• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Brieven van Paulus

Het ziet ernaar uit dat diverse vormen van diaconaal hulpbetoon door vrouwen verleend aan de apostelen en de gemeenschappen in de apstolische tijd een institutioneel karakter hebben. Zo beveelt Paulus "onze zuster Febe (... ), diacones (he diakonos) van de gemeente te Kenchreae" (Rom. 16, 1-4) aan de gemeenschap van Rome aan. Hoewel hier de mannelijke vorm diakonos gebruikt wordt, kan men niet concluderen dat daarmee al de specifieke functie van "diaken" wordt aangeduid; enerzijds omdat diakonos in deze context nog in heel algemene zin dienaar betekent en anderzijds omdat het woord "dienaar" geen vrouwelijke vorm heeft, maar door een vrouwelijk lidwoord vooraf wordt gegaan. Wat zeker lijkt is dat Febe een erkende en aan het dienstwerk van de apostel ondergeschikte dienst heeft uitgeoefend binnen de gemeenschap van Kenchreae. Bij Paulus worden de gezagsdragers van de wereld trouwens zelf diakonos genoemd (Rom. 13, 4) en in 2 Kor. 11, 14-15 is er sprake van diakonoi van de duivel. Vgl. 2 Kor. 11, 14-15  

De exegeten zijn verdeeld over (1 Tim. 3, 11). Het noemen van de vrouwen na de diakens kan doen denken aan vrouwelijke diakens (voorafgegaan door "ook") of aan de echtgenoten van de diakens waarvan eerder sprake is geweest. In deze brief worden niet de functies van de diaken beschreven, maar alleen de voorwaarden voor hun toelating. Er wordt gezegd dat de vrouwen geen onderricht mogen geven aan de mannen en hen geen leiding mogen geven (1 Tim. 2, 8-15). Maar de functies van leiding en onderricht worden overigens geheel voorbehouden aan de episcopos (1 Tim. 3, 5) en aan de presbyters (1 Tim. 5, 17), niet aan de diakens. De weduwen vormen een erkende groep binnen de gemeenschap, waarvan ze hulp ontvangen in ruil voor hun belofte van onthouding en arbeid. 1 Tim. 5, 3-16 Vgl. 1 Tim. 5, 3-16 legt de nadruk op de voorwaarden van hun inschrijving op de lijst van weduwen die ondersteund worden door de gemeenschap en zegt niets over hun eventuele functies. Later zullen ze officieel "aangesteld" worden, maar niet "gewijd" H. Hippolytus, Traditio Apostolica. 10;SCh 11bis, 67; ze gaan een "orde" binnen de Kerk vormen Vgl. Tertullianus, Ad Uxorem. I, 7,4;SCh 273; Munier Tertullianus, De exhort. Castitatis. 13,4;SCh 319. en zullen nooit een andere zending hebben dan her goede voorbeeld geven en gebed.

Tweede en derde eeuw

Aan het begin van de tweede eeuw noemt een brief van Plinius de Jonge, gouverneur van Bithynie, twee vrouwen die door de christenen worden aangeduid als ministrae, waarschijnlijk een equivalent van het Griekse diakonoi. Plinius de Jongere, Epist.. X 96-97 Pas in de derde eeuw verschijnt de specifiek christelijke term diaconissa, in het Latijn diacona.

In feite bestaan er sinds de derde eeuw in bepaalde streken van de Kerk Aan de oostelijke limes van het Romeinse Rijk zien we tenslotte diaconessen verschijnen: het eerste document dat het over hen heeft en er in bepaald opzicht de geboorteakte van is, is de Didascalia van de Apostelen, sinds de publicatie ervan in 1854 bekend in de Syrische tekst, A.G. Martimort, Les diaconesses. Essai historique, Roma 1982, p. 31. - maar niet in alle - getuigenissen van een specifiek kerkelijk ambt dat wordt verfeend aan vrouwen die diaconessen worden genoemd. De meest uitgebreide collectie getuigenissen over dit kerkelijk ambt vergezeld van een theologische interpretatie is van Jean Pinius, "De diaconissarum ordinatione, in: Acta Sanctorum, Sept. 1, Antwerpen 1746, I-XXVII. Het merendeel van de door Pinius genoemde Griekse en Latijnse documenten wordt gereproduceerd door Josephine Mayer, Monumenta de viduis diaconissis virginibusque tractantia, Bonn 1938. Verg. Roger Gryson, Le ministere des femmes dans L'Eglise ancienne (Recherches et syntheses), Gembloux 1972. Het betreft Oost-Syrie en Constantinopel. Tegen 240 verschijnt een bijzonder geschrift, uit canoniek-liturgische teksten samengesteld, de Didascalia van de Apostelen Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum, die geen officieel karakter heeft. Daarin vertoont de bisschop de Bijbelse patriarch. Vgl. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 2,33 - 35,3 Hij staat aan het hoofd van een kleine gemeenschap, waaraan hij vooral met behulp van diakens en diaconessen leiding geeft. Deze laatsten verschijnen hier voor het eerst in een kerkelijk document. Volgens een typologie ontleend aan Ignatius van Antiochië neemt de bisschop de plaats in van God de Vader, de diaken de plaats van Christus en de diacones die van de heilige Geest (een vrouwelijk woord in de Semitische talen), terwijl de (weinig genoemde) presbyters de apostelen vertegenwoordigen en de weduwen het altaar. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 2,26,4-7 Er is geen sprake van het wijden van deze ambtsdragers.

De Apostolische Vader
Didascalia Apostolorum ()
legt de nadruk op de caritatieve rol van de diaken en de diacones. Het ambt van de diaconie moet optreden als "een enkele ziel in twee lichamen". Het heeft de diaconie van Christus die de voeten van zijn leerlingen heeft gewassen als model. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 3,13,1- 7 Er is echter geen strikte parallel tussen beide takken van het diaconaat wat betreft de functies die worden uitgeoefend. De diakens worden door de bisschop uitgekozen om "zich bezig te houden met veel noodzakelijke dingen" en de diaconessen alleen "voor de dienst aan de vrouwen" Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 3,12, 1 Het is gewenst dat "het aantal diakens in verhouding staat tot dat van de vergadering van het kerkvolk". Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 3,13, 1 Vgl. Apostolische Vader, Libris VIII, Constitutiones Apostolorum (1 jan 400). Deze norm wordt herhaald door de Apostolische Constituties 1119,1 Over de oorsprong van de professionalisering van de clerus zie: G. Schölgen, Die Anfänge der Professionalisierung des Klerus und das Kirchliche Amt in der Syrischen Didaskalie (JAC. Erg.-Bd. 26), Münster 1998. De diakens beheren de goederen van de gemeenschap in naam van de bisschop. Evenals de bisschop worden zij op kosten van de gemeenschap onderhouden. De diakens worden oor en mond van de bisschop genoemd Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 2,44,3- 4; om tot de bisschop toegelaten te worden moet een gelovige zich bij de diaken melden, evenzo de vrouwen bij de diaconessen. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 3,12,1-4 Een diaken bewaakt de toegangen tot de zaal van de bijeenkomst, terwijl een andere diaken de bisschop assisteert bij het eucharistische offer. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 2,57,6

De diacones moet optreden bij het lichamelijk zalven van de vrouwen bij het doopsel, de pas bekeerde vrouwen instructie geven, de gelovige vrouwen en vooral de zieken thuis bezoeken. Het is haar verboden zelf het doopsel toe te dienen of een rol te spelen bij het eucharistisch offer. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 3,12,1-4 De diaconessen hebben een hogere plaats dan de weduwen. De bisschop kan altijd weduwen aanstellen, maar zij mogen geen onderricht geven en niet het doopsel toedienen (aan vrouwen), maar alleen bidden. Apostolische Vader, Didascalia Apostolorum. 3,5,1-3,6,2

Vierde eeuw
Zesde eeuw

In Constantinopel is de bekendste diacones in de zesde eeuw Olympias, higoumenè (overste) van een vrouwenklooster, beschermelinge van de heilige Johannes Chrysostomus die haar bezittingen in dien van de Kerk heeft gesteld. Ze werd met drie van haar gezellinnen door de patriarch diacones "gewijd" (cheirotonein). Concilie van Chalcedon
Sessio XV - Canones (31 oktober 451)
(451) lijkt het feit te bevestigen dat diaconessen wel "gewijd" door de handoplegging (cheirotonia). Haar ambt wordt leitourgia genoemd en het is har na de wijding niet meer toegestaan in het huwelijk te treden.

Achtste eeuw

In de achtste eeuw legt de bisschop in Byzantium de diacones nog steeds de handen op en verleent haar de orarion of stola (de twee uiteinden worden naar voren over elkaar heen geslagen); hij overhandigt haar de kelk die zij op het altaar plaatst, zonder iemand te laten communiceren. Ze wordt net als de diakens gewijd tijdens een eucharistieviering in de kerk. Wijdingsrituaal van de byzantijnse diacones: Euchologe du manuscrit grec Barberini 336, in: Vaticaanse Bibliotheek, ff 169R-17/v. Geciteerd door J.-M. Aubert, Des femmes diacres (Le Point Théologique 47), Paris 1987, p. 118-119. Ondanks het feit dat de wijdingsriten van de diaken en de diacones op elkaar lijken zal de diacones geen toegang hebben tot het altaar noch tot enig liturgist ambt. Deze wijdingen betreffen vooral de higoumenes van vrouwenkloosters.

Ter verduidelijking zij gezegd dat in het Westen gedurende de eerste vijf eeuwen geen spoor van diaconessen te vinden is. De Statuta Ecciesiae antiqua voorzagen erin dat het instrueren van vrouwelijke catechumenen en hun voorbereiding op het doopsel toevertrouwd werd aan weduwen en monialen "gekozen ad ministerium baptizandarum mulierum" Verg. Canon 100 (Munier 99). Bovendien is het zelfs onderlegde en heilige vrouwen uitdrukkelijk verboden mannen te onderrichten en te dopen (verg. can. 37 en 41 in: Munier, p. 86).

Bepaalde concilies in de vierde en vijfde eeuw verwerpen ieder ministerium feminae Concilie van Nimes (394-396), can. 2. Zie J. Gaudemet, Conciles gaulois du IVe siècle (SCh 241), Paris 1977, p. 127-129. en verbieden iedere wijding tot diacones. Concilie van Orange I (441), can. 26. Volgens de Ambrosiaster was (in Rome, eind vierde eeuw) het vrouwelijke diaconaat een zaak van montanistische ketters Verg. ed. H.I. Vogels, CSEL 81/3, Wien 1969, p. 268.. In de zesde eeuw betitelt men vrouwen die toegelaten zijn tot de groep van weduwen soms als diacones. Om iedere verwarring te vermijden, verbiedt het concilie van Epaone "het wijden van weduwen die zich diacones laten noemen" Concilie van Epaone (517), can. 21 (C. de Clercq, Concilia Galliae 511-695, CCL 148A, 1963, p. 29). Het geven van een diaconale zegen aan vrouwen kwam veelvuldiger voor, omdat het rituaal niet voorzag in het zegenen van weduwen, zoals het Tweede Concilie van Tours (567) in herinnering zal brengen, can. 21 (C. de Clercq, Concilia Galliae 511-695, CCL 148A, 1963, p. 187).. Het tweede concilie van Orléans (533) besluit vrouwen uit te sluiten van de communie die "de wijding van het diaconaat (hebben) ontvangen ondanks het verbod van de canons en hertrouwd zijn" (C. de Clercq, Concilia Galliae 511-695, CCL 148A, 1963, p. 101). Men noemde abdissen of echtgenoten van diakens ook diaconissae, naar analogie van de "presbyterissae of zelfs van de episcopissae Verg. Tweede concilie van Tours, can. 20 (C. de Clercq, Concilia Galliae 511-695, CCL 148A, 1963, p. 184)..

Document

Naam: HET DIAKONAAT. EVOLUTIE EN PERSPECTIEVEN
Daarin o.a. 'Het dienstambt van de vrouwelijke diaken'
Soort: Internationale Theologische Commissie
Auteur: Internationale Theologische Commissie
Datum: 30 september 2002
Copyrights: © 2003, Communio, Internationaal Katholiek Tijdschrift
Vert. uit het Frans: Mevr. Drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 30 juni 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam