• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De ontwikkeling van de volken is nauw verbonden met die van iedere individuele mens. De mens is van nature op dynamische wijze gericht op zijn eigen ontwikkeling. Daarbij gaat het niet om een door natuurlijke mechanismen gegarandeerde ontwikkeling, want ieder van ons weet dat hij in staat is vrije en verantwoordelijke beslissingen te nemen. Het gaat ook niet om een ontwikkeling die aan onze willekeur wordt overgelaten, daar wij allen weten dat we een gave zijn en niet ons eigen product. Onze vrijheid wordt ten diepste bepaald door ons wezen en de grenzen daarvan. Niemand vormt eigenmachtig het eigen bewustzijn, maar allen bouwen het eigen “ik” op, op basis van een “zelf” dat ons gegeven is. We kunnen niet over andere mensen beschikken en ook niet over onszelf. De ontwikkeling van de mens komt niet tot wasdom als hij zich aanmatigt dat hij zijn eigen en enige schepper is. Op dezelfde wijze raakt de ontwikkeling van de volken uit de koers, als de mensheid denkt zichzelf te kunnen herscheppen, indien ze zich bedient van de “wonderen” van de techniek. Zo blijkt ook de economische ontwikkeling bedrieglijk en schadelijk te zijn als deze zich toevertrouwt aan de “wonderen” van de financiële wereld, om een onnatuurlijke en op consumptie gerichte groei te steunen. Tegenover deze prometheïsche aanmatiging moeten wij de liefde versterken voor een vrijheid die niet willekeurig is, doch door de erkenning van het goede dat eraan vooraf gaat menselijker is geworden. Daarvoor moet de mens weer tot zichzelf komen om de fundamentele normen van de natuurwet te erkennen, die God hem in het hart gegrift heeft.

Het probleem van de ontwikkeling is vandaag de dag nauw verbonden met de technologische vooruitgang en met de verbazingwekkende toepassing ervan op het gebied van de biologie. De techniek – dat moet hier onderstreept worden – is een verschijnsel dat ten diepste menselijk is en verbonden met de autonomie en de vrijheid van de mens. De macht van de geest over de materie komt tot uitdrukking en wordt bevestigd in de techniek. “De geest van de mens, meer vrij van de slavernij aan de dingen, (kan) gemakkelijker gebracht worden tot de verering en beschouwing van de Schepper zelf”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 57 De techniek stelt ons in staat de materie te beheersen, de risico’s te verminderen, ons moeite te besparen, de levensomstandigheden te verbeteren. De techniek is in overeenstemming met de wezenlijke roeping van de menselijke arbeid: in de techniek, die gezien wordt als werk van zijn geest, herkent de mens zichzelf en verwezenlijkt hij zijn eigen menszijn. De techniek is het objectieve aspect van de menselijke arbeid, Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 5 waarvan de oorsprong en het bestaansrecht is gelegen in het subjectieve element: de werkende mens. Daarom is de techniek nooit alleen maar techniek. De techniek toont de mens en zijn streven naar ontwikkeling en brengt de spanning van de menselijke geest tot uitdrukking bij het stapsgewijs overwinnen van bepaalde materiële beperkingen. De techniek voegt zich dus in in de opdracht “de aarde te bewerken en te beheren” Vgl. Gen. 2, 15 , die God de mens heeft toebedeeld, en moet er daarom op gericht zijn die band tussen de mens en het milieu te versterken, die de spiegel van Gods scheppende liefde moet zijn.

Technologische ontwikkeling kan verleiden tot het idee dat de techniek op zich voldoende is, als de mens zich slechts de vraag naar het hoe stelt en geen aandacht besteedt aan de vele vragen naar het waarom, waardoor hij aangespoord wordt tot handelen. Dat is de reden waarom de techniek twee gezichten heeft. Omdat de techniek voortkomt uit de menselijke creativiteit als werktuig van de vrijheid van de persoon, kan deze als element van absolute vrijheid worden verstaan, de vrijheid die wil afzien van de grenzen die de dingen in zich dragen. Het globaliseringsproces zou ideologieën kunnen vervangen door techniek, Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Brief, Aan Maurice Kardinaal Roy, bij gelegenheid van de 80ste verjaardag van Rerum Novarum, Octogesima Adveniens (14 mei 1971), 29 die zelf tot een ideologische macht is geworden en de mensheid blootstelt aan het gevaar zich opgesloten te vinden in een a priori waaruit zij niet kan uitbreken, om het wezen en de waarheid te ontmoeten. In dat geval zouden wij al onze levensomstandigheden erkennen, inschatten en bepalen binnen een technocratisch cultuurperspectief, zonder ooit een zin te ontdekken, die wij niet zelf hebben voortgebracht. Deze voorstelling van zaken versterkt vandaag de dag de technische mentaliteit zodanig dat men het ware met het maakbare laat samenvallen. Als echter efficiëntie en nut de enige criteria van de waarheid zijn, wordt de ontwikkeling automatisch ontkend. Want echte ontwikkeling bestaat niet op de eerste plaats uit handelen. De sleutel van de ontwikkeling is een verstand dat in staat is de techniek te doordenken en de ten diepste menselijke zin van het handelen van de mens te vatten, binnen het begripsvermogen van de persoon in de totaliteit van zijn wezen. Ook als de mens middels een satelliet of een op afstand bestuurde elektronische impuls werkt, blijft zijn handelen altijd menselijk, uitdrukking van verantwoordelijke vrijheid. De techniek heeft grote aantrekkingskracht op de mens, omdat deze hem bevrijdt van fysieke beperkingen en zijn horizon verbreedt. Maar de menselijke vrijheid is alleen werkelijk zichzelf, als ze op de betovering van de techniek antwoordt met beslissingen, die de vrucht zijn van morele verantwoordelijkheid. Daaruit volgt de dringende noodzaak tot vorming wat betreft moreel verantwoord omgaan met techniek. Uitgaande van de fascinatie die de techniek voor de mens heeft, moet men de ware zin van de vrijheid herwinnen, die niet bestaat uit de roes van een totale autonomie, maar uit het antwoord op de oproep van het wezen, te beginnen met het wezen dat wij zelf zijn.

Deze mogelijke afwijking van de – oorspronkelijk humanistische – technische denkwijze is vandaag de dag duidelijk in de vertechnisering van zowel de ontwikkeling als de vrede. Dikwijls wordt de ontwikkeling van de volken gezien als een kwestie van financieringstechniek, het ontsluiten van markten, het verlagen van invoerrechten, het investeren in productie, institutionele hervormingen – uiteindelijk als een puur technische kwestie. Al deze terreinen zijn uiterst belangrijk, maar men moet zich wel afvragen waarom de beslissingen op technisch gebied tot nu toe slechts gedeeltelijk hebben gefunctioneerd. De reden daarvoor moet dieper gezocht worden. De ontwikkeling zal nooit volkomen gewaarborgd worden door krachten die als het ware automatisch en onpersoonlijk zijn – of het nu de krachten van de markt of van de internationale politiek zijn. Zonder rechtschapen mensen, zonder economische deskundigen en politici, die in geweten de oproep tot het algemeen welzijn nadrukkelijke leven, is ontwikkeling niet mogelijk. Zowel de professionele voorbereiding als de morele consequentie zijn noodzakelijk. Als de verabsolutering van de techniek doorzet, zullen doelen en middelen met elkaar verwisseld worden; de ondernemer zal de hoogste winst als enig criterium voor zijn handelen beschouwen; de politicus de consolidatie van de macht; de wetenschapper de resultaten van zijn ontdekkingen. Zo kan het gebeuren dat onder het netwerk van economische, financiële of politieke relaties toch dikwijls onbegrip, onbehagen en ongerechtigheden voortbestaan. De stromen van technische deskundigheid groeien aan, echter alleen tot voordeel van de eigenaars, terwijl de feitelijke situatie van de volken, die aan gene zijde en bijna altijd in de schaduw van die stromen leven, verder onveranderd blijft en geen werkelijke mogelijkheden tot emancipatie heeft.
Ook de vrede loopt soms gevaar als een technisch product beschouwd te worden – slechts als resultaat van overeenkomsten tussen regeringen of van initiatieven tot het zeker stellen van doeltreffende economische hulp. Het is juist dat de opbouw van de vrede evenzeer het voortdurend aanknopen vereist van diplomatieke contacten, economische en technologische uitwisseling, culturele contacten, overeenkomsten over gemeenschappelijke plannen, alsook de aanvaarding van gezamenlijk gedeelde verplichtingen, om oorlogsdreigingen te beteugelen en de regelmatig terugkerende terroristische uitdagingen met wortel en tak uit te roeien. Opdat deze pogingen duurzame effecten zullen produceren, moeten ze echter kunnen steunen op waarden die in de waarheid van het leven geworteld zijn. Dat wil zeggen dat men moet luisteren naar de stemmen van de betrokken bevolking en hun toestand in ogenschouw nemen, om hun verwachtingen in overeenstemming daarmee te interpreteren. Hier moet men zich, om zo te zeggen, op één rij stellen met de anoniem geleverde inspanningen van zo veel mensen, die zich er zeer voor inzetten de ontmoeting tussen de volken te bevorderen en de ontwikkeling, uitgaande van liefde en wederzijds begrip, te stimuleren. Onder deze personen zijn ook gelovige Christenen, die deel hebben aan de grote opdracht de ontwikkeling en de vrede een volledig menselijke zin te geven.
De sterk gegroeide verspreiding van de sociale communicatiemiddelen is verbonden met de technologische ontwikkeling. Het is intussen bijna onmogelijk zich het bestaan van de familie van de mensheid zonder die middelen voor te stellen. Zowel ten goede als ten kwade zijn ze dermate aanwezig in het leven van de wereld, dat de mentaliteit van degenen die beweren dat de sociale communicatiemiddelen neutraal zijn, en daarom eisen dat ze moeten worden beschouwd als autonoom wat betreft de op de mensen betrekkinghebbende moraal, werkelijk absurd lijkt. Dergelijke zienswijzen, die de strikt technische aard van de media nadrukkelijk beklemtonen, werken in feite dikwijls in de hand dat deze ondergeschikt gemaakt worden aan economische berekening, met de bedoeling de markt te beheersen en niet op de laatste plaats met het verlangen culturele modellen op te leggen, die projecten van ideologische en politieke macht dienen. Gegeven de fundamentele betekenis van de media bij de bepaling van de manier waarop de werkelijkheid en de menselijke persoon zelf worden waargenomen en gekend, is een zorgvuldige overweging van de invloed ervan, in het bijzonder wat betreft de ethisch-culturele dimensie van de globalisering en de solidaire ontwikkeling van de volken, noodzakelijk. In overeenstemming met datgene wat door een juiste omgang met de globalisering en ontwikkeling wordt geëist, moeten de zin en de doelstelling van de media worden gezocht in het antropologisch fundament ervan. Dat betekent dat ze niet slechts gelegenheid tot humanisering kunnen worden als zij, dankzij de technologische ontwikkeling, grotere mogelijkheden tot communicatie en informatie bieden, maar vooral als ze worden georganiseerd en georiënteerd in het licht van een beeld van de mens en van het algemeen welzijn, dat de universele betekenis daarvan weerspiegelt. De sociale communicatiemiddelen bevorderen de vrijheid niet, noch globaliseren ze ontwikkeling en democratie voor allen, eenvoudigweg omdat ze de mogelijkheden tot het leggen van verbindingen en het verspreiden van ideeën sterk vergroten. Om zo’n doel te bereiken moeten ze gericht zijn op de bevordering van de waardigheid van de mensen en van de volkeren, nadrukkelijk bezield zijn door de liefde, en in dienst staan van de waarheid, van het goede, alsook van de natuurlijke en bovennatuurlijke broederlijkheid. In de mensheid is de vrijheid namelijk nauw verbonden met deze hogere waarden. De media kunnen een waardevolle hulp zijn om de gemeenschap van de familie van de mensheid en de ethos van de samenleving te doen groeien, als zij worden tot werktuigen ter bevordering van de algemene deelname aan de gezamenlijke zoektocht naar dat wat rechtvaardig is.

Het belangrijkste en meest beslissende gebied van de culturele strijd tussen de absolute aanspraken van de techniek en de morele verantwoordelijkheid van de mens is vandaag de dag de bio-ethiek, waar de mogelijkheid van een totale menselijke ontwikkeling zelf op het spel staat. Het gaat om een uiterst precair en cruciaal gebied waar, met dramatische kracht, de vraag wordt gesteld of de mens zichzelf heeft voortgebracht, of dat hij afhankelijk is van God. De wetenschappelijke ontdekkingen op dit terrein en de mogelijkheden van technische ingrepen lijken zo geavanceerd te zijn dat ze ons stellen voor de keuze tussen twee soorten van rationaliteit: de rede die openstaat voor transcendentie of de rede die opgesloten is in de immanentie. Zo staat men voor een beslissend “of, of”. De rationaliteit van het op zichzelf gerichte technische maken toont echter aan dat het irrationeel is, omdat het een stellige afwijzing van zin en waarde met zich meebrengt. Het is niet toevallig dat het zich afsluiten voor transcendentie hevig in botsing komt met de moeilijkheid van het denken hoe uit het niets het zijn zou zijn voortgekomen en uit het toeval de rede. Vgl. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Tot de deelnemers aan het vierde algemene vergadering van de Italiaanse Kerkprovincie - Jaarbeurshal te Verona, Het getuigenis van de verrezen Christus - Over de aanwezigheid van de Kerk in de samenleving (19 okt 2006) Vgl. Paus Benedictus XVI, Homilie, H. Mis op het Islinger Feld bij Regensburg, De mens zonder God is niet mogelijk (12 sept 2006) Geconfronteerd met deze dramatische problemen, helpen rede en geloof elkaar wederzijds. Alleen gezamenlijk zullen ze de mens redden. De door zuiver technisch handelen geboeide rede is zonder het geloof ertoe veroordeeld zich te verliezen in de illusie van de eigen almacht. Het geloof zonder de rede loopt het gevaar vervreemd te raken van het concrete leven van de mensen. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Instructie betreffende zekere bio-ethische vraagstukken, Dignitas Personae (8 sept 2008)

Reeds Paus Paulus VI had de wereldwijde horizon van het sociale vraagstuk erkend en erop gewezen. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 3 Wie hem op deze weg volgt, moet vandaag de dag vaststellen dat het sociale vraagstuk op radicale wijze tot antropologisch vraagstuk is geworden, omdat het de mogelijkheid zelf inhoudt het leven, dat door de bio-technologie steeds meer in de handen van de mens wordt gelegd, niet alleen te begrijpen maar ook te manipuleren. In de huidige cultuur die van alle illusies wordt beroofd, die gelooft alle geheimen blootgelegd te hebben, omdat men reeds de wortel van het leven heeft bereikt, komt het tot ontwikkeling en bevordering van in-vitrofertilisatie, embryo-onderzoek, mogelijkheden tot klonen en hybridiseren van de mens. Hier komt de absolute aanspraak van de techniek maximaal tot uitdrukking. In dit soort cultuur wordt het geweten er alleen nog toe geroepen kennis te nemen van een zuiver technische mogelijkheid. Men kan echter niet de verontrustende scenario’s voor de toekomst van de mens en de nieuwe machtige instrumenten, die de “cultuur van de dood” ter beschikking staan, bagatelliseren. Naast de wijdverbreide, tragische plaag van abortus provocatus zou het in de toekomst – maar heimelijk reeds in nuce voorhanden – tot een systematische, eugenetische geboorteplanning kunnen komen. Van de andere kant wordt de weg bereid voor een mens euthanasica Vert.: een op euthanasie gerichte levenshouding, een niet minder schadelijke manifestatie van de heerschappij over het leven, dat onder bepaalde omstandigheden niet meer als levenswaardig wordt beschouwd. Achter deze scenario’s staan culturele opvattingen, die de menselijke waardigheid ontkennen. Deze praktijken zijn er, hunnerzijds, op gericht een materiële en mechanistische opvatting over het menselijk leven te stimuleren. Wie zal de negatieve uitwerkingen van een dergelijke mentaliteit op de ontwikkeling kunnen meten? Hoe zal men zich nog kunnen verwonderen over de onverschilligheid jegens situaties van menselijk verval, als onverschilligheid zelfs het kenmerk is van onze houding met betrekking tot wat menselijk is en wat niet? De willekeurige selectiviteit van alles wat vandaag de dag als te eerbiedigen wordt gepresenteerd is verbazingwekkend. Terwijl velen meteen bereid zijn zich boos te maken over bijzaken, lijken zij ongehoorde onrechtvaardigheden te gedogen. Terwijl de armen van de wereld nog steeds aan de deuren van de overvloed kloppen, loopt de rijke wereld het gevaar dat kloppen op haar deur niet meer te horen, als gevolg van een geweten dat niet langer in staat is het menselijke te herkennen. God openbaart de mens aan de mens; de rede en het geloof werken samen om hem het goede te tonen, als hij het maar wilde zien. De natuurwet waarin de rede van de Schepper oplicht, toont de grootheid van de mens, maar ook zijn ellende, als hij de oproep tot de morele waarheid niet aanneemt.
Een van de aspecten van de moderne vertechniseerde geest wordt gevormd door de neiging de met het innerlijk leven verbonden vragen en emoties alleen te beschouwen vanuit een psychologisch standpunt, tot het punt van neurologisch reductionisme toe. Zo wordt het innerlijk van de mens leeggemaakt en het bewustzijn van de ontologische aard van de menselijke ziel met haar diepten, die de heiligen wisten te doorgronden, gaat allengs verloren. De vraag van de ontwikkeling is ook nauw verbonden met onze opvatting over de ziel van de mens, omdat ons “ik” dikwijls wordt gereduceerd tot de psyche, en de gezondheid van de ziel wordt verward met emotioneel welbevinden. Aan deze beperkingen ligt een diep onbegrip van het geestelijk leven ten grondslag. Ze leiden ertoe dat men niet wil erkennen dat de ontwikkeling van de mens en van de volken echter toch ook van de oplossing van geestelijke problemen afhankelijk is. De ontwikkeling moet behalve de materiële ook de verstandelijke en geestelijke groei omvatten, daar de mens “lichamelijk en geestelijk, niettemin één wezen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 14 is, geboren uit Gods scheppende liefde en bestemd tot eeuwig leven. De mens ontwikkelt zich als hij groeit in de geest, als zijn ziel zichzelf kent, evenals de waarheden die God er als kiem heeft ingeplant, als hij met zichzelf en zijn Schepper spreekt. Ver van God is de mens rusteloos en ziek. De sociale en psychologische vervreemding, en de vele neurosen die kenmerkend zijn voor rijke samenlevingen, verwijzen ook naar oorzaken van geestelijke aard. Een materieel ontwikkelde maar voor de ziel beklemmende welvaartsmaatschappij is op zich en voor zich niet gericht op echte ontwikkeling. De nieuwe vormen van verslaving aan drugs en de vertwijfeling waarin veel mensen geraken, hebben niet alleen slechts een sociologische en psychologische maar ook een wezenlijk geestelijke verklaring. De leegte waaraan de ziel zich, ondanks vele therapieën voor lijf en psyche overgelaten voelt, roept lijden op. Er bestaat geen volledige ontwikkeling en geen universeel algemeen welzijn zonder het geestelijke en morele welzijn van, in de totaliteit van ziel en lichaam beschouwde, personen.
De absolute aanspraak van de techniek kan een onvermogen doen ontstaan om datgene waar te nemen dat zich niet slechts laat verklaren louter en alleen in termen van materie. En toch ervaren alle mensen zoveel immateriële en geestelijke aspecten van hun leven. Kennen is niet alleen maar een materiële act, omdat het gekende altijd iets verbergt dat boven het empirische gegeven uitgaat. Ieder inzicht, zelfs het meest eenvoudige, is altijd een klein wonder, omdat dit zich met de materiële middelen die wij gebruiken nooit volledig verklaren laat. In iedere waarheid steekt meer dan wij zelf hadden verwacht, in de liefde die wij ontvangen is altijd iets verrassends voor ons. Wij mogen nooit ophouden ons over dit wonder te verbazen. In ieder inzicht en in iedere daad van liefde ervaart de ziel van de mens een “meer”, dat zeer op een ontvangen gave gelijkt, op een verhevenheid, een “meer” waartoe wij ons verhoogd voelen. Ook de ontwikkeling van de mens en van de volken staat op een vergelijkbare hoogte, als we de geestelijke dimensie beschouwen, die noodzakelijkerwijs het kenmerk van deze ontwikkeling moet zijn, opdat die echt kan zijn. Daarvoor zijn nieuwe ogen en een nieuw hart vereist, die in staat zijn de materialistische kijk op de menselijke gebeurtenissen te overwinnen en in de ontwikkeling een “daarbovenuit” te zien, dat de techniek niet kan geven. Op die weg zal het mogelijk zijn die totale menselijke ontwikkeling voort te zetten, die de richting laat bepalen door de stuwende kracht van liefde in waarheid.

Document

Naam: CARITAS IN VERITATE
Liefde in Waarheid - Over de integrale ontwikkeling van de mens in liefde en waarheid
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 29 juni 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana / RKKerk.nl
Vert.: Dr. N. Stienstra met medewerking van drs. N. Schnell, pr.
Op enkele punten bewerkt voor deze site door redactie
Bewerkt: 14 september 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam