• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Paus Paulus VI had een genuanceerde kijk op ontwikkeling. Met het begrip “ontwikkeling” wilde hij het doel aanduiden om de volken voor alles te helpen bij het overwinnen van honger, ellende, endemische ziekten en analfabetisme. Dat betekende vanuit economisch standpunt hun actieve deelname aan het economische proces, op basis van gelijkheid; vanuit sociaal standpunt hun ontwikkeling tot beschaafde en solidaire samenlevingen; vanuit politiek standpunt de consolidering van democratische regimes, die in staat zijn vrijheid en vrede zeker te stellen. Terwijl wij nu, na vele jaren, met zorg naar de ontwikkelingen en naar de perspectieven van de opeenvolgende crisissen kijken, vragen wij ons af in hoeverre de verwachtingen van Paus Paulus VI door het tijdens de laatste decennia toegepaste ontwikkelingsmodel in vervulling zijn gegaan. Wij erkennen aldus dat de vrees van de Kerk, wat betreft de capaciteiten van de puur technisch georiënteerde mens om zich realistische doelen te stellen en de beschikbare middelen op passende wijze te gebruiken, gegrond was. Winst is nuttig als middel tot een doel dat zin verleent aan zowel de wijze van het verkrijgen als aan het gebruik ervan. Het exclusief gericht zijn op winst loopt, als die op onjuiste wijze wordt verkregen en het einddoel niet het algemeen welzijn is, het gevaar bezit te vernietigen en armoede teweeg te brengen. De door Paus Paulus VI verlangde economische ontwikkeling zou zo gericht moeten zijn dat een echte, tot iedereen uit te breiden en werkelijk duurzame groei tot stand wordt gebracht. Het is waar dat ontwikkeling een positieve factor was en nog steeds is, die miljarden mensen uit de ellende bevrijd heeft en gedurende de laatste tijd veel landen de mogelijkheid gegeven heeft om effectieve partners in de internationale politiek te worden. Men moet echter toegeven dat diezelfde economische ontwikkeling door vervormingen en dramatische problemen belast was en nog steeds is, en dat die tengevolge van de huidige crisissituatie nog meer op de voorgrond treden. Dit stelt ons voor beslissingen die niet uitgesteld kunnen worden en die in toenemende mate de bestemming betreffen van de mens zelf, waarbij deze overigens zijn natuur niet buiten beschouwing kan laten. De technische krachten die in het spel zijn, de wereldwijde onderlinge betrekkingen, de schadelijke gevolgen voor de reële economie van slecht uitgevoerde en hoofdzakelijk speculatieve financiële handelingen, de aanzienlijke, vaak teweeggebrachte en daarna slecht begeleide stromen van migranten, evenals de ongecontroleerde exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen – dat alles noopt ons er vandaag de dag toe na te denken over de noodzakelijke maatregelen voor de oplossing van problemen die, in vergelijking met de problemen die Paus Paulus VI aan de orde stelde, niet alleen nieuw zijn maar ook en bovenal een beslissende invloed hebben op het huidige en toekomstige welzijn van de mensheid. De aspecten van de crisis en de oplossing daarvoor, evenals die van een toekomstige nieuwe mogelijke ontwikkeling, zijn steeds meer met elkaar verbonden; ze veronderstellen elkaar en vereisen nieuwe pogingen om te komen tot gezamenlijk begrip en een nieuwe humanistische synthese. De complexiteit en de ernst van de huidige economische crisis maakt ons terecht bezorgd, maar toch moeten we met realisme, vertrouwen en hoop de nieuwe verantwoordelijkheden op ons nemen, waartoe we geroepen worden door het scenario van een wereld die behoefte heeft aan een ingrijpende culturele vernieuwing en de herontdekking van fundamentele waarden, waarop een betere toekomst gebouwd kan worden. De crisis verplicht ons onze weg opnieuw te ontwerpen, onszelf nieuwe regels te stellen en nieuwe vormen van inzet te vinden, aan te sturen op positieve ervaringen en de negatieve te verwerpen. Zo wordt de crisis aanleiding tot inzicht en een nieuw ontwerp. In deze grondhouding van vertrouwen – eerder dan berusting – moeten de moeilijkheden van het heden aangepakt worden.
Vandaag de dag is het kader van de ontwikkeling policentrisch. De handelende personen en de oorzaken in zowel de onderontwikkeling alsook de ontwikkeling zijn veelvormig; schuld en verdienste moeten van elkaar worden onderscheiden. Dit gegeven zou er ons toe moeten aansporen ons te bevrijden van de ideologieën die op dikwijls gekunstelde wijze proberen de werkelijkheid te vereenvoudigen, en er ons juist toe brengen objectief de menselijke complexiteit van de problemen te onderzoeken. De scheidslijn tussen rijke en arme landen is niet meer zo duidelijk als ten tijde van de Encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
; daar heeft Paus Johannes Paulus II al op gewezen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 28
Absoluut gezien neemt de wereldwijde rijkdom toe, maar de ongelijkheden worden groter. In rijke landen verarmen nieuwe sociale klassen en ontstaan nieuwe vormen van armoede. In armere gebieden verheugen sommige groepen zich in een soort verkwistende en op consumeren gerichte superontwikkeling, die in onaanvaardbare tegenstelling staat tot de aanhoudende situaties van mensonterende ellende. “De schandalige ongelijkheid” H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 9 houdt aan. Het gedrag van economische en politieke vertegenwoordigers van oude en nieuwe rijke landen vertoont helaas corruptie en illegaliteit, evenals dat in de arme landen zelf het geval is. Dikwijls zijn het grote transnationale ondernemingen, maar ook plaatselijke productiegroepen die de mensenrechten van de arbeiders niet eerbiedigen. Internationale hulpverlening wordt dikwijls door de onverantwoordelijkheid in zowel de keten van gevers als ook in die der begunstigden aan de eigenlijke bestemming onttrokken. Ook op het terrein van de niet-materiële of culturele oorzaken van ontwikkeling, dan wel onderontwikkeling, kunnen we dezelfde verdeling van verantwoordelijkheid vinden. Er is aan de kant van rijke landen sprake van overdreven vormen van bescherming van kennis, door een al te strenge toepassing van het recht op geestelijk eigendom, in het bijzonder op het gebied van de gezondheidszorg. Tegelijkertijd blijven in enkele arme landen culturele modellen en sociale verhoudingen voortbestaan, die het ontwikkelingsproces afremmen.
Vele gebieden van de aarde hebben zich vandaag de dag, zij het ook op problematische en niet homogene wijze, verder ontwikkeld en zijn binnengetreden in de kring van de grootmachten, die ertoe bestemd zijn in de toekomst een belangrijke rol te spelen. Het moet echter worden onderstreept dat vooruitgang op alleen economisch en technologisch gebied niet voldoende is. Het is noodzakelijk dat de ontwikkeling bovenal echt en integraal is. Het ontkomen aan de economische ontwikkelingsachterstand, op zich een positief gegeven, is geen oplossing voor de complexe problematiek van de vooruitgang van de mens, noch voor de onmiddellijk bij deze vooruitgang betrokken landen, noch voor de economisch reeds ontwikkelde landen, en ook niet voor de nog arme landen, die niet alleen kunnen lijden onder de oude vormen van uitbuiting, maar ook onder de negatieve gevolgen van een door onregelmatigheden en onevenwichtigheden gekenmerkte groei.

Na de ineenstorting van de economische en politieke systemen van de communistische landen van Oost-Europa en het einde van de zogenaamde “tegenover elkaar staande blokken” zou een alomvattend heroverweging van ontwikkeling nodig zijn geweest. Daartoe had Paus Johannes Paulus II opgeroepen, die in 1987 het bestaan van deze “blokken” als een van de hoofdoorzaken van de onderontwikkeling had aangewezen Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 20
, waar de politiek geld onttrok aan de economie en aan de cultuur, en de ideologie de vrijheid belemmerde. In het jaar 1991, na de gebeurtenissen van 1989, eiste hij ook dat een globaal nieuw ontwerp hand in hand zou moeten gaan met het einde van de “blokken”, en niet alleen in de betrokken landen, maar ook in het westen en in die delen van de wereld waar de ontwikkeling in volle gang was. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 22-29 Dat is echter slechts ten dele gebeurd en blijft een echte verplichting waaraan voldaan moet worden, doordat men misschien juist voordeel trekt uit de noodzakelijke beslissingen om de huidige economische problemen te boven te komen.

Ofschoon men toen reeds, gegeven de gevorderde processen van socialisering, van een wereldwijde sociale vraag kon spreken, was de wereld die Paus Paulus VI voor zich had nog veel minder aaneengegroeid dan de huidige. Economische en politieke activiteiten speelden zich grotendeels af binnen dezelfde grenzen en konden daarom op elkaar rekenen. De productieve activiteit vond voornamelijk plaats binnen de nationale grenzen, en de financiële investeringen hadden slechts een beperkte circulatie in het buitenland, zodat de politiek van veel staten nog de prioriteiten van de economie kon vaststellen, en met de hun nog ter beschikking staande middelen de ontwikkeling daarvan in zekere mate kon regelen. Op grond daarvan kende H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
aan de “burgerlijke overheid” Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 23.33 een centrale, zij het niet exclusieve taak toe.

In onze tijd wordt de staat geconfronteerd met de situatie zich bezig te moeten houden met de beperkingen die de nieuwe economisch-commerciële en financiële context aan de soevereiniteit van de staat oplegt – een context die zich ook onderscheidt door een toenemende mobiliteit van het financieringskapitaal, evenals van de materiële en de niet-materiële productiemiddelen. Deze nieuwe context heeft de politieke macht van de staten veranderd.

Vandaag de dag – ook onder de indruk van de les die de huidige economische crisis ons leert, waarbij de burgerlijke overheid direct bezig is met het corrigeren van vergissingen en wanbeleid – lijkt een nieuwe herwaardering van de rol en de macht van de staat realistischer. Beide moeten verstandig overwogen en beoordeeld worden, zodat de staten weer de mogelijkheid hebben – ook door nieuwe vormen van betrokkenheid – de uitdagingen van de huidige wereld aan te pakken. Met een evenwichtiger rol van de burgerlijke overheid kan men ervan uitgaan dat die nieuwe vormen van deelname aan de nationale en internationale politiek versterkt worden, die door de activiteit van in de burgermaatschappij werkende organisaties tot stand komen. Het is te wensen dat er op deze manier een dieper ervaren opmerkzaamheid en deelname van de burgers aan de res publica mag groeien.

Vanuit het sociale gezichtspunt hebben zorginstellingen, die er ten tijde van Paus Paulus VI reeds in vele landen waren, moeite – en in de toekomst zou dat nog moeilijker kunnen worden – hun doelen van waarachtige sociale gerechtigheid in een ten diepste veranderd krachtenspel na te streven. De globaal geworden markt heeft op de eerste plaats bij de rijke landen het zoeken gestimuleerd naar gebieden waar de kosten van de productie sterk verlaagd kunnen worden, om de prijzen van veel goederen te verlagen, de koopkracht te vergroten en daarmee de op vermeerderde consumptie gebaseerde groeicijfers van de eigen binnenlandse markt te verhogen. Als gevolg daarvan heeft de markt nieuwe vormen van competitie tussen de staten aangemoedigd, die beogen met verschillende middelen – waaronder gunstige fiscale voorwaarden en deregulering van de arbeidsmarkt – productiecentra van buitenlandse ondernemingen aan te trekken. Deze processen hebben ertoe geleid dat het zoeken naar grotere concurrentievoordelen op de wereldmarkt betaald is met een vermindering van het netwerk van sociale zekerheid. Dit brengt de rechten van de arbeiders, de fundamentele mensenrechten en de solidariteit, gerealiseerd in traditionele vormen van de verzorgingsstaat, ernstig in gevaar. De systemen van sociale zekerheid kunnen zo de mogelijkheid verliezen hun taak te vervullen, en niet alleen in de arme landen maar ook in de jonge industrielanden en in de reeds lang ontwikkelde landen. Hier kan de begrotingspolitiek, met reductie van sociale uitgaven, waartoe dikwijls door de internationale financiële instellingen wordt aangezet, de burgers machteloos maken ten opzichte van oude en nieuwe risico’s; deze machteloosheid wordt door het ontbreken van een effectieve bescherming door verenigingen van arbeidnemers nog vergroot. De combinatie van de sociale en economische veranderingen zorgt ervoor dat de vakbonden bij de uitoefening van hun taak op grotere moeilijkheden stuiten, ook omdat regeringen op grond van het economisch belang dikwijls de vrijheid of de onderhandelingsmogelijkheden van de vakbonden zelf inperken. Zo moeten de traditionele netwerken van solidariteit groeiende obstakels overwinnen. Het voorstel van de kant van de sociale leer van de Kerk – begonnen met de Encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Rerum Novarum
Over kapitaal en arbeid
(15 mei 1891)
Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over kapitaal en arbeid, Rerum Novarum (15 mei 1891), 36 – om verenigingen van arbeidnemers ter verdediging van eigen rechten in het leven te roepen, zou daarom vandaag de dag nog meer nagekomen moeten worden dan vroeger, waardoor men bovenal een onmiddellijk en vooruitziend antwoord geeft op de dringende noodzaak nieuwe vormen van samenwerking in te voeren, niet alleen op plaatselijk maar ook op internationaal niveau.

De arbeidsmobiliteit is in verband met de wijdverbreide deregulering een belangrijk verschijnsel geweest, niet zonder positieve aspecten, want daardoor kan de productie van nieuw vermogen en de uitwisseling tussen verschillende culturen gestimuleerd worden. Als echter onzekerheid aangaande arbeidsvoorwaarden tengevolge van processen van mobiliteit en deregulering om zich heen grijpt, ontstaan er vormen van psychologische instabiliteit en moeilijkheden bij het ontwikkelen van eigen consequente levensplanning, ook met het oog op het huwelijk. Dit leidt niet alleen tot situaties van verspilling van sociale mogelijkheden maar ook tot menselijke achteruitgang. Vergelijkt men dit met wat er in het verleden in de industriële samenleving is gebeurd, dan ziet men hoe de werkloosheid vandaag de dag nieuwe aspecten van economische irrelevantie uitlokt en de huidige crisis kan de situatie alleen nog maar doen verslechteren. Langdurig werkloos zijn of langere tijd afhankelijk zijn van publieke of particuliere hulp ondergraaft de vrijheid en de creativiteit van de persoon, evenals zijn familiebetrekkingen en sociale relaties, wat zwaar lijden op het psychologische en geestelijke vlak met zich meebrengt. Allen, en in het bijzonder de bestuurders, die bezig zijn de economische en sociale orde van de wereld een vernieuwd gezicht te geven, zou ik in herinnering willen roepen dat het eerste te beschermen en te benutten kapitaal de mens is, de persoon in zijn totaliteit – “want de mens is de ontwerper, het centrum en doel van het gehele sociaal-economisch leven”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 63

Op het culturele vlak is het verschil in vergelijking met de tijd van Paus Paulus VI nog markanter. Toen waren de culturen redelijk goed omschreven en hadden betere kansen om zich te beschermen tegen pogingen tot culturele homogenisering. Vandaag de dag zijn de mogelijkheden van wisselwerking tussen de culturen aanzienlijk toegenomen en geven ruimte voor nieuwe perspectieven van de interculturele dialoog – een dialoog die, om effectief te zijn, van de verschillende gesprekspartners als uitgangspunt het diepe bewustzijn van hun specifieke identiteit vereist. Daarbij mag men echter niet buiten beschouwing laten dat de toenemende commercialisering van de uitwisseling van cultuur een tweevoudig gevaar in de hand werkt. Op de eerste plaats zien we een veelvuldig onkritisch aanvaard cultureel eclecticisme: culturen worden eenvoudigweg naast elkaar geplaatst en als werkelijk gelijkwaardig en onderling inwisselbaar beschouwd. Dat bevordert het afglijden in een relativisme dat weinig bevorderlijk is voor de ware interculturele dialoog; op het sociale vlak veroorzaakt het culturele relativisme een gescheiden naast elkaar leven van de culturele groepen zonder echte dialoog en daarom zonder werkelijke integratie. Op de tweede plaats is er het tegenovergestelde gevaar, dat bestaat uit culturele vervlakking en het op één lijn plaatsen van gedragingen en levensstijlen. Op deze manier gaat de diepe betekenis verloren van de cultuur van de verschillende naties en de tradities van de verschillende volken, waarbinnen de mens zich met de basisvragen van het bestaan bezig houdt. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 24 Eclecticisme en culturele nivellering lopen beide uit op de scheiding van cultuur en menselijke natuur. Zo kunnen de culturen hun grootte niet meer vinden in een natuur die hen overstijgt, Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 33.46.51 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, De mensheid heeft moed nodig voor de toekomst, Voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de wereldorganisatie (5 okt 1995), 3 en reduceren de mens tenslotte tot niet meer dan een cultureel verschijnsel. Als dat gebeurt, loopt de mensheid opnieuw het gevaar van afhankelijkheid en manipulatie.
In veel arme landen houdt als gevolg van de voedselschaarste de extreme onzekerheid van het leven aan en dat zou nog erger kunnen worden: honger eist nog talloze slachtoffers onder de vele mensen aan wie het, evenals Lazarus, niet toegestaan is met de rijke aan dezelfde tafel te zitten – wat Paus Paulus VI wel gewenst had. Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 47 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 42
De hongerigen te eten geven Vgl. Mt. 25, 35.37.42 is een ethische verplichting voor de Wereldkerk, die overeenstemt met de leer van haar Stichter Jezus Christus aangaande solidariteit en delen. Bovendien is het uit de wereld helpen van de honger in het tijdperk van de globalisering ook een doel geworden, dat noodzakelijkerwijs moet worden nagestreefd om de vrede en de stabiliteit op aarde te bewaren. Honger hangt minder af van een materieel tekort dan van een tekort aan sociale hulpmiddelen, waarvan de belangrijkste institutioneel zijn. Dat betekent dat er een systeem van economische instellingen ontbreekt, dat in staat is de juiste toegang tot water en voedingsmiddelen te garanderen, en tevens de knelpunten te overwinnen, die verband houden met basisbehoeften en de noodsituaties die ontstaan bij werkelijke voedselcrisissen – crisissen die natuurlijke oorzaken kunnen hebben of ook door nationale en internationale politieke onverantwoordelijkheid kunnen zijn ontstaan. Het probleem op het gebied van de onzekerheid van de voedselvoorziening moet in een perspectief op lange termijn worden aangepakt, door de structurele oorzaken ervan uit de wereld te helpen en de agrarische ontwikkeling van de armste landen te bevorderen. Dat kan gebeuren door investeringen in de landelijke infrastructuur, in irrigatiesystemen, in transport, het organiseren van markten, de opbouw en verbreiding van geschikte agrarische technologie. Het kan ook gebeuren door investeringen die geschikt zijn om de menselijke, natuurlijke en socio-economische hulpbronnen, die plaatselijk het gemakkelijkst bereikbaar zijn, op de best mogelijke wijze te benutten, zodat de duurzaamheid van deze investeringen ook op lange termijn gewaarborgd is. Dat alles moet verwezenlijkt worden door de plaatselijke gemeenschappen te betrekken bij de keuze van het akkerland en de beslissingen aangaande het gebruik ervan. Vanuit dit gezichtspunt zou het nuttig kunnen zijn de nieuwe mogelijkheden te overwegen, die door juist gebruik van zowel de traditionele als ook de innovatieve agrarische productietechnieken ontstaan, op voorwaarde dat de laatstgenoemde na adequate toetsing als doelmatig, milieuvriendelijk en voor de meest benadeelde bevolkingsgroepen als nuttig erkend worden. Tegelijkertijd moet de vraag naar een rechtvaardige agrarische hervorming in de ontwikkelingslanden niet verwaarloosd worden. Het recht op voedsel, evenals het recht op water, speelt een belangrijke rol bij het verwerven van andere rechten, bovenal het fundamentele recht op leven. Daarom is het noodzakelijk dat er een solidair bewustzijn ontstaat, dat voedsel en de toegang tot water als algemene rechten van alle mensen beschouwt, zonder onderscheid of discriminatie. Vgl. Paus Benedictus XVI, Boodschap, Bij gelegenheid van wereldvoedseldag 2007 (4 okt 2007) Bovendien is het belangrijk te verduidelijken hoe de weg van solidariteit met de arme landen een project voor de oplossing van de huidige wereldwijde crisis kan blijken te zijn; politici en verantwoordelijken van internationale instellingen hebben dat de laatste tijd begrepen. Als men door middel van solidair georganiseerde financieringsplannen de arme landen economisch ondersteunt, zodat zij er zelf voor zorgen de vraag van hun burgers naar consumptiegoederen en ontwikkeling te bevredigen, kan men niet alleen echte economische groei bereiken, maar ook ertoe bijdragen de productiecapaciteiten van de rijke landen te behouden, die het gevaar lopen door de crisis eveneens schade op te lopen.
Een van de meest opvallende aspecten van de huidige ontwikkeling is het belangrijke thema van eerbied voor het leven, dat op generlei wijze gescheiden mag worden van de vragen aangaande de ontwikkeling van de volken. Het is een aspect dat de laatste tijd steeds belangrijker wordt en ons verplicht de begrippen van armoede Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven, Evangelium Vitae (25 mrt 1995), 18.59.63.64 en onderontwikkeling uit te breiden naar de vragen die met de aanvaarding van het leven verbonden zijn, vooral waar dit op verschillende manieren belemmerd wordt.

Niet alleen de situatie van armoede veroorzaakt nog altijd hoge cijfers van kindersterfte in vele gebieden, maar in verschillende delen van de wereld worden door regeringen nog steeds vormen van bevolkingscontrole in praktijk gebracht, die dikwijls contraceptie bevorderen en zelfs zover gaan dat abortus verplicht wordt. In de economisch meer ontwikkelde landen is tegen het leven gerichte wetgeving wijdverbreid en heeft gewoonte en praktijk reeds beslissend beïnvloed; dit draagt bij tot de verbreiding van een anti-geboorte mentaliteit, die men dikwijls ook probeert over te brengen op andere landen, alsof dit een vorm van culturele vooruitgang zou zijn.

Sommige niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) werken actief voor de verbreiding van abortus en bevorderen soms in arme landen de keuze voor sterilisatie, ook bij vrouwen die zich niet bewust zijn van de betekenis van de ingreep. Bovendien bestaat de gegronde verdenking dat af en toe ontwikkelingshulp zelf is verbonden met bepaalde vormen van gezondheidsbeleid, die de facto strenge maatregelen van geboortebeperking opleggen. Eveneens zorgwekkend is de wetgeving waarin wordt voorzien in euthanasie, en evenzo verontrustend de druk van nationale en internationale groepen om de juridische erkenning hiervan te eisen.

Openheid voor het leven vormt de kern van de ware ontwikkeling. Als een samenleving de weg inslaat van het weigeren of onderdrukken van het leven, zal deze uiteindelijk niet meer de nodige motivatie en energie vinden om zich in te zetten voor het ware welzijn van de mens. Als de persoonlijke en sociale zin voor de aanvaarding van een nieuw leven verloren gaat, dan verdorren ook andere voor het sociale leven nuttige vormen van aanvaarding. Vgl. Paus Benedictus XVI, Boodschap, Boodschap voor Wereldvrededag, 1 januari 2007, De menselijke persoon - hart van de vrede (8 dec 2006), 5 De aanvaarding van het leven versterkt de morele krachten en stelt mensen in staat tot wederzijdse hulpverlening. Als rijke volken de ontvankelijkheid voor het leven koesteren, kunnen ze de behoeften van de arme volken beter begrijpen en het gebruik van enorme economische en intellectuele hulpbronnen voor de bevrediging van egoïstische wensen bij de eigen burgers vermijden. In plaats daarvan kunnen ze dan goede handelingen met het oog op een moreel gezonde en solidaire productie bevorderen, met eerbiediging van het grondrecht van ieder volk en iedere mens op leven.

Er is nog een ander aspect van het huidige leven dat zeer nauw verbonden is met de ontwikkeling: de weigering van het recht op godsdienstvrijheid. Ik verwijs niet alleen naar strijd en conflicten, die in de wereld nog steeds op religieuze gronden worden uitgevochten, zelfs wanneer het religieuze motief slechts de dekmantel is voor andersoortige redenen, zoals zucht naar macht en rijkdom. Inderdaad wordt vandaag de dag vaak gedood in de heilige Naam van God, zoals mijn voorganger Paus Johannes Paulus II en ikzelf herhaaldelijk hebben benadrukt en afgekeurd. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Wereldvredeszondag 2002, Geen vrede zonder gerechtigheid, geen gerechtigheid zonder vergeving (8 dec 2001), 4-7.12-15 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Een blijvende opdracht: opvoeden tot vrede - Wereldvredesdag 2004 (8 dec 2003), 8 Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Wereldvredeszondag 2005, Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede (8 dec 2004), 4 Vgl. Paus Benedictus XVI, Boodschap, Boodschap voor de 39e Wereldvredesdag 2006, In de waarheid van de vrede (8 dec 2005), 9-10 Vgl. Paus Benedictus XVI, Boodschap, Boodschap voor Wereldvrededag, 1 januari 2007, De menselijke persoon - hart van de vrede (8 dec 2006), 5.14 Geweld van iedere soort remt de authentieke ontwikkeling af en belemmert de overgang van de volken naar groter socio-economisch en geestelijk welbevinden. Dit geldt speciaal voor terrorisme met fundamentalistische achtergrond, Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Wereldvredeszondag 2002, Geen vrede zonder gerechtigheid, geen gerechtigheid zonder vergeving (8 dec 2001), 6 Vgl. Paus Benedictus XVI, Boodschap, Boodschap voor de 39e Wereldvredesdag 2006, In de waarheid van de vrede (8 dec 2005), 9-10 dat verdriet, verwoesting en dood veroorzaakt, de dialoog tussen de naties blokkeert en grote hoeveelheden geld kost, die voor vreedzame en burgerlijke doelen gebruikt hadden moeten worden. Daar moet echter aan toegevoegd worden dat buiten het religieuze fanatisme dat in sommige gebieden de uitoefening van het recht op godsdienstvrijheid belemmert, ook de stelselmatige bevordering van religieuze onverschilligheid of praktisch atheïsme door veel landen indruist tegen de behoeften van de ontwikkeling van de volken, door hen te beroven van geestelijke en menselijke rijkdommen. God staat garant voor de ware ontwikkeling van de mens want, omdat Hij hem naar Zijn beeld geschapen heeft, is Hij ook de grond van zijn transcendente waardigheid en voedt zijn basisverlangen “meer te zijn”. De mens is niet zoiets als een verloren atoom in een toevallig universum Vgl. Paus Benedictus XVI, Homilie, H. Mis op het Islinger Feld bij Regensburg, De mens zonder God is niet mogelijk (12 sept 2006), 4, maar een schepsel Gods, dat van Hem een onsterfelijke ziel ontvangen heeft en dat Hij van eeuwigheid heeft liefgehad. Als de mens alleen het product van toeval dan wel van noodzaak zou zijn, of als hij zijn aspiraties zou moeten beperken tot de begrensde horizon van zijn aardse bestaan, als alles alleen geschiedenis en cultuur zou zijn en de mens geen natuur zou bezitten die bestemd is zichzelf te overstijgen in een bovennatuurlijk leven, dan zou men van groei of evolutie kunnen spreken, maar niet van ontwikkeling. Als de staat vormen van een praktisch atheïsme bevordert, leert of zelfs doordrijft, ontneemt de staat zijn burgers de morele en geestelijke kracht die onontbeerlijk is voor de inzet voor de integrale menselijke ontwikkeling en belet hen met een nieuw elan en een eigen engagement een edelmoedig antwoord te geven op de goddelijke liefde. Vgl. Paus Benedictus XVI, Encycliek, God is Liefde, Deus Caritas Est (25 dec 2005), 1 Het komt ook voor dat de economisch ontwikkelde landen of de jonge industrielanden, in het kader van hun culturele, commerciële en politieke betrekkingen, deze kleinerende kijk op de mens en zijn bestemming naar de arme landen exporteren. Dat is de schade die de “overontwikkeling” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, De ontwikkeling van de mens en de samenleving
Twintig jaar na Populorum Progressio van Paus Paulus VI, Sollicitudo Rei Socialis (30 dec 1987), 28
toebrengt aan de echte ontwikkeling, als ze samengaat met “morele onderontwikkeling”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 19
In deze context krijgt het thema van de integrale ontwikkeling van de mens een nog meeromvattende draagwijdte: de correlatie tussen de veelsoortige elementen vereist dat men zich inspant voor de interactie van de verschillende niveaus van menselijke kennis, met het oog op de bevordering van een ware ontwikkeling van de volken. Dikwijls wordt de mening verdedigd dat ontwikkeling, en met name de bijbehorende socio-economische maatregelen, alleen maar als vrucht van gemeenschappelijk handelen gerealiseerd hoeven te worden. Aan dit gemeenschappelijke handelen moet echter richting worden gegeven, omdat “elke sociale actie aan een bepaalde leer (is) gebonden”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 39 Gegeven de complexiteit van de problemen is het duidelijk dat de verschillende takken van wetenschap middels een geordende interdisciplinaire uitwisseling moeten samenwerken. Liefde sluit kennis niet uit, doch vereist, bevordert en stimuleert die juist van binnenuit. Kennis is nooit alleen het werk van het verstandelijk vermogen. Kennis kan weliswaar worden gereduceerd tot berekening of experiment, maar als zij wijsheid wil zijn, die in staat is de mens de weg te wijzen in het licht van de grondbeginselen en zijn uiteindelijke doel, dan moet zij “gezouten” zijn met het “zout” van de liefde. Doen is blind zonder kennis en kennis is steriel zonder liefde. “Want wie door een waarachtige liefde wordt gedreven, is vindingrijker dan wie ook, waar het erom gaat de oorzaken van de ellende op te sporen en middelen te vinden om haar te bestrijden en definitief te overwinnen”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 75 Geconfronteerd met de verschijnselen die voor ons liggen, vereist liefde in waarheid op de allereerste plaats dat we weten en begrijpen, in het bewustzijn en de eerbiediging van de specifieke competentie van ieder niveau van kennis. De liefde is geen toevoeging achteraf, als het ware een aanhangsel van het door de verschillende disciplines reeds gedane werk, maar zij staat vanaf het begin met deze in dialoog. De aanspraken van de liefde zijn niet in tegenspraak met die van de rede. De menselijke kennis is onvoldoende en de conclusies van de wetenschappen kunnen op zich de weg naar de integrale ontwikkeling van de mens niet wijzen. Het is altijd noodzakelijk daarbovenuit verder door te dringen – dat vereist de liefde in waarheid. Vgl. Paus Benedictus XVI, Encycliek, God is Liefde, Deus Caritas Est (25 dec 2005), 28 Daarbovenuit gaan betekent echter nooit de conclusies van de rede buiten beschouwing te laten, noch de resultaten ervan te weerspreken. Verstandelijk vermogen en liefde staan niet eenvoudigweg naast elkaar: Er is liefde die rijk is aan verstandelijk vermogen en verstandelijk vermogen dat vervuld is van liefde.
Dit betekent dat de morele beoordeling en het wetenschappelijk onderzoek samen moeten groeien en dat de liefde hen moet bezielen in een harmonische, interdisciplinaire totaliteit, die uit eenheid en verscheidenheid bestaat De sociale leer van de Kerk, die “een belangrijke interdisciplinaire dimensie” heeft H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 59, kan vanuit dit perspectief een buitengewoon doeltreffende functie vervullen. Zij maakt het voor het geloof, de theologie, de metafysica en de wetenschappen mogelijk hun plaats te vinden in een samenwerking in dienst van de mens. Hier verwezenlijkt de sociale leer van de Kerk vooral haar op wijsheid berustende dimensie. Paus Paulus VI had duidelijk gezien hoe onderontwikkeling ondermeer veroorzaakt wordt door een gebrek aan wijsheid, aan beschouwing, aan een denkwijze die in staat is een richtinggevende synthese te formuleren Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 40.85; daarvoor is nodig “een helder inzicht in het geheel van de problematiek, met al haar aspecten, economisch, sociaal, cultureel en geestelijk”. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 13 De overdreven opdeling van kennis Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998), 85, het zich afsluiten van de menswetenschappen voor de metafysica Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998), 83, de moeilijkheden in de dialoog tussen de wetenschappen en de theologie, ze schaden niet alleen de ontwikkeling van de kennis maar ook de ontwikkeling van de volken, want zo wordt de blik belemmerd op het totale welzijn van de mens, in de verschillende karakteristieke dimensies. De “vergroting van ons concept van de rede en het gebruik ervan” Paus Benedictus XVI, Toespraak, Lezing over het thema gehouden bij de ontmoeting met vertegenwoordigers uit de wetenschap in de Aula Magna van de Universiteit van Regensburg, Geloof, Rede en Universiteit - Herinneringen en reflecties (12 sept 2006), 15 is absoluut noodzakelijk om alle elementen van de vraag naar ontwikkeling en oplossing van de socio-economische problemen adequaat te kunnen afwegen.
De belangrijke nieuwe facetten die het totaalbeeld van de ontwikkeling van de volken vandaag de dag vertoont, maken in veel gevallen nieuwe oplossingen noodzakelijk. Die moeten gezocht worden met inachtneming van de eigen wetten van iedere realiteit en tegelijkertijd in het licht van een totale kijk op de mens – een kijk die de verschillende aspecten van de mens weerspiegelt, zoals die zich voordoen aan de door de liefde gezuiverde blik. Dan zal men unieke overeenkomsten en concrete mogelijkheden tot oplossing ontdekken, zonder af te zien van enig fundamenteel onderdeel van het menselijk leven.

De waardigheid van de persoon en de aanspraken van de gerechtigheid eisen dat – vooral vandaag de dag – de economische beslissingen de verschillen in bezit niet op een overdreven en moreel onaanvaardbare wijze vergroten, Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 33 en dat als prioriteit steeds het doel wordt nagestreefd, alle mensen toegang tot werk te verschaffen en de mogelijkheid tot arbeid te behouden. Zuiver bezien wordt dat ook vereist door de “economische rede”. De systematische toename van ongelijkheid tussen sociale groepen in één land en tussen de bevolkingen van verschillende landen, meer bepaald de massieve groei van de relatieve armoede, leidt er niet alleen toe dat de sociale samenhang wordt ondermijnd en dat zo de democratie in gevaar wordt gebracht. Ook op economisch vlak werkt deze negatief, door voortgaande erosie van het “sociale kapitaal”, beter gezegd door het ondermijnen van het geheel van betrekkingen die op vertrouwen, betrouwbaarheid en het naleven van de regels gebaseerd zijn, en die onontbeerlijk zijn voor ieder samenleven van burgers.

Bovendien vertelt de economische wetenschap ons dat een structurele situatie van onzekerheid leidt tot handelwijzen die de productie belemmeren en menselijke hulpbronnen verkwisten, omdat de werknemer de neiging heeft zich passief naar de automatische mechanismen te voegen, in plaats van creativiteit te ontwikkelen. Ook op dit punt is er een overeenstemming tussen de economische wetenschap en morele evaluatie. De menselijke prijs is immers ook een economische prijs, en economische misstanden eisen altijd ook een menselijke prijs.

Verder moet eraan herinnerd worden dat het terugbrengen van culturen tot de technologische dimensie, zelfs als dat misschien op korte termijn het verwerven van winst bevordert, op de lange termijn de wederzijdse verrijking en de dynamiek van de samenwerking belemmert. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen economische of sociologische overwegingen op korte en lange termijn. Het verlagen van het niveau van de rechtsbescherming van de werknemers of het afzien van mechanismen voor de herverdeling van winst, zodat het land een betere internationale concurrentiepositie verkrijgt, belemmeren de voortzetting van een langdurige ontwikkeling. Zo moeten de gevolgen van de huidige tendens naar een economie op korte, soms zelfs extreem korte termijn, voor de mensen zorgvuldig afgewogen worden. Dat vereist “een nieuwe en diepgaandere beschouwing over het wezen van de economie en haar doelenH. Paus Johannes Paulus II, Boodschap, Wereldvredeszondag 2000, Vrede op aarde (8 dec 1999), 15, evenals een ingrijpende en vooruitziende herziening van het ontwikkelingsmodel, om de misstanden en vervormingen ervan te corrigeren. Dit is in feite een eis van de ecologische gezondheid van de planeet; en bovenal is het een noodzaak die voortkomt uit de culturele en morele crisis van de mens, waarvan de symptomen allang in alle delen van de wereld zichtbaar zijn.

Meer dan veertig jaar na H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
blijft het basisthema van die Encycliek, namelijk de vooruitgang, nog steeds een open vraag die, door de huidige economische en financiële crisis, zich heeft toegespitst en nog dringender geworden is. Al hebben sommige gebieden op aarde, die ooit onder armoede gebukt gingen, opvallende veranderingen doorgemaakt in de zin van economische groei en deelname aan de wereldproductie, andere gebieden leven nog in een situatie van ellende die vergelijkbaar is met de situatie ten tijde van Paus Paulus VI, ja, in sommige gevallen kan men zelfs van een verslechtering spreken. Het is veelzeggend dat sommige oorzaken van deze situatie reeds in H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
vastgesteld werden, zoals bijvoorbeeld de door economisch ontwikkelde landen vastgestelde hoge invoerrechten, die het de producten uit de arme landen altijd nog moeilijk maken de markten van de rijke landen te bereiken. Andere oorzaken echter, waar slechts op gezinspeeld werd in de Encycliek, zijn sindsdien veel duidelijker geworden. Dat geldt ook voor de evaluatie van het proces van dekolonisatie, dat toen in volle gang was. Paus Paulus VI wenste een autonome ontwikkeling, die zich in vrijheid en vrede zou voltrekken. Na meer dan veertig jaar moeten wij erkennen hoe moeilijk deze ontwikkeling is geweest, hetzij tengevolge van nieuwe vormen van kolonialisme en afhankelijkheid van oude en nieuwe buitenlandse machten, hetzij tengevolge van ernstige onverantwoordelijkheid in de landen die zich onafhankelijk hebben gemaakt.

Het voornaamste nieuwe kenmerk was de explosie van wereldwijde wederzijdse afhankelijkheid, die intussen onder de aanduiding “globalisering” algemeen bekend is. Paus Paulus VI heeft dit verschijnsel ten dele voorzien, maar de mate en de heftigheid waarmee het zich heeft ontwikkeld zijn verwonderlijk. Ontstaan in de economisch ontwikkelde landen, heeft dit proces door zijn aard alle economieën meegetrokken. Het is de voornaamste impuls geweest waardoor hele gebieden uit de onderontwikkeling zijn gekomen, en betekent op zich een grote kans. Zonder de leiding van de liefde in waarheid kan deze wereldwijde impuls er desondanks toe bijdragen het gevaar van tot nu toe ongekende schade en nieuwe verdeeldheid in de familie van de mensheid op te roepen. Daarom vragen de liefde en de waarheid van ons een geheel nieuwe en creatieve inzet, die zeker omvangrijk en complex is. Het gaat erom de rede te verbreden en haar bekwaam te maken deze indrukwekkende nieuwe dynamiek te erkennen en richting te geven, door haar te bezielen in de zin van de “cultuur van de liefde”, waarvan God het zaad in ieder volk, in iedere cultuur heeft gelegd.

Document

Naam: CARITAS IN VERITATE
Liefde in Waarheid - Over de integrale ontwikkeling van de mens in liefde en waarheid
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 29 juni 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana / RKKerk.nl
Vert.: Dr. N. Stienstra met medewerking van drs. N. Schnell, pr.
Op enkele punten bewerkt voor deze site door redactie
Bewerkt: 29 november 2017

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam