen op de weg van de totale overgave aan de zaak van het Evangelie, niet voorgoed te veroordelen (zie bijv. het geval van de rijke jongeman: (Mc. 10, 17-27)). Er is iets méér dat de vrije edelmoedigheid van de mens in beweging brengt. Toch staat vast dat de roeping tot het geloof en de christelijke liefde universeel is en sterk uitnodigend: geloof in het woord van Jezus, liefde voor God boven alles en ook voor de naaste, want "als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit gezien heeft" (1 Joh. 4, 20).
Wanneer Jezus zo sterk erop staat, dat zijn oproep om Hem te volgen ook werkelijk beantwoord wordt, verheelt Hij toch niet dat om Hem te volgen, offers moeten worden gebracht, soms zelfs het offer van het leven. Zo zegt Hij tot zijn leerlingen: "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om mijnentwil zal het vinden" (Mt. 16, 24-25).

Marcus wijst erop, dat Jezus niet alleen zijn leerlingen, maar ook de massa oproept en tot alle mensen spreekt over de verloochening die nodig is om Hem te volgen, over het kruis dat moet worden opgenomen en over het prijsgeven van het eigen leven "omwille van Mij en het Evangelie" (Mc. 8, 34-35). Hij doet dat vlak nadat Hij gesproken heeft over zijn lijden en dood (Mc. 8, 31-32).

Toch spreekt Jezus tegelijk met nadruk over het geluk van degenen die vervolgd worden "omwille van de Mensenzoon" (Lc. 6, 22). "Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel" (Mt. 5, 12).

En wij vragen nog eens opnieuw: Wie is Hij toch die met zulk een gezag roept om Hem te volgen, terwijl Hij haat, smaad en vervolgingen, maar tegelijk ook de beloning in de hemel belooft? Alleen een Mensenzoon die er zich van bewust was Zoon van God te zijn, kon zo spreken. In die zin hebben de apostelen en de leerlingen Hem begrepen en zij hebben ons zijn openbaring en zijn boodschap doorgegeven. In die zin willen ook wij Hem begrijpen, en wij herhalen daarom met de apostel Thomas: "Mijn Heer en mijn God".

Document

Naam: "WIE ZIJN LEVEN VERLIEST OM MIJ EN OM DE BLIJDE BOODSCHAP, ZAL HET REDDEN"
44e catechese in deze reeks
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 28 oktober 1987
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam