• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"SLACHTOFFERS EN GAVEN HEBT GIJ NIET GEWILD, MAAR GIJ HEBT VOOR MIJ EEN LICHAAM BEREID"
Op Palmzondag 2008 tijdens de diocesane viering van Wereld Jongeren Dag (op het Sint Pietersplein)

Beste broeders en zusters,

jaar na jaar verhaalt ons het stukje Evangelie van Palmzondag de intocht van Jezus in Jeruzalem. Samen met Zijn leerlingen en met een groeiende schare van pelgrims, was Hij vanuit de vlakte van Galilea opgegaan naar de Heilige Stad. Als treden van deze opgang hebben de evangelisten ons drie aankondigingen van Jezus overgeleverd met betrekking tot zijn Lijden, daarmee tegelijkertijd zinspelend op de innerlijke opgang die Hij in deze pelgrimstocht volbracht heeft.

Jezus is onderweg naar de tempel - naar de plaats waar God, zoals Deuteronomium zegt, “zijn Naam heeft willen vestigen” Vgl. Deut. 12, 11 Vgl. Deut. 14, 23 . De God die hemel en aarde geschapen heeft, heeft gemaakt dat men Hem kan aanroepen, sterker nog, Hij heeft gemaakt dat mensen Hem als het ware kunnen aanraken. Geen plaats kan Hem bevatten en toch geeft Hij juist daarom Zichzelf een plaats en een naam, opdat Hij, de ware God, er vereerd kan worden als de God die midden onder ons is. Uit het verhaal over de twaalfjarige Jezus weten we dat Hij van de tempel heeft gehouden als van het huis van zijn Vader, als Zijn vaderhuis. Nu komt Hij opnieuw naar deze tempel, maar zijn weg gaat verder: het laatste doel van Zijn opgang is het Kruis. Het is de opgang die de Brief aan de Hebreeën beschrijft als de opgang naar een niet door mensenhanden gemaakte tent, naar het aanschijn van God. De opgang naar het aanschijn van God gaat via het Kruis. Het is de opgang naar de “liefde tot het uiterste” Vgl. Joh. 13, 1 , die de ware berg van God is, de uiteindelijke plaats van het contact tussen God en de mens.

Tijdens de intocht in Jeruzalem, brengt het volk Jezus eer als zoon van David met de woorden van de Pelgrimspsalm 118: “Hosanna, de zoon van David! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer! Hosanna in de hoogste hemel” (Mt. 21, 9). Vervolgens komt Hij bij de tempel aan. Maar daar waar zich de ruimte moest bevinden van de ontmoeting tussen God en de mens, treft Hij handelaren in beesten aan en geldwisselaars die met hun handel de plaats van het gebed in beslag nemen. Zeker, de beesten die daar te koop waren, waren bestemd voor de offers die in de tempel moesten worden gebracht. En omdat in de tempel geen geld mocht worden gebruikt waarop de Romeinse keizers waren afgebeeld die immers in strijd waren met de ware God, moest het worden geruild tegen geld dat geen afgodsbeeltenissen droeg.

Maar dat alles kon zich elders afspelen: de ruimte waar het nu gebeurde, moest volgens zijn bestemming het atrium zijn van de heidenen. De God van Israël, was immers de enige God van alle volkeren. En ook al betraden de heidenen om zo te zeggen niet het binnenste van de Openbaring, toch konden zij in het atrium van het geloof zich aansluiten bij het gebed tot de enige God. De God van Israël, de God van alle mensen, verwachtte altijd ook hun gebed, hun zoeken, hun aanroeping. Maar nu overheerste er de handel - een handel die gelegaliseerd was door het bevoegde gezag dat op zijn beurt deelde in de winst van de kooplui. Deze handelden op een correcte wijze volgens de heersende ordening, maar de ordening zelf was corrupt.

“Hebzucht staat gelijk met afgoderij", zegt de Brief aan de Kolossenzen Vgl. Kol. 3, 5 . Het is deze afgoderij die Jezus tegenkomt en ten overstaan waarvan Hij Jesaja aanhaalt: “Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd” (Mt. 21, 13) Vgl. Jes. 56, 7 en Jeremia: “maar gij maakt er een rovershol van” (Mt. 21, 13) Vgl. Jer. 7, 11 . Tegen de slecht uitgelegde ordening verdedigt Jezus, met Zijn profetisch gebaar, de ware ordening die zich bevindt in de Wet en de Profeten.

Dit alles moet vandaag de dag ook ons als Christenen aan het denken zetten: is ons geloof voldoende zuiver en open, zodat van daaruit ook de “heidenen”, de mensen die vandaag de dag op zoek zijn en hun vragen hebben, het licht gewaar kunnen worden van de enige God, zich in de atria van het geloof aan kunnen sluiten bij ons gebed en met hun vragen misschien ook aanbidders kunnen worden? Bereikt het besef dat hebzucht afgoderij is ook ons hart en onze levenspraktijk? Is het misschien niet zo dat wij op verschillende wijzen de afgoden binnen laten in onze geloofswereld? Zijn wij bereid ons steeds opnieuw te laten zuiveren door de Heer, door Hem toe te staan uit ons en uit de Kerk alles te verjagen dat Hem tegengesteld is?

Bij de zuivering van de tempel gaat het echter om meer dan de strijd tegen misbruiken. Een nieuw uur van de geschiedenis wordt afgekondigd. Nu begint wat Jezus had aangekondigd aan de Samaritaanse naar aanleiding van haar vraag over de ware aanbidding: “Er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden” (Joh. 4, 23). De tijd is voorbij waarin aan God dieren geofferd werden. Altijd al waren de dierenoffers een erbarmelijk substituut geweest, een gebaar van heimwee naar de ware manier om God te aanbidden.

De Brief aan de Hebreeën, over het leven en werken van Jezus heeft een zin uit Psalm 40 tot motto gemaakt: “Slachtoffers en gaven hebt gij niet gewild, maar Gij hebt voor mij een lichaam bereid” (Hebr. 10, 5). In de plaats van de bloedige offers en de offergaven in de vorm van voedsel, komt het lichaam van Christus, komt Hij zelf. Alleen “de liefde tot het uiterste”, alleen de liefde die zich voor de mensen totaal aan God geeft, is de ware eredienst, het ware offer. Aanbidden in geest en waarheid betekent aanbidden in gemeenschap met Hem die de waarheid is; aanbidden in de gemeenschap met zijn Lichaam, waarin de Heilige Geest ons bijeenbrengt.

De evangelisten vertellen ons dat tijdens het proces tegen Jezus valse getuigen optraden en beweerden dat Jezus had gezegd: “Ik kan deze tempel van God afbreken en in drie dagen weer opbouwen” (Mt. 26, 61). Ten overstaan van Christus die aan het kruis hangt, verwijzen sommige spotters naar datzelfde woord en schreeuwen: “Gij daar, die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, redt Uzelf” (Mt. 27, 40). De juiste versie van dat woord, zoals het uit de mond van Jezus zelf voortkomt, heeft Johannes ons overgeleverd in zijn verhaal van de zuivering van de tempel. Geconfronteerd met de vraag om een teken, waarmee Jezus zich moest legitimeren voor zo’n actie, antwoordde de Heer: “Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen” (Joh. 2, 18, v). Johannes voegt er aan toe dat de leerlingen, toen ze aan die gebeurtenis terug dachten na Zijn Verrijzenis, begrepen dat Jezus over de Tempel van Zijn Lichaam had gesproken Vgl. Joh. 2, 21. v . Het is niet Jezus die de tempel afbreekt; die wordt aan de afbraak overgeleverd door de houding van hen die hem van een ontmoetingsplaats van alle volkeren met God hebben omgevormd tot een “rovershol”, tot een plaats voor hun handel.

Maar zoals steeds vanaf de val van Adam, wordt het tekortschieten van de mensen de aanleiding tot een nog groter inzet van de liefde van God jegens ons. Het uur van de stenen tempel, het uur van de dierenoffers is voorbij: het feit dat de Heer nu de kooplui eruit jaagt, verhindert niet alleen een misbruik, maar wijst ook op een nieuw handelen van God. Er wordt een nieuwe Tempel gevormd: Jezus Christus zelf, in wie de liefde van God zich over de mensen buigt. Tijdens zijn leven is Hij de nieuwe en levende Tempel. Hij die door het Kruis heen gegaan is en die is verrezen, is de levende ruimte van geest en leven, waarin de juiste aanbidding verwezenlijkt wordt. Zo is de zuivering van de Tempel, als hoogtepunt van de plechtige intocht van Jezus in Jeruzalem, tegelijkertijd het teken van de naderende verwoesting van het gebouw alsook van de belofte van de nieuwe Tempel; de belofte van het rijk van verzoening en liefde dat, in de gemeenschap met Jezus, gevestigd wordt over alle grenzen heen.

De heilige Matteüs wiens Evangelie we dit jaar beluisteren, vermeldt aan het einde van het verhaal van de Palmzondag, na de zuivering van de tempel, nog twee kleine gebeurtenissen die opnieuw een profetisch karakter hebben en ons nog eens duidelijk maken wat Jezus echt wil. Onmiddellijk na het woord van Jezus over het huis van gebed voor alle volken, gaat de evangelist zo door: “In de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas ze”. Bovendien zegt Matteüs dat kinderen in de tempel de toejuiching herhaalden die de pelgrims hadden geuit bij zijn intocht in de stad: “Hosanna, de Zoon van David” (Mt. 21, 14, v).

Tegenover de handel in dieren en de geldzaken stelt Jezus zijn genezende goedheid. Die is de ware zuivering van de tempel. Hij komt niet als een die afbreekt, Hij komt niet met het zwaard van de revolutionair. Hij komt met de gave van de genezing. Hij wijdt zich aan hen toe die door hun ziekte aan de uiterste grens van hun leven en tot aan de rand van de samenleving worden gedreven. Jezus laat God zien als Degene die liefheeft en Zijn macht als de macht van de liefde. En zo zegt Hij ook aan ons wat altijd deel zal uitmaken van de juiste eredienst aan God: het genezen, het dienen, de goedheid die geneest.

En dan zijn er de kinderen die Jezus eer brengen als zoon van David en Hem het Hosanna toeroepen. Jezus had Zijn leerlingen gezegd dat zij, om binnen te kunnen gaan in het Rijk van God, opnieuw als de kinderen zouden moeten worden. Zelf is Hij, die de hele wereld omarmt, klein geworden om ons tegemoet te komen, om ons op weg te helpen naar God. Om God te herkennen, moeten wij de trots laten varen die ons verblindt, die ons van God weg wil duwen, alsof God onze concurrent zou zijn. Om God te ontmoeten moeten wij leren met het hart te zien. Wij moeten leren te zien met een jong hart, dat niet gehinderd wordt door vooroordelen en niet verblindt wordt door belangen. Zo heeft de Kerk in de kleinen die met een dergelijk vrij en open hart Hem herkennen, het beeld gezien van de gelovigen van alle tijden, haar eigen beeld.

Beste vrienden, sluiten wij ons op dit uur aan bij de processie van de jongeren van toen - een processie die door de hele geschiedenis trekt. Gaan we samen met de jongeren van heel de wereld Jezus tegemoet. Laten ons door Hem naar God laten leiden, om van God zelf de juiste manier te leren om mens te zijn. Met Hem danken wij God, want met Jezus, de Zoon van David, heeft Hij ons een ruimte van vrede en verzoening gegeven die de hele wereld omvat. Bidden wij Hem opdat ook wij, met Hem en vanuit Hem, boodschappers van zijn vrede worden, opdat in ons en rondom ons zijn Rijk moge groeien. Amen.

Document

Naam: "SLACHTOFFERS EN GAVEN HEBT GIJ NIET GEWILD, MAAR GIJ HEBT VOOR MIJ EEN LICHAAM BEREID"
Op Palmzondag 2008 tijdens de diocesane viering van Wereld Jongeren Dag (op het Sint Pietersplein)
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 16 maart 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, alineanummering en -verdeling: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 26 maart 2015

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam