• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"GIJ GELOOFT IN GOD, GELOOFT OOK IN MIJ"

De feiten die wij in de vorige catechesen geanaliseerd hebben, tonen in hun geheel genomen op overtuigende en afdoende wijze aan dat Jezus zich bewust was van zijn eigen godheid, wanneer Hij zich de naam van God toeëigent: de goddelijke eigenschappen, de macht om het uiteindelijk oordeel te vellen over de daden van de mensen, de macht om de zonden te vergeven, de macht zelfs over de Wet van God. Dat zijn allemaal aspecten van een en dezelfde waarheid, die Hij zelf krachtig uitgesproken heeft: dat Hij waarlijk God is, één in wezen met de Vader. Dat zei Hij klaar en duidelijk tot de Joden, toen Hij in de tempel met hen sprak op de dag van de tempelwijding: "Ik en de Vader, Wij zijn één" (Joh. 10, 30). Maar terwijl Jezus zich toeëigent wat eigen is aan God zelf, spreekt Hij toch van zichzelf als van de "Mensenzoon", zowel vanwege de persoonlijke eenheid in Hem van de mens en God, als vanwege de pedagogie die Hij gekozen heeft om zijn leerlingen stap voor stap, alsof Hij ze bij de hand nam, te geleiden tot de hoogte en de mysterieuze diepte van zijn waarheid. Als Mensenzoon aarzelt Hij niet uit te roepen: "Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Joh. 14, 1).

Heel de afscheidsrede, vanaf het 14e tot het 17e hoofdstuk van het Johannesevangelie, en met name de antwoorden die Jezus geeft aan Thomas en Filippus, tonen aan dat, als Hij hun vraagt in Hem te geloven, het niet alleen gaat om het geloof in de Messias als de Gezalfde en de Gezondene van God, maar om het geloof in de Zoon, die één in wezen is met de Vader. "Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Joh. 14, 1).

Die woorden moeten begrepen worden tegen de achtergrond van Jezus' gesprek met zijn apostelen op het laatste Avondmaal, waarover we lezen in het Johannesevangelie. Jezus verklaart aan zijn apostelen dat Hij hun een plaats gaat bereiden in het huis van de Vader (Joh. 14, 2-3). En als Thomas Hem dan de weg vraagt naar dat huis, naar dat nieuwe koninkrijk, antwoordt Jezus dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is (Joh. 14, 6). Als Filippus Jezus vraagt dat Hij aan zijn leerlingen de Vader zou tonen, geeft Hij dit volstrekt ondubbelzinnige antwoord: "Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader. Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik u zeg, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar het is de Vader die, blijvend in Mij, zijn werk verricht: Geloof Mij,. Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Of geloof het anders omwille van de werken" (Joh. 14, 9-11).

Men kan onmogelijk ontkomen aan het dwingende van die uitspraak van Jezus op het verstand van de mens, tenzij dat men uitgaat van een a priori, een antigoddelijk vooroordeel. Voor degenen die de Vader aanvaarden en Hem in waarheid zoeken, wijst Jezus naar zichzelf en zegt: Ziehier, de Vader is in Mij!

Wanneer Hij de redenen van geloofwaardigheid wil aanvoeren, doet Jezus een beroep op zijn werken: op alles wat Hij gedaan heeft voor de ogen van zijn leerlingen en de mensen. Het betreft heilige en dikwijls mirakuleuze daden, die Hij verricht heeft als teken van de waarheid. Daarom ook verdient Hij dat men Hem geloof schenkt. Dat zegt Jezus niet alleen in de kring van zijn apostelen, maar ook ten overstaan van heel het volk. Zo lezen we dat daags na zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem, de massa die voor de paasfeesten gekomen was, onderling discussieerde over de persoon van Christus; een groot aantal geloofde niet in Hem, "ofschoon Jezus zulke grote tekenen in hun tegenwoordigheid had verricht" (Joh. 12, 37). Op een bepaald moment "verklaarde Jezus met luider stem: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezonden heeft en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft" (Joh. 12, 44-45).

Men kan dus zeggen dat Jezus Christus zich vereenzelvigt met God als voorwerp van het geloof, dat Hij aan zijn leerlingen voorhoudt en van hen vraagt. En Hij legt hun uit: "Wat Ik dus verkondig, verkondig Ik zoals de Vader het Mij gezegd heeft" (Joh. 12, 50) : een duidelijke zinspeling op het Woord - de Zoon, dat de Vader van eeuwigheid uitspreekt in de schoot van de H. Drieëenheid.

Dat geloof, verbonden met de werken en de woorden van Jezus, wordt de "logische gevolgtrekking" voor degenen die op een eerlijke wijze naar Jezus luisteren, zijn werken gadeslaan en zijn woorden overdenken. Maar het is het uitgangspunt en de noodzakelijke voorwaarde die Jezus zelf eist van degenen die zijn leerlingen willen worden of die een weldaad willen ontvangen van zijn goddelijke macht.

Het is ook van grote betekenis, wat Jezus zei tot de vader van de jongen die de stuipen kreeg, omdat deze van zijn jeugd af op verschrikkelijke wijze door "een stomme geest" werd lastig gevallen. De arme vader smeekt Jezus: "Als Gij iets kunt doen, heb medelijden met ons en help ons". Jezus antwoordde hem: "Wat kunnen betreft: alles kan voor wie gelooft". "Ogenblikkelijk riep de vader van de jongen uit: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!" (Mc. 9, 22-24). En Jezus genas en bevrijdde de ongelukkige jongen. Maar wel wil Jezus van de Vader een openheid voor het geloof. Dat geloof hebben in de loop der eeuwen zoveel nederige en lijdende mensen Hem geschonken, die, evenals de vader van de bezeten jongen, zich tot Hem hebben gewend om zijn hulp af te smeken in hun tijdelijke en vooral geestelijke noden.
Maar wanneer mensen, welke ook hun sociale of culturele rang weze, uit hoogmoed en ongeloof weerstand bieden aan Jezus, dan bestraft Hij hun houding door ze uit te sluiten van de weldaden van zijn goddelijke macht. Indrukwekkend en rijk aan betekenis is wat te lezen staat over de inwoners van Nazaret. Na de aanvang van zijn openbaar optreden en nadat Hij de eerste mirakelen had verricht, kwam Jezus terug naar Nazaret. De inwoners stonden niet alleen verwonderd over zijn leer en zijn werken, maar ze ergerden zich ronduit aan Hem, of ze spraken over Hem met wantrouwen en vijandschap en lieten Hem voelen dat Hij ongewenst was.

"Maar Jezus sprak tot hen: Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen kring. Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas die Hij de handen oplegde. Hij stond verwonderd over hun ongeloof" (Mc. 6, 4-6). Wonderen zijn "tekenen" van Jezus' goddelijke macht. Wanneer er een hardnekkig beletsel bestaat om deze macht te erkennen, dan verliest het wonder zijn reden van bestaan. Trouwens, als de leerlingen na de genezing van de bezeten jongen aan Jezus vragen waarom zij, die toch van Hem de macht hadden gekregen, er niet in geslaagd waren om de duivel uit te drijven, geeft Hij het volgende antwoord: "Om uw gebrek aan geloof. Voorwaar, Ik zeg u: wanneer gij een geloof bezit, ook al is dit klein als een mosterdzaadje, dan kunt ge tot deze berg zeggen: verplaats u van hier naar daar. Niets zal u onmogelijk zijn" (Mt. 17, 19-20). Dat is een zinnebeeldige en hyperbolische manier van spreken, waarmee Jezus bij zijn leerlingen de noodzakelijkheid en de kracht van het geloof wil inscherpen.

Dat wordt ook onderstreept door Jezus na het wonder van de genezing van de blindgeborene, wanneer Hij deze ontmoet en het volgend gesprek plaatsheeft: "Gelooft gij in de Mensenzoon? Hij antwoordt: Wie is dat, Heer? Dan zal ik in Hem geloven. Jezus zei hem: Gij ziet Hem, het is Degene die met u spreekt. Toen zei hij: Ik geloof, Heer. En hij wierp zich voor Hem neer" (Joh. 9, 35-38). Dat is nu precies de akte van geloof van een nederig man, beeld van al de nederigen die God zoeken Vgl. Dt. 29, 3 Vgl. Jes. 6, 9 e.v. Vgl. Jer. 5, 21 Vgl. Ez. 12, 2 . Hij verkrijgt de genade om te zien, niet alleen met de ogen van het lichaam, maar ook geestelijk, want hij erkent de Mensenzoon, in tegenstelling met de hoogmoedigen, die alleen vertrouwen op hun eigen lampen en het licht dat van boven komt afwijzen. Daardoor veroordelen ze zichzelf tot blindheid tegenover Christus en tegenover God (Joh. 9, 39-41).
De beslissende waarde van het geloof blijkt nog duidelijker in het gesprek tussen Jezus en Marta bij het graf van Lazarus. "Jezus zei tot haar: 'Uw broer zal verrijzen'. Marta antwoordde: 'Ik weet dat hij zal verrijzen op de laatste dag'. Jezus zei tot haar: 'Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof in Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?' Zij zei tot Hem: 'Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt" (Joh. 11, 23-27). En Jezus wekte Lazarus ten leven op, als teken van zijn goddelijke macht om niet alleen als Heer van het leven de doden op te wekken, maar ook om de dood te overwinnen, daar Hij, zoals Hijzelf tot Marta zei, de verrijzenis en het leven is.
De leer van Jezus over het geloof, als voorwaarde tot zijn reddend optreden, wordt samengevat en bevestigd in het nachtelijk gesprek met Nicodemus, die "behoorde tot de voornaamste van de Joden" en die Jezus goed gezind was en bereid Hem te erkennen als "leraar die van Godswege gekomen is" (Joh. 3, 2). Jezus houdt een lange uiteenzetting over het "nieuwe leven" en, per slot van rekening, over het nieuwe heilsbestel, dat gebaseerd is op het geloof in de "Mensenzoon, die moet omhoog worden geheven, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben". "Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben" (Joh. 3, 15-16). Hieruit volgt dat het geloof in Christus tot het wezen zelf van het heil, het eeuwig leven, behoort. Dat is het geloof in de enige Zoon - één in wezen met de Vader - in wie de liefde van de Vader zich openbaart. Want "God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered" (Joh. 3, 17). Het oordeel ligt in feite besloten in de keuze die de mens maakt om het geloof in Christus aan te nemen ofwel af te wijzen: "Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God" (Joh. 3, 18).

In zijn gesprek met Nicodemus toont Jezus aan dat het centrale punt van het reddend geloof gelegen is in het paasmysterie : "En deze Mensenzoon moet omhoog worden geheven, opdat eenieder die gelooft in Hem eeuwig leven zal hebben" (Joh. 3, 14-15). Men kan dit ook "het kritieke punt" noemen van het geloof in Christus. Het Kruis is voor de leerlingen van Christus de beslissende beproeving van hun geloof geweest. Er was reden te over, zoals het ook gedeeltelijk gebeurd is, om door die "omhoogheffing" in de war gebracht te worden. Maar het feit dat Hij "verrezen is op de derde dag", deed hen die ultieme beproeving overwinnen. Zelfs Thomas, die de laatste was om de beproeving, die zijn geloof door de paasgebeurtenissen onderging, te boven te komen tijdens zijn ontmoeting met Christus, laat ons deze prachtige geloofsbelijdenis horen: "Mijn Heer en mijn God" (Joh. 20, 28). Zoals Petrus te Cesarea Filippi laat ook Thomas in die paasontmoeting de kreet van geloof horen die komt van de Vader: de gekruisigde en verrezen Jezus is "Heer en God".

Op het verslag van deze geloofsbelijdenis en Jezus' zaligspreking van hen "die niet gezien en toch geloofd hebben" (Joh. 20, 29), laat Johannes onmiddellijk een eerste conclusie van zijn evangelie volgen: "Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan in het bijzijn van zijn leerlingen, welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam" (Joh. 20, 30-31).

Alles wat Jezus deed en leerde, alles wat de apostelen hebben verkondigd en getuigd, alles wat de evangelisten hebben opgetekend en alles wat de Kerk van hun onderricht bewaart en doorgeeft, dat moet ten dienste staan van het geloof, want door te geloven, komt men tot het heil. Het heil - en dus het eeuwig leven - is nauw verbonden met Christus' messiaanse zending, waaruit heel "de logica" van het geloof, heel de christelijke "geloofsecanomie" voortvloeit. Dezelfde Johannes verkondigde het reeds in de proloog van zijn evangelie: "Aan allen echter die Hem wél aanvaardden (het Woord), aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden" (Joh. 1, 12).

Document

Naam: "GIJ GELOOFT IN GOD, GELOOFT OOK IN MIJ"
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 21 oktober 1987
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam