• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

ELKAAR DE VOETEN WASSEN IN DE ZIN DAT WE ELKAAR TELKENS WEER VERGEVEN
Avondmis van Witte Donderdag in de Pauselijke basiliek St. Jan van Lateranen, Rome
Viering van de Instelling van de H. Eucharistie, van het Sacrament van de Wijding en het gebod van de naasteliefde in de voetwassing

Beste broeders en zusters,

Sint Jan begint zijn verhaal over hoe Jezus de voeten van zijn leerlingen waste in een bijzonder plechtige, haast liturgische taal. "Het Paasfeest was op handen. Jezus die wist dat zijn uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan naar de Vader, en die de zijnen in de wereld bemind had, gaf hun een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe" (Joh. 13, 1). Gekomen is het "uur" van Jezus, waarop zijn werken van meet af aan gericht geweest was.

Waar dit uur in bestond, dat beschrijft Johannes met twee woorden: overgaan (metabainein, metabasis) en agapè – liefde. De twee woorden leggen elkaar uit. Beide beschrijven samen het Pasen van Jezus: kruis en verrijzenis, kruisiging als verheffing, als "overgang" naar de heerlijkheid van God, als een "overgaan" uit de wereld naar de Vader. Niet alsof Jezus na een kort bezoek aan de wereld, nu simpelweg weer vertrok en terugkeerde tot de Vader. De overgang is een omvorming, een "transformatie". Hij neemt zijn vlees, zijn mens-zijn mee. Op het kruis, in het geven van zichzelf, wordt Hij als het ware uitgegoten en omgevormd in een nieuwe zijnswijze, waarin Hij altijd bij de Vader is en tegelijkertijd bij de mensen. Hij vormt het Kruis, de handeling waarin Hij gedood wordt, om tot een act van geven, van liefde tot het uiterste.

Met deze uitdrukking "tot het uiterste" anticipeert Johannes op het laatste woord van Jezus aan het Kruis: alles is voltooid, "is volbracht" (Joh. 19, 30). Door zijn liefde wordt het Kruis metabasis, omvorming van het mens-zijn in het deelgenoot zijn aan de heerlijkheid Gods. In deze omvorming betrekt Hij ons allen, ons meetrekkend in de omvormende kracht van zijn liefde tot aan het punt dat, in ons zijn met Hem, ons leven "overgang" wordt, omvorming. Zo ontvangen wij de verlossing – het deelgenoot zijn aan de eeuwige liefde -, een toestand waarnaar wij met heel ons bestaan verlangen.

Dit voor het uur van Jezus essentiële proces wordt in de voetwassing verbeeld in een soort van symbolische profetenhandeling. Daarin maakt Jezus in een concreet gebaar precies duidelijk wat de grote christologische hymne van de Brief aan de Filippenzen beschrijft als de inhoud van het Christusmysterie. Jezus legt de kleren van zijn heerlijkheid af, omgordt zich met de "doek" van zijn mensheid en wordt dienstknecht. Hij wast de vuile voeten van zijn leerlingen en stelt ze zo in staat deel te nemen aan het goddelijke feestmaal waar Hij ze voor uitnodigt. In plaats van de uitwendige cultuszuiveringen, die de mens ritueel zuiveren terwijl ze hem toch zo laten zoals hij is, komt een nieuw bad: Hij maakt ons zuiver door middel van zijn woord en zijn liefde, door middel van de gave van zichzelf. "Gij zijt al rein door het woord dat Ik u verkondigd heb", zal Hij tot zijn leerlingen zeggen in de toespraak over de wijnstok (Joh. 15, 3).

Telkens opnieuw wast Hij ons met zijn woord. Ja, als wij de woorden van Jezus tot ons nemen in een houding van meditatie, gebed en geloof, ontplooien zij in ons hun zuiverende kracht. Dagelijks worden wij als het ware overdekt met vuilnis in allerlei vormen, het vuil van lege woorden, van vooroordelen, van kortzichtige en bedorven wijsheid; een veelvoud aan halve of openlijke onwaarheden infiltreert aanhoudend ons binnenste. Dat alles verduistert en besmet onze ziel, en bedreigt ons met het onvermogen tot waarheid en goedheid. Als wij de woorden van Jezus met een aandachtig hart tot ons nemen, worden dat echte wassingen, echte zuiveringen van de ziel, van de innerlijke mens. Dit is het waartoe ons het Evangelie van de voetwassing uitnodigt: ons steeds weer opnieuw door dit zuivere water te laten wassen, ons capabel te laten maken tot de tafelgemeenschap met God en met de broeders.

Maar uit de zijde van Jezus stroomde na de lansstoot van de soldaat niet alleen water, maar ook bloed (Joh. 19, 34). Vgl. 1 Joh. 5, 6.8 Jezus heeft niet alleen gesproken, heeft ons niet alleen woorden nagelaten. Hij geeft Zichzelf. Hij wast ons met de heilige kracht van zijn Bloed, dat is met de gave van zichzelf "tot het uiterste toe", tot aan het Kruis. Zijn woord is meer dan gewoon spreken; het is vlees en bloed "voor het leven van de wereld" (Joh. 6, 51). In de heilige Sacramenten knielt de Heer steeds weer opnieuw aan onze voeten neer en zuivert Hij ons. Bidden wij Hem dat wij steeds dieper doordrongen raken van het heilig bad van zijn Liefde en zo waarachtig gezuiverd worden!

Als wij aandachtig naar het Evangelie luisteren, kunnen we in het gebeuren van de voetwassing twee verschillende aspecten ontdekken. De wassing die Jezus zijn leerlingen geeft is vóór alles eenvoudig zijn handeling – de gave van de zuiverheid, van het hun geschonken "bevattingsvermogen (capacità) voor God". Maar de gave wordt vervolgens een voorbeeld, de opdracht om voor elkaar hetzelfde te doen.

De Vaders hebben dit dubbele aspect van de voetwassing benoemd met de woorden sacramentum en exemplum. Sacramentum betekent in deze context niet een van de zeven Sacramenten, maar het mysterie van Christus in zijn geheel, van de incarnatie tot aan het kruis en de verrijzenis: dit geheel wordt de genezende en heiligende kracht, de omvormende kracht voor de mensen; het wordt onze metabasis, onze omvorming in een nieuwe vorm van zijn, in openheid voor God en in gemeenschap met Hem. Maar dit nieuwe zijn dat Hij, zonder onze verdienste, ons eenvoudigweg geeft, moet zich vervolgens in ons omvormen tot een dynamiek van nieuw leven.

Het geheel van gave en voorbeeld, dat wij in de perikoop van de voetwassing aantreffen, is kenmerkend voor de eigen aard van het Christendom in het algemeen. Het christendom is geen soort van moralisme, gewoon een ethisch systeem. Aan de oorsprong ligt niet ons doen, niet ons morele vermogen. Christendom is vóór gave: God geeft zich aan ons – Hij geeft niet iets maar zichzelf. En dit gebeurt niet alleen aan het begin, op het moment van onze bekering. Hij blijft voortdurend Degene die geeft. Steeds opnieuw schenkt Hij ons zijn gaven. Steeds is Hij ons vóór. Om deze reden is de centrale act van het christendom de Eucharistie: de dankbaarheid dat wij begenadigd zijn, de vreugde om het nieuwe leven dat Hij ons geeft.

Dat wil echter niet zeggen dat wij de passieve ontvangers zijn van de goedheid van God. God schenkt ons zijn genadegave als persoonlijke en levende partners. De geschonken liefde is de dynamiek van het "samen liefhebben", wil in ons nieuw leven worden vanuit God. Zo begrijpen wij het woord dat Jezus, aan het einde van het verhaal van de voetwassing tegen zijn leerlingen en tegen ons allemaal zegt: "Ik heb u een nieuw gebod gegeven: dat gij elkaar liefhebt; zoals Ik u heb liefgehad, zo moet gij elkaar liefhebben" (Joh. 13, 34). Het "nieuwe gebod" bestaat niet in een nieuwe en moeilijke norm die tot dan toe niet bestond. Het nieuwe is de gave die ons binnenvoert in de gezindheid van Christus. Als we dat overwegen, merken we hoe ver we dikwijls met ons leven verwijderd zijn van de nieuwheid van het Nieuwe Testament; hoe weinig we aan de mensheid het voorbeeld geven van lief te hebben in gemeenschap met zijn liefde. Zo blijven we hen het geloofwaardigheidsbewijs van de christelijke waarheid schuldig, dat in de liefde bestaat. Om deze reden willen we de Heer juist bidden ons door zijn zuivering rijp te maken voor het nieuwe gebod.

In het Evangelie van de voetwassing biedt het gesprek van Jezus met Petrus nog een ander detail van de praktijk van christelijk leven, waar we tenslotte aandacht aan willen besteden. In eerste instantie had Petrus zijn voeten niet door de Heer willen laten wassen: deze omkering van de orde, dat namelijk de meester – Jezus – de voeten waste, dat de heer de dienst van de slaaf op zich nam, stond helemaal in tegenstelling met zijn eerbiedig ontzag voor Jezus, met zijn begrip van de verhouding tussen meester en leerling. "Nooit in der eeuwigheid zult Gij mij de voeten wassen!" (Joh. 13, 8). Zijn idee van de Messias hield een beeld van majesteit, van de goddelijke grootheid in. Steeds opnieuw moest hij leren dat de grootheid van God anders is dan ons idee van grootheid; dat die juist in afdalen bestaat, in de nederigheid van de dienst, in de radicaliteit van de liefde tot aan de totale zelfontlediging. En ook wij moeten dat steeds opnieuw leren, want iedere keer weer verlangen wij naar een God van het succes en niet van het Lijden; want we zijn niet in staat te beseffen dat de Herder komt als een Lam dat zich geeft en ons zo naar de goede weide leidt.

Wanneer de Heer tegen Petrus zegt dat hij zonder de voetwassing zijn deelgenoot niet kan zijn, vraagt Petrus meteen met aandrang dat hem dan ook het hoofd en de handen gewassen worden. Daarop volgt het geheimvolle woord van Jezus: "Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet meer te wassen tenzij de voeten" (Joh. 13, 10). Jezus zinspeelt op een bad dat de leerlingen al hadden genomen; om deel te kunnen nemen aan de maaltijd was nu alleen de voetwassing nodig. Maar natuurlijk verbergt zich daarin een diepere betekenis. Waarop zinspeelt Hij? We weten het niet met zekerheid. In ieder geval houden we vast dat de voetwassing, volgens de zin van heel het hoofdstuk, niet naar een specifiek Sacrament verwijst, maar naar het sacramentum Christi in zijn geheel – zijn dienstwerk van heil, zijn afdaling tot op het kruis, zijn liefde tot het uiterste, die ons zuivert en ons ontvankelijk voor God (capax Dei) maakt.

Toch valt hier, met het onderscheid tussen bad en voetwassing, een zinspeling te beluisteren op het gemeenschapsleven van de leerlingen, op het leven van de Kerk. Het lijkt duidelijk dat het bad dat ons voorgoed zuivert en dat niet herhaald hoeft te worden het Doopsel is – het ondergedompeld worden in de dood en de verrijzenis van Christus, een feit dat ons leven ten diepste verandert, door ons een nieuwe identiteit te geven die blijft, mits we die niet weggooien zoals Judas deed. Maar ook al blijft deze nieuwe, door het Doopsel geschonken identiteit, toch hebben wij voor de maaltijdgemeenschap met Jezus de "voetwassing" nodig. Waar gaat dat over? Mij dunkt dat de Eerste brief van Johannes ons de sleutel biedt om het te begrijpen. Daar staat te lezen: "Als wij zeggen dat wij zonder zonde zijn, bedriegen wij ons zelf en is de waarheid niet in ons. Als wij onze zonden erkennen en belijden, zal Hij die getrouw en rechtvaardig is, ons de zonden vergeven en ons van elke schuld reinigen" (1 Joh. 1, 8, v). Wij hebben de "voetwassing" nodig, de voetwassing van elke dag, en om deze reden hebben wij de zondebelijdenis nodig waarover de heilige Johannes in deze Brief spreekt. Wij moeten erkennen dat wij ook in onze nieuwe identiteit als gedoopten zondigen. Wij hebben de belijdenis nodig zoals deze gestalte heeft gekregen in het Sacrament van de Verzoening. Hierin wast de Heer steeds opnieuw onze vuile voeten en kunnen wij met Hem aan tafel zitten.

Maar zo krijgt het woord waarmee de Heer het sacramentum verbreedt en er een exemplum, een gave, een dienst aan de broeder van maakt, een nieuwe betekenis: "Maar als Ik, de Heer en Leraar, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook gij elkaar de voeten te wassen" (Joh. 13, 14). Wij moeten elkaar de voeten wassen in de dagelijkse wederzijdse dienst van de liefde. Maar wij moeten elkaar ook de voeten wassen in de zin dat wij elkaar steeds opnieuw vergeven. De schuld die de Heer ons vergeven heeft, is altijd oneindig dan alle schulden die anderen jegens ons kunnen hebben. Vgl. Mt. 18, 21-35 Hier spoort de Witte Donderdag ons toe aan: niet toelaten dat de wrok jegens de ander een diepe vergiftiging in de ziel wordt. Hij spoort ons aan voortdurend ons geheugen te zuiveren, door elkaar van harte te vergeven en elkaar de voeten te wassen, om ons zo samen aan de maaltijd van God te begeven.

De Witte Donderdag is een dag van dankbaarheid en van vreugde om de grote gave van de liefde tot het uiterste die de Heer ons heeft geschonken. Wij willen de Heer in dit uur bidden, opdat dankbaarheid en vreugde in ons de kracht worden om in verbondenheid met zijn liefde op onze beurt lief te hebben.

Document

Naam: ELKAAR DE VOETEN WASSEN IN DE ZIN DAT WE ELKAAR TELKENS WEER VERGEVEN
Avondmis van Witte Donderdag in de Pauselijke basiliek St. Jan van Lateranen, Rome
Viering van de Instelling van de H. Eucharistie, van het Sacrament van de Wijding en het gebod van de naasteliefde in de voetwassing
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 20 maart 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling vanuit het Italiaans, nummering en verdeling alinea's: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 11 april 2017

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam