• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De liefde in de waarheid stelt de mens voor de verbazingwekkende ervaring van de gave. In zijn leven is de gratuïteit in vele vormen aanwezig maar wordt vaak niet herkend wegens een louter productivistische en utilitaristische visie op het bestaan. Het mens-zijn is gemaakt voor de gave; de gave die uitdrukking geeft aan de transcendente dimensie van het mens-zijn en deze dimensie realiseert. Vaak is de moderne mens ten onrechte ervan overtuigd de enige auteur van zichzelf, van zijn leven en van de maatschappij te zijn. Dit is een verwaandheid die volgt op het egoïstisch in zichzelf opgesloten zijn, welke voortkomt uit – om het met de termen van het geloof te zeggen – de erfzonde. De wijsheid van de Kerk heeft steeds voorgehouden om de erfzonde voor ogen te houden ook in de interpretatie van sociale gegevens en opbouw van de gemeenschap: “De ontkenning dat de mens een gewonde natuur heeft die neigt naar het kwade, is de oorzaak van ernstige vergissingen op het gebied van de opvoeding, de politiek, de sociale actie en de gebruiken.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 407 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 25 In de lijst van gebieden waarin zich de gevaarlijke effecten van de erfzonde tonen, is er nu sinds geruime tijd ook het gebied van de economie bijgekomen. Hiervan hebben we ook in deze periode evident bewijs. De overtuiging zelfvoorzienend te zijn en erin te slagen om het kwaad in de geschiedenis te verwijderen enkel door eigen handelen heeft de mens ertoe geleid om geluk en heil te doen samenvallen met immanente vormen van materieel welzijn en sociale actie. De overtuiging vervolgens dat de economie autonoom moet zijn, dat zij geen morele “invloeden” dient te aanvaarden heeft de mens ertoe geleid om het economische instrument te misbruiken op zelfs vernietigende wijze. Uiteindelijk hebben deze overtuigingen geleid tot economische, sociale en politieke systemen die de vrijheid van de persoon en de sociale instellingen verdrukt hebben en hierdoor niet in staat zijn om de rechtvaardigheid die zij bevorderen, te verzekeren.

Op deze wijze –zoals ik gesteld heb in mijn encycliek Paus Benedictus XVI - Encycliek
Spe Salvi
Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop
(30 november 2007)
- maakt men de geschiedenis los van de christelijke hoop Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 17, welke daarentegen een krachtige sociale schat is ten dienste van de integrale menselijke ontwikkeling in vrijheid en rechtvaardigheid. De hoop bemoedigt de rede en geeft ze de kracht om richting te geven aan de wil. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 23 Dit is al aanwezig in het geloof, waaruit de hoop trouwens opgewekt wordt. De liefde in de waarheid wordt hierdoor gevoed en maakt deze hoop tegelijkertijd zichtbaar. De hoop, als absoluut gratuite gave van God, breekt in in ons leven als iets dat niet moest, dat elke wet van de rechtvaardigheid overstijgt. Vanuit haar wezen overstijgt de gave de verdienste, haar regel is de overmaat. De gave gaat aan onze eigen ziel vooraf als teken van de aanwezigheid van God in ons en van Zijn verwachting inzake onze verhoudingen.

De waarheid, die zoals de liefde een gave is, is groter dan ons, zoals Sint-Augustinus H. Augustinus, De Libero Arbitrio (1 jan 388). II 3,8,27 e.v. Sint-Augustinus zet deze leer op gedetailleerde wijze uiteen in de dialoog over de vrije wil. Hij wijst op het bestaan in de menselijke ziel van een “inwendig zintuig”. Dit zintuig bestaat in een handeling die zich voltrekt buiten de normale functies van de rede om, een niet-bereflecteerde en bijna instinctieve handeling waardoor de rede, terwijl zich rekenschap geeft van haar voorbijgaande en feilbare natuur, het bestaan erkent van iets dat eeuwig, absoluut waar en zeker is, boven haarzelf. De naam die Sint-Augustinus geeft aan deze inwendige waarheid is soms de naam van God (zie volgende noot) Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 10,24,35; 12,25,35 Vgl. H. Augustinus, De Libero Arbitrio (1 jan 388). 3,8,27 De heilige Augustinus noemt deze innerlijke waarheid maar vaker Christus (zie volgende noot) Vgl. H. Augustinus, De leermeester, De magistra. 11,38 Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 7,18,24; 11,2,4 ons leert. Ook de waarheid over onszelf, over ons persoonlijk geweten is eerst en vooral “gegeven”. Immers, in elk kenproces wordt de waarheid niet door ons gemaakt maar altijd gevonden, of beter, ontvangen. De waarheid, zoals de liefde, “wordt niet geboren uit het denken en het willen maar dringt zich in zekere zin op aan de mens.” Paus Benedictus XVI, Encycliek, God is Liefde, Deus Caritas Est (25 dec 2005), 3

Omdat de liefde in de waarheid een gave is die door iedereen ontvangen wordt, is het een kracht die de gemeenschap bepaalt, die mensen verenigt op een wijze waarin er geen grenzen of barrières zijn. De mensengemeenschap mag uit onszelf bestaan, maar op eigen kracht zal ze nooit een volwaardig broederlijke gemeenschap zijn noch gestuwd worden voorbij elke grens, d.w.z. een echt universele gemeenschap zijn: de eenheid van het mensengeslacht, een broederlijke gemeenschap zonder enige verdeeldheid ontstaat uit de aanroeping van de waarde van God-Liefde.

In het trotseren van deze beslissende vraag dienen wij te verduidelijken dat enerzijds de logica van de gave de rechtvaardigheid niet uitsluit noch zich in een tweede moment en van buiten uit plaatst naast de gave. Anderzijds dienen wij te verduidelijken dat de economische, sociale en politieke ontwikkeling, indien deze authentiek menselijk wil zijn, nood heeft om ruimte te maken voor het principe van gratuïteit als uitdrukking van broederlijkheid.

De markt, indien er wederzijds en algemeen vertrouwen is, is de economische instelling die de ontmoeting toelaat tussen personen als economische actoren die het contract gebruiken als regel van hun verhoudingen en die goederen en diensten onder hen uitwisselen om te voldoen aan hun noden en verlangens. De markt is onderworpen aan de principes van de zogenoemde “corrigerende rechtvaardigheid” die precies de verhoudingen van geven en ontvangen tussen gelijke subjecten regelt.

Maar de sociale leer van de Kerk heeft steeds het belang benadrukt van de “verdelende rechtvaardigheid” en van de sociale rechtvaardigheid voor dezelfde markteconomie, niet enkel omdat deze markteconomie ingevoegd is in een breder sociaal en politiek kader, maar ook omwille van het netwerk van relaties waarin deze markteconomie zich realiseert. Immers, indien de markt enkel overgelaten wordt aan het principe van de gelijkwaardigheid van de verdeelde goederen, dan slaagt zij er niet in om deze sociale cohesie te realiseren die zij niettemin nodig heeft om goed te functioneren. Zonder interne vormen van solidariteit en wederzijds vertrouwen kan de markt niet ten volle haar eigen economische functie vervullen. En vandaag is het dit vertrouwen dat is komen te ontbreken en het verlies van vertrouwen is een ernstig verlies.

Op gepaste wijze heeft Paulus VI in H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
het feit onderstreept dat dit systeem voordeel zou halen uit een algemene praktijk van rechtvaardigheid in de zin dat de eersten die voordeel zouden halen uit deze ontwikkeling van de arme landen de rijke landen zouden zijn. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 49 Het betrof niet enkel een correctie van disfuncties door middel van hulp. De armen mogen niet beschouwd worden als “een last” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 28, maar veeleer als een schat, ook vanuit een strikt economisch standpunt. En toch dient de visie van diegenen die menen dat de markteconomie structureel nood heeft aan een quotum van armoede en onderontwikkeling om zo beter te functioneren beschouwd te worden als verkeerd. Het is in het belang van de markt om emancipatie te bevorderen maar om dit waarlijk te doen kan zij niet enkel op zichzelf rekenen omdat zij niet in staat is om vanuit zichzelf datgene te produceren wat boven haar mogelijkheden uitgaat. De markt moet morele energie halen uit andere subjecten, die in staat zijn om deze voort te brengen.

Het economisch leven kan niet alle sociale problemen oplossen enkel door de uitbreiding van het marktdenken. Het moet gericht worden op het bereiken van het algemeen welzijn, waarvoor ook en bovenal de politieke gemeenschap moet zorgen. Daarom mag niet worden vergeten dat de scheiding tussen de economische bedrijvigheid, die als opgave het creëren van rijkdom zou hebben, en de politiek, die middels herverdeling voor de rechtvaardigheid zou moeten zorgen, ernstige storingen veroorzaakt.

De Kerk heeft altijd het standpunt ingenomen dat economische bedrijvigheid niet als antisociaal mag worden gezien. De markt is op zich genomen geen plaats waar de armen worden onderdrukt door de rijken en mag dat ook niet worden. De samenleving hoeft zich derhalve niet tegen de markt te beschermen, alsof de ontwikkeling daarvan ipso facto tot vernietiging van waarachtig menselijke verhoudingen zou leiden. Het is zeker juist dat de markt een negatieve invloed kan hebben, niet omdat dit zou voortvloeien uit de aard ervan, maar omdat een bepaalde ideologie deze invloed kan veroorzaken. Er mag niet worden vergeten dat de markt niet in een zuivere vorm bestaat. De markt wordt bepaald door de culturele omstandigheden, die er concrete vorm en richting aan geven. De economie en het geldwezen kunnen, voor zover ze middelen zijn, inderdaad slecht gebruikt worden, als de verantwoordelijke zich slechts door egoïstische belangen laat leiden. Zo kunnen op zich goede middelen worden veranderd in schadelijke middelen. Maar het is het verduisterde verstand van de mensen, dat tot deze gevolgen leidt, niet de middelen zelf. Daarom moet het appel niet aan het middel worden gericht, maar aan de mens, aan zijn morele geweten en aan zijn persoonlijke en sociale verantwoordelijkheid.

De sociale leer van de Kerk is van mening dat echte menselijke relaties in vriendschap en gemeenschap, in solidariteit en wederkerigheid, ook binnen de economische bedrijvigheid geleefd kunnen worden en niet alleen daarbuiten of “daarna”. Het terrein van de economie is noch moreel neutraal, noch in essentie onmenselijk en antisociaal. Het behoort tot de menselijke activiteit en moet, juist omdat het menselijk is, vanuit een moreel gezichtspunt gestructureerd en geïnstitutionaliseerd worden.

Voor ons ligt een grote uitdaging, die is ontstaan door de problemen van de ontwikkeling in deze tijd van globalisering en die door de economische en financiële crisis nog wordt verergerd. Wij moeten in ons denken en handelen niet alleen laten zien dat de traditionele sociaal-ethische principes zoals transparantie, eerlijkheid en verantwoordelijkheid niet veronachtzaamd of afgezwakt mogen worden, maar ook dat in zakelijke betrekkingen het principe van de onbaatzuchtigheid en de logica van de gave, als uitdrukking van broederlijkheid, in het normale economische leven een plaats kunnen en moeten hebben. Dat is een eis aan de mens in onze huidige tijd, maar ook een eis aan het economisch denken zelf. Het is tegelijkertijd een eis van de liefde en de waarheid.

De sociale leer van de Kerk heeft altijd bevestigd dat de rechtvaardigheid alle fasen van de economische bedrijvigheid betreft, daar deze steeds met de mens en met zijn behoeften te maken heeft. Het verwerven van hulpbronnen, financiering, productie, consumptie en alle andere fasen hebben onvermijdelijk morele gevolgen. Zo heeft iedere economische beslissing een moreel gevolg. Dit alles wordt ook bevestigd door de sociale wetenschappen en de tendens van de huidige economie. Misschien was het vroeger denkbaar dat het scheppen van rijkdom aan de economie werd toevertrouwd, waarna aan de politiek de taak kon worden overgedragen deze te verdelen. Tegenwoordig lijkt dat moeilijker, daar de economische bedrijvigheid niet aan territoriale grenzen is gebonden, terwijl het gezag van de regeringen nog steeds voornamelijk plaatselijk bepaald is. Daarom moeten de regels van de gerechtigheid vanaf het begin in acht worden genomen, al terwijl het economisch proces in gang is, en niet meer daarna of gelijktijdig. Daarenboven is het nodig dat er ruimte wordt geschapen voor de economische bedrijvigheid van organisaties, die hun handelen uit vrije wil richten naar principes die zich onderscheiden van het enkele streven naar winst, maar desondanks toch economische waarden willen produceren. De vele uitdrukkingsvormen van de economie, die uit confessionele en niet-confessionele initiatieven zijn voortgekomen, tonen aan dat dit een concrete mogelijkheid is.

In de tijd van de globalisering wordt de economie beïnvloed door concurrerende modellen, die van zeer verschillende culturen afhankelijk zijn. De daaruit voortkomende vormen van gedrag, wat betreft economie en ondernemerschap, hebben als voornaamste ontmoetingspunt het in acht nemen van de corrigerende rechtvaardigheid. Het economische leven heeft zonder twijfel verdragen nodig, om de ruil van aan elkaar beantwoordende waarden te regelen. Eveneens zijn echter noodzakelijk rechtvaardige wetten, door de politiek geleide mechanismen van herverdeling en bovendien werken die gekenmerkt worden door de geest van de gave. De geglobaliseerde economie schijnt de voorkeur te geven aan de eerste logica, die van de contractueel overeengekomen goederenruil, maar direct en indirect laat ze zien dat ze de beide andere vormen ook nodig heeft, de logica van de politiek en de logica van de gave zonder tegenprestatie.

Mijn voorganger Paus Johannes Paulus II heeft de aandacht op deze problematiek gevestigd, toen hij in de Encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Centesimus Annus
Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum
(1 mei 1991)
wees op de noodzakelijkheid van een systeem met drie subjecten: de markt, de staat en de burgermaatschappij. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 35 In de burgermaatschappij zag hij het meest geëigende terrein voor een economie van de onbaatzuchtigheid en broederlijkheid, maar hij wilde de beide andere terreinen hierbij niet uitsluiten. Vandaag de dag kunnen we zeggen dat het economisch leven moet worden begrepen als een meerdimensionale realiteit: in alle dimensies moet in verschillende mate en in eigen vormen het aspect van de broederlijke wederzijdsheid voorhanden zijn. In de tijd van de globalisering kan de economische bedrijvigheid niet afzien van onbaatzuchtigheid, die de solidariteit en het verantwoordelijkheidsbewustzijn voor de gerechtigheid en het algemeen welzijn bij de verschillende deelnemers aan het economisch proces verbreidt en voedt. Het gaat daarbij tenslotte om een concrete en diepgaande vorm van economische democratie. Solidariteit is eerst en vooral een gevoel van verantwoordelijkheid van iedereen ten aanzien van allen, N.v.d.r.: Zinsnede "Solidariteit... allen" niet in SRKK versie  Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 38
kan daarom niet alleen aan de staat gedelegeerd worden. Terwijl men vroeger van mening kon zijn dat men eerst voor gerechtigheid zou moeten zorgen en dat de onbaatzuchtigheid daarna als toevoegsel erbij zou komen, moet men vandaag de dag vaststellen, dat zonder onbaatzuchtigheid ook de gerechtigheid niet bereikt kan worden. Er is daarom een markt nodig waar ondernemingen met verschillende doelstellingen vrij en onder gelijke omstandigheden actief kunnen zijn. Naast de op winst gerichte particuliere ondernemingen en de verschillende soorten staatsondernemingen, moeten ook de productieverbanden, die naar wederkerige en sociale doelen streven, een plaats vinden en actief kunnen zijn. Men mag hopen dat hun ontmoeting op de markt tot een soort kruising en vermenging van ondernemersgedrag leidt en dat er in het vervolg aandacht wordt besteed aan een beschaving van de economie. Liefde in waarheid betekent in dit geval dat aan die economische initiatieven vorm en structuur worden gegeven, die winst weliswaar niet uitsluiten, maar willen uitstijgen boven de logica van het equivalentieprincipe en winst als doel op zichzelf.

Paus Paulus VI sprak zich in de Encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
uit voor de creatie van een model van markteconomie, dat tenminste in potentie alle volken kan insluiten en niet alleen degene die over de passende mogelijkheden en bekwaamheden beschikken. Hij wilde zich ervoor inzetten dat er een wereld zou ontstaan, die voor allen menselijker is, een wereld “waarin allen moeten geven en nemen, zonder dat de vooruitgang van de een de ontwikkeling van de ander in de weg staat”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 44 Daarmee breidde hij de eisen en doelen van de Encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Rerum Novarum
Over kapitaal en arbeid
(15 mei 1891)
uit tot universeel niveau. Toen deze Encycliek verscheen, als antwoord op de Industriële Revolutie, vond voor de eerste maal de toen zeker vooruitstrevende gedachte ingang, dat het voortbestaan van de sociale orde ook een herverdelend ingrijpen van de staat vereiste. Vandaag de dag blijkt deze zienswijze onvoldoende te zijn, nog afgezien van het feit dat ze door de openstelling van markten en sociale groepen in een crisis is geraakt, om aan de eisen van een volledig menselijke economie te voldoen. Wat de sociale leer van de Kerk, uitgaande van haar visie op de mens en de samenleving altijd heeft verdedigd, is vandaag de dag ook noodzakelijk op grond van de dynamiek die de globalisering met zich mee brengt.

Als de logica van de markt en de logica van de staat met wederzijdse instemming op het monopolie van hun respectieve invloedsferen blijven staan, gaat op lange termijn de solidariteit in de betrekkingen tussen de burgers, de medewerking en de deelname, evenals het onbaatzuchtige handelen, verloren. Deze beide invloedsferen onderscheiden zich van “geven om te hebben”, wat de logica van de ruil vormt, en “geven uit plicht”, wat geldt voor de publieke gedragingen, opgelegd door staatswetten. Het overwinnen van de onderontwikkeling vereist ingrijpen, niet alleen ter verbetering van de op goederenruil berustende transacties, niet alleen op het gebied van de prestaties van publieke hulpvoorziening, maar bovenal wat betreft een voortschrijdende openheid op wereldwijd niveau voor economische bedrijvigheid, die zich onderscheidt door een aandeel van onbaatzuchtigheid en gemeenschap. De exclusieve combinatie markt-staat ondermijnt de gemeenschapszin. De vormen van solidair economisch leven daarentegen, die hun meest vruchtbare bodem in de burgermaatschappij vinden, zonder zich daartoe te beperken, brengen solidariteit tot stand. Er is geen markt van onbaatzuchtigheid, en een houding van onbaatzuchtigheid kan niet per wet verordend worden. En toch heeft zowel de markt alsook de politiek mensen nodig die bereid zijn tot toewijding aan elkaar.

De huidige internationale economische dynamieken met hun ernstige afwijkingen en misstanden eisen dat ook het denken over het ondernemen ingrijpend moet veranderen. Oude vormen van ondernemerschap gaan hun einde tegemoet, maar aan de horizon worden nieuwe veelbelovende vormen zichtbaar. Een van de grote gevaren is zeker dat de onderneming bijna uitsluitend verantwoordelijk is tegenover de investeerders en zo tenslotte aan betekenis voor de samenleving inboet. Op grond van de groeiende omvang en de toenemende behoefte aan kapitaal worden steeds minder ondernemingen geleid door één en dezelfde ondernemer, die zich op lange termijn – en niet slechts tijdelijk – voor de activiteiten en de resultaten van zijn onderneming verantwoordelijk voelt, en steeds minder vaak zijn ondernemingen van slechts één regio afhankelijk. Bovendien kan de zogenaamde uitbesteding van productiecapaciteit het verantwoordelijkheidsbesef van de ondernemer ten opzichte van belanghebbenden, zoals werknemers, toeleveranciers, consumenten, het milieu en de wijdere sociale omgeving, doen verminderen ten gunste van de aandeelhouders, die niet aan een bepaalde plaats gebonden zijn en daarom buitengewoon mobiel zijn. De internationale kapitaalmarkt biedt vandaag de dag inderdaad een grote speelruimte waar het activiteiten betreft. Tegelijk groeit echter ook het bewustzijn van de noodzaak van een verder reikende “sociale verantwoordelijkheid” van de onderneming. Ook als niet alle ethische concepten die vandaag de dag de discussies over de sociale verantwoordelijkheid van de onderneming bepalen, aanvaardbaar zijn vanuit het oogpunt van de sociale leer van de Kerk, dan is het toch een feit dat er een groeiende overtuiging is dat de leiding van de onderneming niet alleen op de belangen van de eigenaren acht mag slaan, maar ook in moet gaan op die van alle categorieën personen, die bijdragen tot het bestaan van de onderneming: de werknemers, de klanten, de toeleveranciers van de verschillende productieonderdelen, de gemeenschap waarbinnen de onderneming gevestigd is. In de afgelopen jaren kon men een groeiende kosmopolitische klasse van managers gadeslaan, die zich dikwijls alleen naar de aanwijzingen van de belangrijkste aandeelhouders richten, waarbij het normaalgesproken om anonieme fondsen gaat, die de facto het inkomen van de manager bepalen. Maar vandaag de dag zijn er toch ook veel managers die zich, dankzij bredere analyses, steeds meer bewust worden van de diepgaande verbindingen die hun onderneming heeft met het gebied of de gebieden waar gewerkt wordt. Paus Paulus VI heeft mensen uitgenodigd ernstig te bedenken hoeveel schade men het eigen land kan berokkenen als kapitaal alleen omwille van het persoonlijke voordeel naar het buitenland overgebracht wordt. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 24 Paus Johannes Paulus II constateerde dat een investering naast een economische ook altijd een morele betekenis heeft. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 36 Het moet benadrukt worden dat dit alles vandaag de dag ook nog geldt, ook al is de kapitaalmarkt sterk geliberaliseerd en kan de moderne technologische denkwijze een mens ertoe verleiden in een investering slechts een technisch proces te zien, en niet ook een menselijke en ethische handeling. Er is geen reden te ontkennen dat een zeker kapitaal iets goeds teweeg kan brengen als het in het buitenland en niet in eigen land wordt geïnvesteerd. Maar de aanspraken van de rechtvaardigheid moeten gewaarborgd zijn, waarbij ook in beschouwing genomen moet worden hoe dit kapitaal is ontstaan en welke schade mensen ondervinden als het niet wordt ingezet op de plaats waar het gevormd is. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 24 Men moet vermijden dat financiële middelen gebruikt worden voor speculatie en dat men toegeeft aan de bekoring alleen winst op korte termijn te zoeken zonder te denken aan de duurzaamheid van de onderneming op lange termijn, het nut van de investering voor de reële economie, en de zorg voor passende en geschikte bevordering van economische initiatieven in ontwikkelingslanden. Evenmin is er reden om te ontkennen dat verplaatsing naar het buitenland, indien verbonden met investeringen en scholing, voor de bevolking van het desbetreffende land ten goede kan werken. Arbeid en technische kennis zijn overal nodig. Het is echter niet toelaatbaar een verplaatsing alleen uit te voeren om van bepaalde gunstige omstandigheden te profiteren of zelfs om anderen uit te buiten, zonder een echte bijdrage te leveren aan het ontstaan van een stabiel, productief en sociaal systeem voor de plaatselijke samenleving, hetgeen een onontbeerlijke voorwaarde voor een duurzame ontwikkeling vormt.
In dit verband is het van groot nut erop te wijzen dat economische bedrijvigheid meerdere waarden omvat, en deze steeds meer moet vervullen. De reeds lange tijd prevalerende combinatie van markt en staat heeft ons eraan gewend doen raken enerzijds alleen te denken aan de particuliere ondernemer van de kapitalistische soort, en anderzijds aan de leiders van staatsondernemingen. In werkelijkheid is een gedifferentieerd begrip van economische bedrijvigheid vereist. Dat volgt uit een serie van meta-economische beweegredenen. De economische bedrijvigheid heeft een menselijke betekenis, die boven de beroepsmatige gaat. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 32 Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 25 Deze vormt onderdeel van alle werk, als dit als “actus personaeH. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 24 wordt beschouwd. Daarom is het goed iedere werknemer de mogelijkheid te bieden zijn persoonlijke bijdrage te leveren, zodat hij zichzelf “bewust is dat hij ‘voor eigen zaak’ werkt”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 15 Niet toevallig heeft Paus Paulus VI geleerd dat “ieder die werkt in zekere zin schepper is”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 27 Juist om recht te doen aan de behoeften en de waardigheid van de werkende mens, evenals aan de behoeften van de samenleving, zijn er verschillende soorten ondernemingen, veel meer dan het enkele onderscheid tussen “particuliere onderneming” en “staatsonderneming” aangeeft. Ieder daarvan vereist en verwezenlijkt een bijzondere bedrijfskundige bekwaamheid. Om te komen tot een economie die zich in de nabije toekomst in dienst kan stellen van het nationale en het wereldwijde algemeen welzijn, is het zinvol aan deze vérstrekkende betekenis van economische bedrijvigheid aandacht te schenken. Deze meeromvattende kijk bevordert de uitwisseling en de wederzijdse beïnvloeding van de verschillende soorten van economische bedrijvigheid, met een stroom van deskundigheid van organisaties zonder winstoogmerk naar organisaties met winstoogmerk en omgekeerd, van het publieke terrein naar de burgermaatschappij, van geavanceerde economieën naar die van ontwikkelingslanden.

Ook het "politieke gezag" omvat meerdere waarden, die op de weg naar de verwezenlijking van een nieuwe sociaal-verantwoordelijke en naar menselijke maat ingerichte economisch-productieve orde niet vergeten mogen worden. Zoals men over de gehele wereld een gedifferentieerde economische bedrijvigheid wil stimuleren, zo moet ook een gespreid, en op verschillende niveaus werkend, politiek gezag worden bevorderd. De onderling vergroeide economie van onze tijd elimineert de rol van de staten niet, doch verplicht eerder de regeringen tot een nauwere samenwerking. Wijsheid en verstand sporen ertoe aan niet te snel het einde van de staat uit te roepen. Met het oog op de oplossing van de huidige crisis zien we een groei van de rol van de staat, die veel bevoegdheden juist weer terug krijgt. Er zijn ook landen waar de opbouw of wederopbouw van de staat bovendien een sleutelrol in hun ontwikkeling speelt. De internationale hulp zou, in het kader van een solidair plan voor de oplossing van de huidige economische problemen, juist de versterking van de constitutionele, juridische en bestuurlijke structuren in de landen waar deze nog niet volkomen op orde zijn, moeten bevorderen. Naast economische hulp is er behoefte aan ondersteuning om de garanties te versterken die eigen zijn aan de rechtsstaat: een doeltreffend systeem van openbare orde en gevangeniswezen, met inachtneming van de mensenrechten, en werkelijk democratische instellingen. De staat moet niet overal dezelfde vorm hebben: de steun ter versterking van zwakke constitutionele systemen kan op uitstekende wijze door de ontwikkeling van andere politieke instanties naast de staat begeleid worden, instanties van culturele, sociale, regionale of religieuze aard. De opbouw van het politieke gezag op plaatselijk niveau, op het niveau van de nationale en internationale burgermaatschappij en op het niveau van de bovennationale en wereldwijde gemeenschap, is ook een van de belangrijkste manieren om richting te geven aan de economische globalisering. Het is de beste manier om te verhinderen dat deze de facto de fundamenten van de democratie ondermijnt.

Soms constateert men een fatalistische mentaliteit ten opzichte van de globalisering, alsof er sprake zou zijn van een dynamiek van onpersoonlijke, anonieme krachten en van structuren die onafhankelijk zijn van de menselijke wil. Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Over de christelijke vrijheid en bevrijding, Libertatis conscientia (22 mrt 1986), 74 Wat dit betreft is het goed in herinnering te roepen dat de globalisering zeker een socio-economisch proces vormt, maar dat dit niet de enige dimensie ervan is. Achter het duidelijk zichtbare proces staat een in toenemende mate met elkaar vervlochten mensheid. Die wordt gevormd door personen en volken, voor wie dit proces tot nut en tot ontwikkeling moet strekken, Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Interview, Met het katholieke dagblad La Croix (20 aug 1997) doordat zowel de individuen alsook de gemeenschap hun respectieve verantwoordelijkheden op zich nemen. Het overwinnen van grenzen is niet alleen een materiële aangelegenheid maar, waar het oorzaak en gevolg betreft, ook een culturele kwestie. Als globalisering deterministisch geïnterpreteerd wordt, gaan de criteria voor de evaluatie en organisatie ervan verloren. Globalisering is een menselijke realiteit, waarachter zich verschillende culturele stromingen kunnen bevinden, die zorgvuldig afgewogen moeten worden. De waarheid van het globaliseringsproces en het fundamentele ethische criterium ervan zijn gegeven in de eenheid van de familie van de mensheid en het vorderingen maken in het goede. Daarom is een onophoudelijke inzet nodig voor de bevordering van een personalistische en gemeenschappelijke, alsook een voor transcendentie openstaande, culturele oriëntatie van het wereldomvattende integratieproces.

Ondanks enkele structureel bepaalde dimensies, die niet te loochenen zijn, maar evenmin verabsoluteerd moeten worden, is “globalisering a priori goed noch slecht. Globalisering zal zijn wat de mensen ervan maken”. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de Pauselijke Academie voor Sociale Wetenschappen (2001) (27 apr 2001) Wij mogen geen slachtoffers zijn maar moeten vormgevers worden, door verstandig te handelen en ons te laten leiden door de liefde en de waarheid. Blinde tegenstand zou een verkeerde houding zijn, een vooroordeel dat er uiteindelijk toe zou leiden een proces te miskennen, dat ook vele positieve kanten heeft, en zo het gevaar te lopen een grote kans te verspelen deel te nemen aan de veelsoortige ontwikkelingsmogelijkheden, dat dit toch biedt. De op juiste wijze geplande en uitgevoerde globaliseringsprocessen maken op wereldwijd niveau een grote herverdeling van de rijkdom mogelijk, zoals die er nog nooit is geweest. Als deze processen echter slecht gestuurd worden, kunnen ze daarentegen leiden tot een toename van armoede en ongelijkheid, en zouden met een crisis de gehele wereld kunnen aansteken. Het is nodig ook de zware onvolkomenheden van deze processen uit de wereld te helpen, die nieuwe verdeeldheden tussen volken en binnen volken veroorzaken, en ervoor zorgen dat de herverdeling van de rijkdom niet plaatsvindt middels een herverdeling van de armoede, of deze zelfs doet toenemen, hetgeen een slechte omgang met de huidige situatie zou kunnen doen vrezen. Men heeft lange tijd gedacht dat de arme volken in een van tevoren vastgelegd ontwikkelingsstadium zouden moeten blijven en genoegen moeten nemen met de filantropie van de ontwikkelde volken. Tegen die mentaliteit heeft Paus Paulus VI in de Encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
stelling genomen. Vandaag de dag zijn de ter beschikking staande materiële mogelijkheden om deze volken uit de armoede te redden potentieel groter dan vroeger, maar ze zijn voornamelijk in beslag genomen door de ontwikkelde volken zelf, die meer konden profiteren van het proces van de liberalisering van de mobiliteit van kapitaal en arbeidskracht. De wereldwijde uitbreiding van de welstand mag daarom niet door egoïstische, protectionistische en door individuele belangen geleide projecten worden afgeremd. De betrokkenheid van jonge industrielanden en ontwikkelingslanden maakt vandaag de dag een betere omgang met de crisis mogelijk. De bij het globaliseringsproces behorende verandering brengt grote moeilijkheden en gevaren met zich mee, die alleen overwonnen kunnen worden als men zich bewust is van de antropologische en ethische geest, die uit de diepte de globalisering zelf in de richting van een solidaire humanisering leidt. Helaas wordt die geest dikwijls bedolven en onderdrukt door individualistisch en utilitaristisch gekleurde ethisch-culturele zienswijzen. De globalisering is een gecompliceerd verschijnsel met vele facetten, dat in de verscheidenheid en eenheid van al zijn dimensies – inclusief de theologische – begrepen moet worden. Zo zal het mogelijk zijn de globalisering van de mensheid in de zin van relatie, gemeenschap en deelname te leven en richting te geven.

Document

Naam: CARITAS IN VERITATE
Liefde in Waarheid - Over de integrale ontwikkeling van de mens in liefde en waarheid
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 29 juni 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana / RKKerk.nl
Vert.: Dr. N. Stienstra met medewerking van drs. N. Schnell, pr.
Op enkele punten bewerkt voor deze site door redactie
Bewerkt: 14 september 2019

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam