• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GOD: BOVEN ALLES EN IN ALLES
25e catechese over de Geloofsbelijdenis

De Kerk blijft haar geloof belijden zoals zij het uitdrukt in het eerste artikel van het oudste christelijk symbolum: "Ik geloof in één God, de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde". Die woorden geven zeer kernachtig het getuigenis weer, dat de God van ons geloof, de ware en levende God van de Openbaring, van zichzelf heeft gegeven - volgens de brief aan de Hebreeën: "Nadat Hij eertijds tot onze vaderen had gesproken door de profeten en vervolgens door de Zoon" (Heb. 1, 1-2). De Kerk, die steeds weer geconfronteerd wordt met de nieuwe eisen van de tijd, dringt altijd dieper door in de waarheid over God, zoals de verscheidene Concilies duidelijk aantonen. Ik wil hier even verwijzen naar het Eerste Vaticaans Concilie, dat tot duidelijke leerstellige uitspraken is gekomen, om enerzijds in te gaan tegen de dwalingen van het pantheïsme van de 19e eeuw, en anderzijds tegen de reeds opkomende dwalingen van het materialisme.

Het Eerste Vaticaans Concilie leert: "De heilige Kerk gelooft en belijdt het bestaan van de éne levende en ware God, Schepper en Heer van hemel en aarde, almachtig, eeuwig, oneindig, ondoorgrondelijk, grenzeloos van verstand, wil en volmaaktheid; want als onvergelijkelijk geestelijk Wezen, geheel enkelvoudig en onveranderlijk, moet Hij werkelijk en essentieel onderscheiden worden van de wereld; uit zichzelf en door zichzelf kent Hij het hoogste geluk en staat Hij onuitsprekelijk verheven boven alle dingen, die buiten Hem zijn of die ook maar kunnen gedacht worden" 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 1.4.

We zien duidelijk dat de concilie tekst vertrekt vanuit dezelfde oude geloofsbelijdenis die wij citeren, namelijk: "Ik geloof in God ... de almachtige ... Schepper van hemel en aarde".

Maar het Concilie werkt die basisformule uit aan de hand van de leer zoals wij die vinden in de H. Schrift, de Traditie en het Leergezag van de Kerk. Dank zij die verdere definiëring door het Eerste Vaticaans Concilie werden de attributen van God vollediger vermeld dan in de oude geloofsbelijdenis.

Onder 'attributen' verstaan wij de eigenschappen van het goddelijk 'Zijn'; die werden verduidelijkt door de Openbaring en ook door de beste filosofische reflecties Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, qq. 3 ss. De H. Schrift gebruikt verscheidene adjectieven om God te omschrijven. Het zijn zeer onvolledige weergaven in de menselijke taal, vooral als ze de totale transcendente realiteit moeten uitdrukken die God in zichzelf is.

De hierboven aangehaalde tekst van het Eerste Vaticaans Concilie bevestigt de onmogelijkheid, God op een afdoende wijze te omschrijven. Hij is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk. Ondanks de zekerheid van zijn 'onbegrijpelijkheid' en 'onuitsprekelijkheid', beperken het geloof van de Kerk en haar leer over God zich toch niet tot negatieve vaststellingen, zoals gebruikelijk in de zogenaamde apophatische theologie, terwijl men zich bedient van menselijke taal, en dus van de taal van de theologie, en hoewel er geen passende uitdrukkingen zijn om te zeggen wie God is, is het toch zo dat men niet alleen maar in staat is, weer te geven wie God niet is.

Daarom beperkt het Eerste Vaticaans Concilie zich niet tot verklaringen die op een 'wijze van negatie' over God spreken, maar drukt het zich ook uit op een 'bevestigende wijze'. Zo leert het Concilie bijvoorbeeld dat God op een essentiële wijze van de wereld te onderscheiden is (a mundo distinctus re et essentia) ; het leert dat God een eeuwige God is. Die waarheid wordt in de H. Schrift op verscheidene plaatsen en op diverse wijzen weergegeven. In het boek Jezus Sirach bijvoorbeeld lezen we: "Hij die tot in eeuwigheid leeft, heeft het heelal geschapen" (Sir. 18, 1), en in het boek van de profeet Daniël: "Hij is de levende God, die blijft in eeuwigheid" (Dan. 6, 27).

Zo spreken eveneens de woorden van Psalm 102, waarvan we de echo horen in de brief aan de Hebreeën. De Psalm zegt: "Gij hebt eertijds de aarde gegrondvest, de hemel is het werk van uw handen; zouden zij vergaan, Gij houdt stand: raakten zij versleten als een mantel - als uw wisselkleed wisselt Gij hen nochtans blijft Gij die zijt, uw jaren nemen geen einde" (Ps. 102, 26-28).

Enkele eeuwen later herneemt de schrijver van de Hebreeënbrief de gedachten van die Psalm: "In het begin, 0 Heer, hebt Gij de aarde gegrondvest en de hemel is het werk van uw handen. Zij zullen vergaan, Gij echter blijft. Zij zullen verslijten als kleren, Gij zult ze opvouwen als een mantel, gelijk een kledingstuk zullen ze verwisseld worden. Gij echter zijt dezelfde en uw jaren nemen geen einde" (Heb. 1, 10-12).

Met dat geloof in de eeuwige God voor ogen schrijft SintPaulus aan Timoteus: "Aan de koning der eeuwen, aan de onvergankelijke, onzichtbare, enige God zij eer en roem in de eeuwen der eeuwen! Amen" (1 Tim. 1, 17). Dezelfde waarheid vinden we op een andere wijze uitgedrukt in de Apocalyps: "Ik ben de Alfa en de Omega, zegt God de Heer, Hij die is en die was en die komt, de Albeheerser" (Openb. 1, 8).

In die gegevens van de Openbaring ligt ook de gegronde overtuiging waartoe men komt, als men overweegt dat God het blijvend Wezen is en dus absoluut noodzakelijk, en bijgevolg eeuwig; want Hij kan niet niet zijn, Hij kan dus begin noch einde hebben, noch een opeenvolging van momenten in het oneindige en unieke feit van zijn bestaan.

De gezonde rede en de Openbaring lopen op dit punt bewonderenswaardig samen. God heeft de absolute volheid van het Zijn (ipsum Esse subsistens) ; zijn Eeuwigheid, omschreven in de terminologie van het zijn, moet worden verstaan als een ondeelbare, volmaakte eigenschap, gelijktijdig verbonden met een leven zonder einde, het is dus een attribuut van het zijn dat absoluut 'buiten de tijd' staat.

De eeuwigheid van God kent dus geen voortgang zoals de tijd in de geschapen wereld; ze gaat de oneindigheid niet vooraf en is er niet de voortzetting van, maar ze staat buiten en boven de tijd. Zoals elk ander Godsmysterie bevat de eeuwigheid in zekere zin 'van buitenaf' en 'van bovenaf' alles wat, van binnenuit, onderhevig is aan tijd, verandering en toevalligheid. We moeten hier denken aan de woorden van Sint-Paulus tot de Atheners op de Areopaag: "Want door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn" (Hand. 17, 28). We zeggen 'van buitenaf' om met die figuurlijke uitdrukking de transcendentie van God te bevestigen over alles, maar ook van de eeuwigheid over de tijd, terwijl wij goed beseffen en belijden dat God het Wezen is binnen het zijn zelf van de dingen en dus ook van de tijd, die een opeenvolging is van momenten waarvan er zich geen enkele buiten Gods eeuwige omhelzing bevindt.

De tekst van het Eerste Vaticaans Concilie drukt het geloof van de Kerk uit in de levende, ware en eeuwige God. Hij is eeuwig omdat Hij de absolute 'Volheid is van het zijn dat, zoals de aangehaalde bijbelteksten duidelijk aantonen, niet kan begrepen worden als een geheel van delen of 'fragmenten' van het zijn die aan de tijd gebonden zijn. De absolute volheid van het zijn kan slechts, en uitsluitend en alleen, begrepen worden als eeuwigheid, d.w.z. als het totale en ondeelbare bezit van dat zijn dat eeuwig is: een 'Nunc', een 'Nu', blijvend en onveranderlijk; Gods wijze van zijn verschilt essentieel van die van de schepselen, die 'accidenteel' zijn.

De levende God, die zichzelf geopenbaard heeft, is dus de eeuwige God. Het is juister wanneer wij zeggen dat God de eeuwigheid zelf is. De totale ongecompliceerdheid van het goddelijk Zijn vraagt zulk een manier van uitdrukken.

Als wij in onze menselijke taal spreken van "God is eeuwig", verwijzen wij naar een attribuut van het goddelijk Zijn. Concreet kan er geen onderscheid gemaakt worden tussen de eigenschappen en het wezen van God (terwijl er wel een onderscheid bestaat tussen de menselijke eigenschappen en degene die ze bezit); daarom verstaan wij onder de uitdrukking 'God is eeuwig': 'God is de eeuwigheid'.

Voor ons, gebonden als wij zijn aan ruimte en tijd, is die eeuwigheid als het goddelijk Wezen niet te begrijpen; zo geeft ze ons ook een idee van de oneindige grootheid en majesteit van het goddelijk Zijn en worden wij van vreugde vervuld bij de gedachte aan dit Zijn-Eeuwigheid, dat al het geschapene en accidentele omvat, ook ons kleine zijn en elk van onze daden, ieder ogenblik van ons leven.

"Door Hem hebben wij het leven, het bewegen en het zijn".

Document

Naam: GOD: BOVEN ALLES EN IN ALLES
25e catechese over de Geloofsbelijdenis
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 4 september 1985
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam