• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

JEZUS CHRISTUS HEEFT MACHT OM TE OORDELEN
40e catechese in deze reeks

God is de rechter van levenden en doden. De rechter van alle mensen.

In zijn catechese die voorafging aan de nederdaling van de Heilige Geest over de heidenen, verkondigde Petrus dat "Hij (Christus) de door God aangestelde rechter is over de levenden en de doden" (Hand. 10, 42). Deze goddelijke macht (exousia) is ook reeds in het onderricht van Christus zelf verbonden met de Mensenzoon. De welbekende tekst uit het Matteusevangelie over het laatste Oordeel begint met deze woorden: "Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie. Alle volken zullen voor Hem bijeengebracht worden en Hij zal ze in twee groepen scheiden, zoals de herder een scheiding maakt tussen schapen en bokken" (Mt. 25, 31-32). De tekst verhaalt vervolgens het verloop van het proces en kondigt al de uitspraak ervan aan. Eerst de goedkeuring: "Komt gezegenden van mijn Vader, ontvangt het Rijk dat voor u gereed is vanaf de grondvesting der wereld" (Mt. 25, 34). Vervolgens de veroordeling: "Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwig vuur dat bereid is voor de duivel en zijn trawanten" (Mt. 25, 41).

Jezus Christus is tegelijk Mensenzoon en waarlijk God, want Hij heeft de goddelijke macht om te oordelen over de handelingen in de gewetens van de mensen, en die macht is definitief en universeel. Hij heeft zelf uitgelegd waarom Hij die macht bezit: "De Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd, opdat allen de Zoon zouden eren zoals zij de Vader eren" (Joh. 5, 22-23).

Die macht wordt door Jezus in verband gebracht met zijn vermogen het leven te geven. "Zoals de Vader leven heeft in zichzelf, zo gaf Hij ook aan de Zoon leven in zichzelf te hebben. Hij heeft Hem macht gegeven om oordeel te vellen; Hij is immers de Mensenzoon" (Joh. 5, 26-27). Volgens deze uitspraak van Jezus staat de goddelijke macht om te oordelen in verband met Christus' zending als Redder en Verlosser van de wereld. En "oordelen" behoort tot het Verlossingswerk: het is een definitieve heilsdaad. Het doel van het Oordeel is inderdaad de volledige deelneming aan het leven als de laatste gave aan de mens geschonken - de definitieve voleinding van zijn eeuwige roeping. Tegelijk staat die oordeelsmacht in verband met de openbaring naar buiten van de heerlijkheid van de Vader in zijn Zoon als Verlosser van de mens. "Want de Mensenzoon zal komen in de heerlijkheid van zijn Vader en dan zal Hij ieder vergelden naar zijn daden" (Mt. 16, 27). De orde van de rechtvaardigheid werd van het begin af ingeschreven in de orde van de Genade. Het laatste Oordeel moet de definitieve bevestiging zijn van dit bijeenhoren : Jezus verklaart duidelijk dat "de rechtvaardigen in het Koninkrijk van hun Vader zullen schitteren als de zon" (Mt. 13, 43), maar niet minder duidelijk is zijn verklaring dat zij die ongerechtigheid bedreven, verwijderd zullen worden Vgl. Mt. 7, 23 .

Zoals blijkt uit de parabel van de talenten (Mt. 25, 14-30), zal het oordeel afhangen van de medewerking met de van God ontvangen gave, medewerking met de genade, ofwel afwijzen ervan.

De goddelijke macht om allen en ieder te oordelen, komt toe aan de Mensenzoon. De klassieke tekst die we vinden in het Matteusevangelie Vgl. Mt. 25, 31-46 , legt speciaal de nadruk op het feit dat Christus die macht uitoefent, niet alleen in zijn hoedanigheid van God de Zoon maar eveneens als mens. Hij oefent die macht uit - Hij velt het vonnis - in naam van zijn solidariteit met elke mens die vanwege andere mensen goed of kwaad ontvangt: "Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven" (Mt. 25, 35); ofwel: "Ik had honger en gij hebt Mij niet te eten gegeven" (Mt. 25, 42). De daden van liefde van de mensen ten gunste van huil medemens, vormen het basisgegeven voor het oordeel van Christus die zich identificeert met die naaste. "Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan (Mt. 25, 40). "Al wat gij niet voor een van deze geringsten hebt gedaan, hebt gij ook voor Mij niet gedaan (Mt. 25, 45)”.

Volgens die tekst van Matteüs zal iedereen geoordeeld worden over de liefde. Maar het is evident, dat de mensen eveneens over hun geloof zullen worden geoordeeld: "Ieder die Mij bij de mensen belijdt, hem zal de Mensenzoon als de zijne erkennen bij Gods engelen" (Lc. 12, 8). "Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden, zal de Mensenzoon zich over hem schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van zijn Vader" (Lc. 9, 26) Vgl. Mc. 8, 38 .

Het Evangelie leert ons dus deze waarheid - een van de fundamentele geloofswaarheden - dat God de rechter is van alle mensen, en dat op een definitieve en universele wijze, terwijl de Vader die macht heeft overgedragen aan de Zoon Vgl. Joh. 5, 22 , en dat helemaal in overeenstemming met diens heilszending. Een bijzonder frappant getuigenis hiervan zijn de woorden die Jezus sprak tijdens zijn nachtelijk onderhoud met Nicodemus: "God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de wereld door Hem zou worden gered" (Joh. 3, 17).

Als het waar is, zoals vooral blijkt uit de synoptici, dat Christus rechter is in de eschatologische betekenis, dan is het evenzeer waar dat de goddelijke oordeelsmacht in nauw verband staat met Gods heilswil, die naar voren komt in heel de messiaanse zending van Christus, zoals het Johannesevangelie speciaal onderlijnt: "Tot een oordeel ben Ik in de wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden" (Joh. 9, 39). "Indien iemand mijn woorden hoort zonder ze te onderhouden, dan veroordeel "Ik" hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen maar om de wereld te redden" (Joh. 12, 47).

Christus is zonder enige twijfel de Redder, en zo stelt Hij zich ook voor. Hij beschouwt het niet als zijn zending, de mensen te oordelen naar louter menselijke maatstaven Vgl. Joh. 8, 15 . Vóór alles is Hij degene die al de wegen van het heil aanwijst, en niet de aanklager van de schuldigen. "Meent niet dat Ik u bij de Vader zal aanklagen. Er is al iemand die u aanklaagt: Mozes, want juist over Mij heeft hij geschreven" (Joh. 5, 45-46). "Hierin bestaat het oordeel: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het licht, omdat hun daden slecht waren" (Joh. 3, 19).
In dat licht dat God geopenbaard heeft in Christus, in die waarheid moeten wij dus bekennen dat in feite ieder veroordeeld wordt door zijn eigen daden. Gods wil om de mens te redden komt op een afdoende wijze naar voren in de woorden en de daden van Christus, in heel het Evangelie tot en met het mysterie van kruis en verrijzenis. Die heilswil is tegelijk de diepste grondslag en in feite de voornaamste maatstaf voor het oordeel over de daden en het geweten van de mens. In die zin vooral "heeft de Vader het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd" (Joh. 5, 22), en zo biedt Hij aan ieder mens de mogelijkheid aan om gered te worden in Hem.
Maar jammer genoeg is het in die zin ook waar, dat de mens, die deze mogelijkheid die hem geboden wordt afwijst, daardoor al veroordeeld is: "Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld" (Joh. 3, 18). Niet geloven staat gelijk met het heil afwijzen dat aan de mens aangeboden wordt in Christus: "Omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God" (Joh. 3, 18). Diezelfde waarheid komt aan het licht in de profetie van Simeon, zoals het Lucasevangelie ze ons overlevert: "Dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël" (Lc. 2, 34). Hetzelfde kan gezegd worden van de steen "die de bouwlieden hebben afgekeurd" (Lc. 20, 17-18).
Toch is het een geloofszekerheid, dat "de Vader het oordeel geheel en al in handen van de Zoon gelegd heeft" (Joh. 5, 22). Welnu, indien de goddelijke macht om te oordelen toekomt aan de Zoon, dan is dat het teken dat Hij - de Mensenzoon _ waarlijk God is, want aan God alleen komt het oordeel toe. En daar deze oordeelsmacht, zoals uit het Evangelie blijkt, ten nauwste verbonden is met de wil om te redden, staan wij hier voor een nieuwe openbaring van de God van het Verbond, die naar de mensen komt om ze uit de slavernij van het kwaad te bevrijden. Dat is de christelijke openbaring van God die liefde is.

Zo wordt er een correctie aangebracht aan die menselijke opvatting van Gods gerechtigheid, die er alleen een kille rechtvaardigheid in ziet, ja zelfs een wraaklust. In werkelijkheid is deze gedachte, die voortkomt uit de Bijbel, zoveel als de laatste schakel in Gods liefde. God oordeelt omdat Hij liefheeft en met het oog op de liefde. Het oordeel dat de Vader toevertrouwt aan Christus is gemaakt op de maat van de liefde van de Vader en van onze vrijheid.

Document

Naam: JEZUS CHRISTUS HEEFT MACHT OM TE OORDELEN
40e catechese in deze reeks
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 30 september 1987
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 18 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam