• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"IK BEN DE WEG, DE WAARHEID EN HET LEVEN"
39e catechese in deze reeks

De cyclus van catechesen over Jezus Christus heeft als middelpunt de geopenbaarde werkelijkheid van de Godmens. Jezus Christus is waarlijk God en waarlijk mens. Die werkelijkheid wordt op samenhangende wijze weergegeven in de waarheid van de onlosmakelijke eenheid van de persoon in Christus. Wij kunnen niet zo maar losjes en onsamenhangend over deze waarheid spreken en ook niet op zo'n wijze, dat het ene aspect los komt te staan van het andere. Maar wegens de analytische en geleidelijk voortgaande aard van de menselijke kennis, en gedeeltelijk ook vanwege de manier waarop deze waarheid wordt voorgesteld in de bron zelf van de Openbaring - vooral in de H. Schrift - moeten wij hier op de eerste plaats zoeken aan te geven wat precies de Godheid, en dus ook wat de mensheid aanduidt, van de ene en ondeelbare Christus.
Jezus Christus is waarlijk God. Hij is God de Zoon, één in wezen met de Vader (en met de Heilige Geest). In de uitdrukking "IK BEN", waarvan Jezus Christus zich bedient om over zijn eigen persoon te spreken, horen wij een echo van de Naam waarmee God zich kenbaar heeft gemaakt aan Mozes (Ex. 3, 14). Daar Jezus dit "IK BEN" toepast op zichzelf (Joh. 13, 19), Aienen we hier in herinnering te brengen dat die Naam God aanduidt, niet alleen als het absolute Wezen (het bestaan in Hem van het Zijn door zichzelf), maar ook als Degene die het Verbond heeft gesloten met Abraham en met zijn nakomelingen, en die, dank zij het Verbond, aan Mozes de zending geeft, Israël (d.w.z. de nakomelingen van Abraham) te bevrijden uit de slavernij van Egypte. Zo heeft dit "IK BEN" ook een heilbrengende betekenis; het spreekt van de God van het Verbond, die één is met de mens (evenals met Israël), om hem te redden. Onrechtstreeks spreekt het van de Emanuel, de God-met-ons.
Het "IK BEN" van Christus (vooral in het Johannesevangelie ) moet op dezelfde wijze begrepen worden. Het duidt zonder enige twijfel de goddelijke pre-existentie aan van het Woord - de Zoon (wij spraken hierover in de vorige catechese), maar het herinnert tevens aan de vervulling van de profetie van Jesaja over de Emanuel, de "God-met-ons". "IK BEN" betekent dus ook - zowel in het Johannesevangelie als in de synoptische evangelies - "Ik ben met u" (Mt. 28, 20). "Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen" (Joh. 16, 28) "om te zoeken en te redden wat verloren was" (Lc. 19, 10). De waarheid over het heil (de soteriologie), die we al vinden in het Oude Testament in de openbaring van de Naam van God, wordt opnieuw en ten volle uitgedrukt en bevestigd door de zelfopenbaring van God in Jezus Christus. Juist in die zin is de Mensenzoon waarlijk God: Zoon, één in wezen met de Vader, die "met ons" wilde zijn om ons te redden.
Die voorafgaande beschouwingen dienen wij voortdurend voor ogen te houden, wanneer wij uit het Evangelie alles willen halen wat verband houdt met de Godheid van Christus. Hier volgen enkele passages uit de evangelies die in dat licht belangrijk zijn. Vooral het laatste gesprek van de Heer met de apostelen daags vóór zijn lijden, wanneer Hij hun spreekt van het "huis van de Vader", waar Hij hun een plaats gaat bereiden (Joh. 14, 1-3). Als Thomas Hem naar de weg vraagt, antwoordt Jezus: "Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven". Jezus is de weg, omdat niemand tot de Vader komt tenzij door Hem Vgl. Joh. 14, 6 . En ook: "Wie Mij ziet, ziet de Vader" (Joh. 14, 9). "Gelooft ge niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is?" (Joh. 14, 10).

Het is vrij gemakkelijk er zich rekenschap van de geven, dat in zulke context zichzelf "waarheid" en "leven" noemen, gelijk staat met aan zichzelf de eigenschappen toe te schrijven die het goddelijk Wezen toebehoren, namelijk Zijn-Waarheid en Zijn-Leven.

De volgende dag zal Jezus aan Pilatus zeggen: "Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de waarheid" (Joh. 18, 37). Het getuigenis van de waarheid kan worden afgelegd door de mens, maar "de waarheid zijn" is een uitsluitend goddelijke eigenschap. Als Jezus, waarlijk mens als Hij is, van de waarheid getuigt, dan heeft dat getuigenis zijn bron in het feit dat Hij zelf "de waarheid" is in de waarheid van God zelf. Daarom kan Hij verklaren dat Hij "het licht der wereld" is; zo zal wie Hem volgt "niet ronddwalen in de duisternis, maar het licht van het leven bezitten" (Joh. 8, 12).

Dat geldt eveneens voor dat andere woord van Jezus: "Ik ben het leven" (Joh. 14, 6). De mens, die een schepsel is, kan het leven "hebben", hij kan het ook "geven", zoals Christus zijn leven heeft gegeven voor de redding van de wereld (Mc. 10, 45). Als Jezus het heeft over "zijn leven geven", drukt Hij zich uit als waarlijk Mens. Maar Hij "is" het leven, omdat Hij waarlijk God is. Hij verklaart dat alvorens Lazarus uit de dood te doen opstaan, als Hij tot Marta, de zus van de overledene, zegt: "Ik ben de verrijzenis en het leven" (Joh. 11, 25). In de verrijzenis bevestigt Hij dat het leven, dat Hij bezit als de Mensenzoon, niet onderworpen is aan de dood. Want Hij is het leven en dus God. En daar Hij het leven is, kan Hij er ook anderen in laten delen; "Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven" (Joh 11,25). Aldus kan Christus - in de Eucharistie - "het brood des levens" worden (Joh. 6, 35-48), "het levende brood dat uit de hemel is neergedaald" (Joh. 6, 51). In die zin ook vergelijkt Jezus zichzelf met de wijnstok, die leven doorgeeft aan de ranken die erop groeien (Joh. 15, 1), d.w.z. aan al wie lidmaat zijn van zijn mystiek Lichaam.

Aan die zo doorzichtige uitdrukkingen over het mysterie van de Godheid, verborgen in de Mensenzoon, kunnen wij er andere toevoegen, waarin dezelfde gedachte wordt uitgedrukt met beelden die al gangbaar waren in het Oude Testament en voornamelijk bij de profeten, en die Jezus op zichzelf toepast.

Dat is o.m. het geval met het beeld van de Goede Herder. De parabel van de Goede Herder, waarin Jezus het over zichzelf heeft en over zijn heilszending, is bekend. "Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen" (Joh. 10, 11). In het boek Ezechiël lezen we: "Want, zegt Jahwe de Heer, Ik zal zelf omzien naar mijn schapen Ik zal zelf mijn schapen weiden Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken Ik zal ze weiden zoals het hoort" (Ez. 34, 11.15-16). "Gij toch zijt mijn schapen, gij zijt de schapen die Ik weid; gij zijt mijn mensen en Ik ben uw God" (Ez. 34, 31). Een gelijkaardig beeld vinden we bij Jeremia 23, 3 Vgl. Jer. 23, 3

Als Christus over zichzelf spreekt als de Goede Herder, verduidelijkt Hij zijn zending als Verlosser ("Ik geef mijn leven voor mijn schapen") ; en zich richtend tot zijn toehoorders die vertrouwd waren met de profetieën van Ezechiël en Jeremia, geeft Hij hun duidelijk te kennen dat Hij dezelfde is als degene die in het Oude Testament over zichzelf sprak als een zorgzame herder: "Ik ben uw God" (Ez. 34, 31).

In het Oude Verbond spreekt God bij monde van de profeten ook over zichzelf als de bruidegom van Israël, zijn volk. "Want Hij die u gemaakt heeft is uw man, Jahwe van de machten is zijn naam, en uw Verlosser is de Heilige van Israël (Jes. 54, 5) Vgl. Hos. 2, 21-22 . Jezus maakt in zijn onderricht dikwijls allusie op die gelijkenis Vgl. Mc. 2, 19-20 Vgl. Mt. 25, 1.12 Vgl. Lc. 12, 36 Vgl. Joh. 3, 27-29 . Paulus zal er verder over uitweiden, als hij in zijn brieven Christus voorstelt als de Bruidegom van de Kerk (Ef. 5, 25.29).

Al deze en andere wijzen van spreken die Jezus in zijn onderricht gebruikte, krijgen hun volle betekenis als wij ze herlezen in verband met wat Hij zei en deed. Het zijn "thematische gegevens" die, in de cyclus van catechesen over Jezus Christus, altijd beschouwd dienen te worden in hun verband met al de andere overwegingen over de Godmens.

Christus, waarlijk God en waarlijk mens. "IK BEN, als Naam van God, duidt het goddelijk Wezen aan wiens eigenschappen zijn: de Waarheid, het Licht en het Leven. Dat wordt ook weergegeven in de beelden van de Goede Herder en van de Bruidegom. Hij die van zichzelf zei; "Ik ben die is" maakte zich ook kenbaar als de God van het Verbond, als de Schepper en de Redder, als Emanuel; God die redt. Dat alles vindt zijn bevestiging en verwezenlijking in de Menswording van Christus.

Document

Naam: "IK BEN DE WEG, DE WAARHEID EN HET LEVEN"
39e catechese in deze reeks
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 9 september 1987
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 19 november 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam