• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

JEZUS CHRISTUS, WAARACHTIG GOD EN WAARACHTIG MENS
37e catechese in deze reeks

"Ik geloof in Jezus Christus, zijn enige Zoon (nl. van God de Vader), onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de Maagd Maria". De cyclus van de catechese over Jezus Christus, zoals wij die hier ontwikkelen, verwijst voortdurend naar de waarheid die vervat ligt in de zopas geciteerde woorden van de Twaalf Artikelen van het Geloof. Ze houden ons Christus voor als waarlijk God - Zoon van de Vader - en tegelijk waarlijk mens - de Zoon van de Maagd Maria. De voorgaande catecheses hebben voor ons het benaderen van deze fundamentele geloofswaarheid vergemakkelijkt. Nu moeten we dieper ingaan op de wezenlijke betekenis ervan; we moeten nagaan wat het precies wil zeggen: "waarlijk God" en "waarlijk mens". Die werkelijkheid wordt duidelijk voor de ogen van ons geloof, dank zij de zelfopenbaring van God in Jezus Christus. Als wij er rekening mee houden dat deze waarheid - evenals elke andere geopenbaarde waarheid - alleen op de juiste wijze kan worden aanvaard dank zij het geloof, dan is er hier sprake van het "rationale obsequium fidei", de redelijke onderwerping aan het geloof. De volgende catechesen, die zullen handelen over het mysterie van de Godmens, willen dit geloof bevorderen.

Eerder al hebben we de aandacht erop gevestigd, dat Jezus dikwijls over zichzelf sprak als over "de Mensenzoon" Vgl. Mt. 16, 28 Vgl. Mc. 2, 28 . Die titel komt uit de messiaanse traditie van het Oude Testament, en tegelijk hangt hij samen met die pedagogie van het geloof, die Christus ook zelf graag toepaste. Hij verlangde dat zijn leerlingen en zijn toehoorders uit eigen beweging tot de ontdekking konden komen, dat "de Mensenzoon" tegelijk ook waarlijk de Zoon van God is. Wij vinden daarvan een bijzonder betekenisvol voorbeeld in de belijdenis van Simon Petrus in de streek van Cesarea Filippi; wij spraken daar reeds over in vroegere catechesen. Door zijn vragen lokte Jezus de apostelen uit hun tent, en wanneer Petrus er dan toe komt, openlijk Jezus' goddelijke identiteit te erkennen, bevestigt Jezus onmiddellijk dat getuigenis en zegt: "Zalig zijt gij, Petrus, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is" (Mt. 16, 17). Het is de Vader die getuigenis aflegt over zijn Zoon, want "niemand kent de Zoon tenzij de Vader" (Mt. 11, 27).

Ondanks de terughoudendheid die Jezus bij de toepassing van het zopas vermelde pedagogische principe aan de dag legde, werd de waarheid van zijn goddelijk Zoon schap toch geleidelijk duidelijker op basis van hetgeen Hij zei en vooral van hetgeen Hij deed. Maar waar deze waarheid voor de enen een geloofspunt was, werd zij voor anderen een bron van verzet en aanklacht. Dat zien we op beslissende wijze gebeuren tijdens het proces voor het Sanhedrin. Zoals het Marcusevangelie verhaalt, "stelde de Hogepriester Hem nog een vraag: 'Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?' Jezus antwoordde: 'Ja, dat ben Ik; en ge zult de Mensenzoon zien zitten aan de rechterhand van de Macht en komen met de wolken des hemels" (Mc. 14, 61-62). In het evangelie van Lucas luidt de vraag: "Gij zijt dus de Zoon van God?" En Jezus antwoordde hem: "Gij hebt het gezegd: dat ben Ik" (Lc. 22, 70).

De reacties van de aanwezigen zijn eensluidend: "Hij heeft God gelasterd! ... Gij hebt nu toch de godslastering gehoord! ... Hij verdient de doodstraf" (Mt. 26, 65-66). Die beschuldiging is eigenlijk het gevolg van een letterlijke interpretatie van de Oude wet.

Zo lezen we in het boek Leviticus: "Wie de naam van Jahwe vervloekt, moet ter dood gebracht worden" (Lev. 24, 16). Jezus van Nazaret heeft in hun ogen een godslastering uitgesproken, door in het bijzijn van de officiële vertegenwoordigers van het Oude Testament te verklaren dat Hij de Zoon van God is. Hij is dus de dood schuldig; en op de veroordeling volgt niet de steniging volgens de oudtestamentische wet, maar de kruisiging volgens de Romeinse wetgeving. Zichzelf "Zoon van God" noemen staat gelijk met "zichzelf tot God maken" (Joh. 10, 33) en dat verwekte een fanatiek protest vanwege de verdedigers van het monotheïsme van het Oude Testament.

In het proces tegen Jezus werden uiteindelijk de vroegere ernstige bedreigingen hard gemaakt. In de evangelies, vooral in dat van Johannes, kan men herhaaldelijk lezen, dat Jezus' toehoorders Hem wilden stenigen, wanneer ze Hem dingen hoorden zeggen die in hun oren godslasterlijk klonken. Zo meenden zij bijv. godslastering te horen in Jezus' woorden over de Goede Herder Vgl. Joh. 10, 27-29 en in de conclusie die Hij eruit trok: "Ik en de Vader, Wij zijn één" (Joh. 10, 30). Het evangelie gaat dan aldus voort: "Weer raapten de Joden stenen op om Hem te stenigen. Maar Jezus zei hun: 'Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen?' De Joden gaven Hem ten antwoord: 'Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt" (Joh. 10, 31-33).

Andere woorden van Jezus lokten dezelfde reacties uit, bijvoorbeeld het volgende: "Voor Abraham werd, BEN IK" (Joh. 8, 58). Hier staan we voor eenzelfde vraag en eenzelfde beschuldiging: "Voor wie houdt Gij Uzelf wel?" En het antwoord lokte ook weer de bedreiging uit Hem te stenigen (Joh. 8, 59).

Het is dus wel duidelijk dat, ofschoon Jezus over zichzelf vooral sprak als over de "Mensenzoon", het geheel van zijn optreden en onderricht er toch van getuigt, dat Hij de Zoon van God is in de letterlijke betekenis van het woord, d.w.z. dat Hij eenzelfde wezen is als de Vader en bijgevolg dat Hij God is zoals de Vader. Dat volgehouden getuigenis heeft enerzijds tot gevolg, dat Hij door sommigen werd erkend en beluisterd: "Velen gingen in Hem geloven" Vgl. Joh. 8, 30 , en anderzijds dat Hij bij anderen op een radicaal verzet stuitte, zelfs op de beschuldiging van godslastering, en dat bracht hen ertoe de toepassing te eisen van de straf die het Oude Testament voor godslasteraars voorzag.

Onder Jezus' uitspraken over dat onderwerp heeft de verklaring: "IK BEN", een bijzondere betekenis. De samenhang waarin Jezus ze uitspreekt, toont aan dat Jezus hier herinnert aan het antwoord dat God gaf aan Mozes, toen deze Hem naar zijn naam vroeg: "Ik ben die is". Vervolgens zei Hij tot Mozes: "Dit moet gij aan de Israëlieten zeggen: Hij-is zendt mij tot u" (Ex. 3, 14). Welnu, Christus gebruikt dezelfde uitdrukking "Ik ben" in bijzonder belangrijke omstandigheden. Wij maakten al allusie op de uitspraak over Abraham: "Vóór Abraham werd, BEN IK"; maar die staat niet alleen. Zo verklaarde Hij bijv. nog: "Als gij niet gelooft dat IK BEN, zult gij in uw zonden sterven" (Joh. 8, 24). Ook zei Hij: "Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij zien dat IK BEN" (Joh. 8, 28). En nog: "Nu reeds zeg Ik het u, voordat het gebeurt, opdat gij wanneer het gebeurt, zult geloven dat IK BEN" (Joh. 13, 10).

Dit "IK BEN" komen we ook tegen in de synoptische evangelies Vgl. Mt. 28, 20 Vgl. Lc. 24, 29 . Maar het is vooral in de hierboven geciteerde teksten, dat het gebruik van de Naam van God zoals die voorkomt in het boek Exodus, zeer duidelijk en krachtig naar voren komt. Christus spreekt over zijn paasverheerlijking door het Kruis en de Verrijzenis: "Dan zult gij geloven dat IK BEN". Dat betekent: dan zal tenvolle geopenbaard worden dat Ik degene ben aan wie de naam van God toekomt. Door die uitdrukking geeft Jezus dus aan dat Hij waarlijk God is. En vóór zijn lijden bidt Hij tot de Vader met deze woorden: "Al het mijne is van U en het uwe is van Mij" (Joh. 17, 10). Dat is een andere manier om te zeggen: "Ik en de Vader, Wij zijn één" (Joh. 10, 30).

Staande voor Christus, het Woord van God, verenigen wij ons eveneens met Petrus en herhalen met eenzelfde vreugde: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!" (Mt. 16, 16).

Document

Naam: JEZUS CHRISTUS, WAARACHTIG GOD EN WAARACHTIG MENS
37e catechese in deze reeks
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 26 augustus 1987
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam