• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE VERENIGDE NATIES, NEW YORK

{in het Frans}

Mijnheer President,
dames en heren.

Bij het begin van mijn toespraak tot de Vergadering wil ik eerst mijn hartelijke dank uitspreken voor uw vriendelijke woorden, mijnheer President. Mijn dank gaat ook uit naar de secretaris-generaal, Mr. Ban Ki-moon, voor de uitnodig om het hoofdkwartier van deze Organisatie te bezoeken en voor de ontvangst die mij gegeven wordt. Ik groet alle ambassadeurs en diplomaten van de lidstaten en aan allen hier aanwezig. Via u groet ik de mensen die door u vertegenwoordigd worden. Zij kijken naar dit instituut om voort te gaan op de inspiratie van haar oprichters om te komen tot "een centrum voor harmonisering van de acties van de naties om de gemeenschappelijke doelen te bereiken" van vrede en ontwikkeling Vgl. Verenigde Naties, Handvest van de Verenigde Naties (10 jan 1946). art. 1.2 - 1.4. Toen Paus Johannes Paulus II in 1995 tot uitdrukking bracht dat de Organisatie "steeds meer uit moet groeien tot een intellectueel centrum, waarin alle naties van de wereld zich thuis voelen en hun gemeenschappelijk bewustzijn ontplooien, om zogezegd een 'familie der naties' te zijn" H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, De mensheid heeft moed nodig voor de toekomst, Voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de wereldorganisatie (5 okt 1995), 14.

Door de Verenigde Naties hebben de staten universele doelen vastgelegd. Ook al stemmen die niet volledig overeen met het totale algemeen belang van de mensenfamilie, ze zijn er ongetwijfeld een wezenlijk deel van. De grondprincipes van de instelling zijn: het verlangen naar vrede, het streven naar gerechtigheid, respect voor de waardigheid van elke persoon en de humanitaire samenwerking en hulp. Ze zijn uitdrukking van de aspiraties van de menselijke geest en vormen de idealen die de internationale betrekkingen moeten dragen.

Zoals mijn voorgangers paus Paulus VI en paus Johannes Paulus II hier opgemerkt hebben, hoort dit alles tot datgene wat de katholieke Kerk en de Heilige Stoel nauwlettend en met interesse volgen. De Kerk ziet in het optreden van de VN hoe problemen en conflicten met betrekking tot de internationale gemeenschap onderwerp van gemeenschappelijke regelgeving kunnen worden. De VN belichamen de pretentie van een ‘hogere mate van internationale orde’ H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 43
, en laten zich inspireren door het principe van subsidiariteit. Ze zijn in staat antwoord te geven op de behoefte van de mensenfamilie aan bindende internationale regels en structuren die de ontplooiing van het dagelijks leven van de volkeren in harmonie brengt. Dit is des te noodzakelijker nu we leven in een tijd met de paradox van een multilaterale consensus die van de beslissing van enkelen afhankelijk is, terwijl de problemen in de wereld de internationale gemeenschap oproepen tot collectief handelen.

Inderdaad, de vragen over veiligheid, ontwikkelingsdoelen, reductie van plaatselijke en wereldwijde ongelijkheden, bescherming van het milieu, van de bronnen en van het klimaat, vragen alle internationale leiders gemeenschappelijk te acteren en te laten zien dat men bereid is in goed vertrouwen te werken, met respect voor de wet en de solidariteit te bevorderen met de zwakste regio's van de planeet. Ik denk in het bijzonder aan die landen in Afrika en andere delen van de wereld die in de marge blijven van de authentieke integrale ontwikkeling en zijn daarom in gevaar alleen de negatieve effecten te ervaren van de globalisatie. In het kader van internationale betrekkingen is het nodig de rol te erkennen die overkoepelende regels en structuren spelen, die opgesteld zijn op basis van de verlangens van het algemeen belang en dus de bescherming van de menselijke vrijheid dienen. Deze orde perkt de vrijheid niet in. Zij bevordert ze integendeel juist omdat ze gedrag en actie verbieden die zich richten tegen het algemeen belang en daardoor de waarde van elke persoon zouden kunnen doorkruisen. Op dit punt richten wij onze aandacht op de manier waarop resultaten van wetenschappelijk onderzoek en technologische ontwikkeling soms gebruikt worden. Ondanks de enorme voordelen die ze de mensheid kunnen verschaffen, zijn ze in enkele gevallen een duidelijke aanval op de orde van de schepping. En dit zodanig dat niet alleen het heilig karakter van het leven weersproken wordt, maar ook de menselijke persoon en het gezin van hun natuurlijke identiteit beroofd worden. Op een zelfde manier is internationale actie nodig om het milieu te bewaren en de diverse vormen van leven op aarde te beschermen. Daarvoor is niet alleen een garantie van een redelijk gebruik van technologie en wetenschap nodig, maar moet ook het authentieke beeld van de schepping herontdekt worden. Dit verlangt nooit een keuze te maken tussen wetenschap en ethiek: eerder is het een kwestie van het aannemen van een wetenschappelijke methode dat werkelijk respectvol is voor de ethische imperatieven.
Erkenning van de eenheid van de menselijke familie en de aandacht voor aangeboren waardigheid van iedere man en vrouw, vindt tegenwoordig nieuwe aandacht in het principe van de veranwtoordelijkheid tot bescherming. Eigenlijk sinds kort is dit vastgesteld, maar het was al impliciet aanwezig bij het begin van de Verenigde Staten en is nu steeds meer het karakter van haar activiteiten. Iedere staat heeft een primaire taak om de eigen bevolking te beschermen voor de grove en blijvende schendingen van de rechten van de mens, zowel als de gevolgen van de humanitaire crises, of deze nu veroorzaakt zijn door de natuur of door de mens zelf. Als een staat een dergelijke bescherming niet kan geven, moet de internationale gemeenschap ingrijpen. En wel met de juridische middelen die in het Verenigde Naties
Handvest van de Verenigde Naties (10 januari 1946)
en in andere internationale verdragen daarvoor vastgesteld zijn. De actie van de internationale gemeenschap en zijn instituties, vooropgesteld dat die de principes van de internationale orde respecteert, mag nooit geïnterpreteerd worden als een onrechtvaardige actie of een inperking van de soevereiniteit. Het is integendeel onverschilligheid of het nalaten van ingrijpen dat de werkelijke schade veroorzaakt. Een diepere zoektocht is nodig naar manieren om vooraf conflicten te benaderen, door elke diplomatieke mogelijkheid en het minste teken van dialoog of verzoening te onderzoeken.
Het beginsel van de ‘plicht om te beschermen’ werd door het oude ius gentium beschouwd als de basis van elke stap van bestuurders met betrekking tot de bestuurden. In de tijd dat het idee van nationale soevereine staten nog in eerste ontwikkeling was, beschreef de dominicaner monnik Francisco de Vitoria, terecht beschouwd als voorbode van de idee van de Verenigde Naties, deze plicht als een aspect van de natuurlijke rede die door alle volkeren wordt gedeeld, en als resultaat van een internationale orde die de betrekkingen tussen volkeren reguleert. Nu, net als toen, moet dit beginsel de idee oproepen van de persoon als beeld van de Schepper, zijn verlangen naar het Absolute en het wezen van de vrijheid. De oprichting van de Verenigde Naties viel zoals bekend samen met de ingrijpende omwentelingen die de mensheid beleefde, toen verwijzing naar de betekenis van het transcendente en de natuurlijke rede werden verlaten, en als gevolg de vrijheid en de menselijke waardigheid grof werden geschonden. Als dat gebeurt, bedreigt het de objectieve fundamenten van de waarden die de internationale orde inspireren en bepalen, en ondermijnt het de overtuigende en onschendbare beginselen geformuleerd en vastgelegd door de Verenigde Naties. Bij nieuwe en aanhoudende instigaties is het fout om terug te vallen op een pragmatische benadering die beperkt is tot het bepalen van een ‘gemeenschappelijke basis’, minimaal qua inhoud en zwak qua effect.
Deze verwijzing naar de menselijke waardigheid, die de basis en het doel is van de plicht om te beschermen, brengt ons bij het thema waarop we ons dit jaar speciaal richten, dat de zestigste verjaardag markeert van de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
. Dat document was de uitkomst van het samenkomen van verschillende religieuze en culturele tradities, allemaal gedreven door de gemeenschappelijke wens om de menselijke persoon te plaatsen in het hart van de instellingen, wetgeving en dynamiek van de samenleving, en de menselijke persoon als wezenlijk te beschouwen voor de wereld van cultuur, religie en wetenschap. De mensenrechten worden steeds meer als gemeenschappelijke taal en ethische voedingsbodem voor internationale betrekkingen gezien. Tegelijkertijd dienen de universaliteit, ondeelbaarheid en onafhankelijkheid van de mensenrechten als garantie voor de bescherming van de menselijke waardigheid. Het is duidelijk dat deze rechten, die in de Universele Verklaring erkend en vastgelegd zijn, voor alle mensen geldig zijn op grond van de gemeenschappelijke oorsprong van de mens als hoogtepunt van Gods scheppingsplan. Ze zijn gebaseerd op de natuurwet, die geschreven staat in elk mensenhart en in de meest verschillende culturen en beschavingen aanwezig is. De mensenrechten uit deze samenhang los te weken, zou betekenen dat hun reikwijdte beperkt wordt en een relativistische opvatting gaat overheersen. Daardoor zouden de betekenis en interpretatie van de rechten kunnen variëren en zou hun universaliteit in naam van de verschillende culturele, politieke, sociale en religieuze levensbeschouwingen ontkend worden. We moeten deze grote variëteit van gezichtspunten niet het feit laten verdoezelen, dat niet alleen rechten universeel zijn, maar de menselijke persoon, het onderwerp van deze rechten, evenzo.

{in het Engels}

Het leven van de gemeenschap, zowel nationaal als internationaal, laat duidelijk zien dat respect voor rechten, en de garanties die daaruit volgen, maatstaven zijn voor het algemeen belang. Namelijk ter beoordeling van de verhouding tussen recht en onrecht, ontwikkeling en armoede, veiligheid en conflict. Bevordering van de mensenrechten blijft de meest effectieve strategie voor het elimineren van ongelijkheden tussen landen en sociale groepen, en voor de toename van veiligheid. In feite worden de slachtoffers van ontbering en wanhoop, wier menselijke waardigheid straffeloos wordt geschonden, een gemakkelijke prooi van de roep om geweld, en kunnen zij dan tot schenders van de vrede worden. Het algemeen belang dat de mensenrechten helpen dienen, kan echter niet worden bereikt door correcte procedures te hanteren, zelfs niet door een balans te vinden tussen concurrerende rechten. De verdienste van de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
is, dat het verschillende culturen, juridische terminologieën en institutionele modellen in staat heeft gesteld elkaar te vinden rond een fundamentele kern van waarden en daarmee ook van rechten. Vandaag echter moeten de inspanningen worden verdubbeld, gezien de druk op herinterpretatie van de fundamenten van de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
en op aantasting van haar innerlijke eenheid. Druk om een stap mogelijk te maken weg van de bescherming van de menselijke waardigheid en in de richting van bevrediging van enkelvoudige, vaak particuliere, belangen. De Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
werd aangenomen als een “gemeenschappelijke norm voor succes”. Verenigde Naties, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 dec 1948). Preamble Zij kan niet fragmentarisch worden toegepast aan de hand van trends of selectieve keuzes, die alleen maar dreigen te botsen met de integriteit en dus de ondeelbaarheid van mensenrechten.

De ervaring laat zien dat legaliteit vaak prevaleert boven gerechtigheid, wanneer door de druk op rechten ze het exclusieve resultaat lijken van wettelijke bepalingen of normatieve beslissingen van verschillende instellingen of machthebbers. Als rechten alleen in wetstermen worden gepresenteerd, dreigen ze tot zwakke beweringen te worden, losgemaakt van de ethische en rationele dimensie die eraan ten grondslag ligt en die hun doel vormt. Beter gezegd, de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
, heeft de overtuiging versterkt dat respect voor mensenrechten principieel geworteld is in onveranderlijke gerechtigheid, waarop de bindende kracht van internationale bepalingen tevens is gebaseerd. Dit aspect wordt vaak over het hoofd gezien, wanneer geprobeerd wordt rechten van hun ware functie te ontdoen uit het oogpunt van eng utilitarisme. Rechten en de daaruit voortvloeiende plichten ontstaan op natuurlijke wijze uit menselijke interactie. Daarom wordt gemakkelijk vergeten, dat zij de vrucht zijn van een gemeenschappelijk bestaand gevoel voor rechtvaardigheid. Dat gevoel stoelt primair op solidariteit onder de leden van de maatschappij en geldt daarmee in alle tijden en voor alle volkeren. Deze intuïtie werd al verwoord in de vijfde eeuw door Augustinus van Hippo, een van de grondleggers van ons intellectuele erfgoed. Hij leerde dat het gezegde: Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet dat ook een ander niet “op geen enkele manier kan variëren naar de verschillen in inzichten die in de wereld zijn ontstaan” H. Augustinus, De doctrina Christiana. III, 14. Mensenrechten moeten dan ook worden gerespecteerd als uitdrukking van gerechtigheid, en niet alleen omdat ze zijn af te dwingen door de wil van de wetgevers.

Dames en heren,

Terwijl de geschiedenis voortschrijdt ontstaan nieuwe situaties en wordt geprobeerd ze met nieuwe rechten te verbinden. Het onderscheidingsvermogen, dat wil zeggen om goed van kwaad te onderscheiden, wordt nog essentiëler rond eisen die echt het leven en gedrag van personen, gemeenschappen en volkeren betreffen. Bij de aanpak van het thema rechten, nu belangrijke situaties en diepe werkelijkheden aan de orde zijn, is de deugd des onderscheids zowel onmisbaar als ook vruchtbaar.

Dit onderscheid laat dan zien, dat het uitsluitend toevertrouwen aan individuele staten – met hun wetten en instellingen – van de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de vervulling van de verlangens van personen, gemeenschappen en hele volkeren, soms gevolgen kan hebben, die de mogelijkheid van een sociale orde met respect voor de waardigheid en rechten van de persoon uitsluiten. Daartegenover kan een visie die stevig verankerd is in de religieuze dimensie hier helpen, aangezien erkenning van de transcendente waarde van elke man en vrouw de bekering bevordert van het hart, die dan leidt tot actief verzet tegen geweld, terrorisme en oorlog, en tot actieve bevordering van gerechtigheid en vrede. Dit biedt ook de passende context voor de interreligieuze dialoog die de Verenigde Naties gevraagd is te ondersteunen, zoals zij ook de dialoog op andere terreinen van menselijke activiteit ondersteunen. Dialoog zou moeten worden erkend als het middel waardoor de verschillende geledingen van de maatschappij hun visie kunnen uiten en consensus kunnen vormen over de waarheid omtrent bepaalde waarden en doelstellingen. Het hoort bij de aard van religies, vrij beoefend, dat zij zelfstandig een dialoog over denken en leven kunnen voeren. Als ook op dit niveau de sfeer van de religie gescheiden wordt gehouden van de politieke activiteiten, vloeien daar grote voordelen uit voort voor individuen en gemeenschappen. Anderzijds kunnen de Verenigde Naties rekenen op de resultaten van interreligieuze dialoog, en vruchten plukken van de bereidheid van gelovigen om hun ervaringen in dienst te stellen van het algemeen belang. Het is hun taak om een visie op geloof voor te stellen, niet in termen van intolerantie, discriminatie en conflict, maar in termen van volledig respect voor de waarheid, co-existentie, rechten en verzoening.

Tot de mensenrechten behoort natuurlijk ook het recht op godsdienstvrijheid, opgevat als de uitdrukking van een tegelijkertijd individuele en gemeenschapsdimensie, een visie die de eenheid van de persoon benadrukt en daarbij duidelijk onderscheid maakt tussen de dimensie van de burger van die van de gelovige. Het optreden van de Verenigde Naties heeft de afgelopen jaren veilig gesteld, dat het publieke debat ruimte geeft aan gezichtspunten die door een religieuze visie worden geïnspireerd in al zijn dimensies, zoals rituelen, eredienst, onderwijs, informatieverspreiding en de vrijheid van belijdenis en keuze van religie. Het is dan ondenkbaar, dat gelovigen een deel van zichzelf zouden moeten onderdrukken – hun geloof – om actieve burgers te kunnen worden. Het zou nooit nodig moeten zijn God te ontkennen om zijn rechten te kunnen genieten. De rechten die samenhangen met religie hebben zelfs meer bescherming nodig, wanneer ze worden beschouwd als strijdig met de heersende wereldlijke ideologie of met religieuze meerderheidsstandpunten van exclusieve aard. De volledige garantie van godsdienstvrijheid kan niet worden beperkt tot vrije beoefening van de eredienst, maar moet ook de publieke dimensie van godsdienst in de beschouwing betrekken, en dan ook de mogelijkheid van gelovigen om hun taak te vervullen bij de opbouw van de sociale orde. Ze doen dat in feite ook, bijvoorbeeld door hun invloedrijke en belangeloze betrokkenheid bij een uitgebreid netwerk van initiatieven, dat zich uitstrekt van universiteiten, wetenschappelijke instellingen en scholen, tot zorginstellingen en liefdadigheidsorganisaties in dienst voor de armsten en meest uitgeslotenen. Weigering om de bijdrage aan de maatschappij te erkennen, die wortelt in de religieuze dimensie en de zoektocht naar de Absolute – die naar zijn aard eenheid tussen personen uitdrukt – zou feitelijk een individualistische benadering bevoorrechten en de eenheid van de persoon verbreken.
Mijn aanwezigheid in deze Assemblee is een teken van achting voor de Verenigde Naties, en wil de hoop uitdrukken dat de Organisatie steeds meer zal fungeren als teken van eenheid tussen staten en instrument ten dienste van de hele mensenfamilie. Het laat ook de bereidheid van de katholieke Kerk zien om haar eigen bijdrage te leveren aan de opbouw van internationale betrekkingen, en wel zo, dat elke persoon en elk volk het gevoel heeft dat zij iets kunnen veranderen. Op een manier die consistent is met haar bijdrage op ethisch en moreel gebied en de vrije activiteit van haar gelovigen, werkt de Kerk ook aan de realisering van deze doelstellingen via de internationale activiteit van de Heilige Stoel. In feite heeft de Heilige Stoel altijd een plaats gehad op de vergaderingen van de Volkeren en daarbij haar specifieke karakter getoond als een onderwerp in het internationale domein. Zoals de Verenigde Naties onlangs hebben bevestigd, levert de Heilige Stoel daarbij haar bijdrage volgens de beschikkingen van het internationale recht, helpt dat te formuleren en doet er een beroep op.

De Verenigde Naties blijven een bevoorrechte plaats, waarin de Kerk haar best doet haar ervaring van humaniteit in te brengen, die zij eeuwenlang onder de volken van alle rassen en culturen opgedaan heeft. Die wil ze aan alle leden van de internationale gemeenschap ter beschikking stellen. Deze ervaring en inzet, gericht op het bereiken van vrijheid voor iedere gelovige, zoekt ook de toename van bescherming die gegeven wordt aan de rechten van de persoon. Deze rechten worden geschraagd en gevormd door de transcendente natuur van de persoon, welke het mannen en vrouwen mogelijk maakt om door te gaan op hun reis van geloof en hun zoektocht naar God in deze wereld. Erkenning van deze dimensie moet worden versterkt, willen we ‘s mensen hoop op een betere wereld ondersteunen, en de voorwaarden scheppen voor vrede, ontwikkeling, samenwerking en de garantie van rechten voor toekomstige generaties.

In mijn recente Encycliek Paus Benedictus XVI - Encycliek
Spe Salvi
Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop
(30 november 2007)
gaf ik aan, dat “iedere generatie opnieuw de plicht heeft te strijden voor de juiste ordening van de menselijke zaken”.6 Voor christenen wordt deze taak gemotiveerd door de hoop uit het verlossingswerk van Jezus Christus. Daarom is de Kerk blij verbonden te zijn met het werk van deze illustere Organisatie, belast met de verantwoordelijkheid om vrede en goede wil te bevorderen over heel de aarde. Dierbare vrienden, ik dank u voor deze gelegenheid mij vandaag tot u te kunnen richten, en ik beloof u de ondersteuning van mijn gebeden bij uw inzet voor de nobele taak.

Voor ik deze illustere Assemblee verlaat, zou ik graag alle volkeren hier vertegenwoordigd willen groeten in de officiële talen.

{in English; in French; in Spanish; in Arab; in Chinese; in Russian:} Peace and Prosperity with God's help!

Document

Naam: TOT DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE VERENIGDE NATIES, NEW YORK
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 18 april 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana / SRKK, Utrecht
Vertaling: H. Lohman M.A.
Bewerkt: 26 maart 2015

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam