• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

GOD DIE GESPROKEN HEEFT DOOR DE PROFETEN EN DOOR DE ZOON BLIJFT EEN 'VERBORGEN GOD'
24e catechese over de Geloofsbelijdenis

De God van ons geloof, die aan de voet van de berg Horeb op een mysterieuze wijze aan Mozes zijn naam heeft geopenbaard toen Hij zei: "Ik ben die is", is ten opzichte van de wereld geheel transcendent. Hij " ... verschilt werkelijk en essentieel van de wereld ... staat onuitsprekelijk hoog boven alle dingen die buiten Hemzelf zijn of kunnen gedacht worden" 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 3: " ... est re et essentia a mundo distinctus, et super omnia, quae praeter ipsum sunt et concipi possunt ineffabiliter excelsus" 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 1; zo leert ons het Eerste Vaticaans Concilie, dat ons het vaststaand geloof van de Kerk verkondigt.

Zelfs indien het bestaan van God kan worden gekend en aangetoond, en als zijn bestaan enigszins in de spiegel van de schepping zichtbaar wordt, toch leert datzelfde Concilie dat geen enkel teken, geen enkel geschapen beeld het goddelijk Wezen als zodanig kan onthullen. Het overstijgt in de geschapen wereld alles wat bestaat en alles wat de menselijke geest zich kan denken: God is "ineffabiliter excelsus".

Als wij spreken over zijn wezen, kunnen wij op de vraag: "Wie is God?", niet antwoorden met een definitie in de strikte betekenis van het woord. Het wezen van God - d.w.z. zijn godheid - is niet te vatten in categorieën van soorten en eigenschappen, zoals wij die bij onze definities gebruiken; bijgevolg kan het wezen van God met geen enkele definitie 'omschreven' worden. Wanneer wij ons God indenken in de categorieën van het 'zijn', dan bedienen wij ons van de analogie van het zijn, dan vestigen wij de aandacht meer op de verschillen dan op de overeenkomsten, meer op de onmogelijkheid tot vergelijken dan op de mogelijkheid God te vergelijken met de schepselen (zoals het Vierde Lateraans Concilie in 1215 heeft verklaard). Die vaststelling geldt voor alle schepselen: voor die van de zichtbare wereld, maar ook voor die in de geestelijke orde, en het geldt eveneens voor de mens, die geschapen is "naar het beeld en de gelijkenis" van God Vgl. Gen. 1, 26 .

De mogelijkheid dus om God te kennen vanuit zijn schepping doet niets af van zijn wezenlijke 'ondoorgrondelijkheid'. God is 'onbegrijpelijk', heeft het Eerste Vaticaans Concilie verklaard. Het menselijk verstand kan God niet op een juiste en volledige wijze begrijpen, zelfs al bezit het een idee van God en heeft het door de Openbaring van het Oude en het Nieuwe Testament een grotere en juistere kennis van zijn mysterie.

Voor de geschapen geest blijft God onuitsprekelijk en onvoorstelbaar. "Zo kent alleen de Geest van God het wezen van God", verklaart de apostel Paulus (1 Kor. 2, 11).

In de moderne wereld is het wetenschappelijk denken vooral georiënteerd op het 'zichtbare' en 'meetbare' in het waarneembare experiment, met de beschikbare waarnemings- en opzoekingsinstrumenten. In een wereld van positivistische methodologie en technologische toepassingen wordt die 'ondoorgrondelijkheid' van God vaak nog vanzelfsprekender, vooral in de Westerse cultuur. Ze liggen ten grondslag aan de typische voorwaarden waarin agnostische en zelfs atheïstische denkpatronen tot ontwikkeling komen, mede veroorzaakt door de gangbare vooronderstellingen van onze tijdgenoten.

Sommigen menen dat deze intellectuele situatie op haar manier kan bijdragen tot het inzicht dat God niet te begrijpen is; men zegt dat die overtuiging eigen is aan de religieuze traditie, dat ze als het ware universeel is en dat het christendom er tot op zekere hoogte de nadruk op legt. Dit zou dan een bewijs zijn van eer aan de oneindige, transcendente realiteit van God, die niet op dezelfde lijn kan gesteld worden van de dingen die behoren tot onze normale wereld van ervaring en kennis!

Dit is zeker, de God die zichzelf aan de mens heeft geopenbaard, heeft zich doen kennen als de onbegrijpelijke, de ondoorgrondelijke, de onuitsprekelijke. In het boek Job lezen we: "Dacht je God te doorvorsen, de Almachtige alzijdig te omvatten? Hij overtreft - wat wil je - de hoogte van de hemelen, de diepte van de sjeool" (Job 11, 7-8).

Exodus verhaalt ons een gebeurtenis die deze waarheid heel bijzonder in het licht plaatst. "Toen vroeg Mozes: 'Laat mij toch uw heerlijkheid zien'. De Heer antwoordde: 'Ik zal in al mijn luister aan u voorbijgaan en in uw bijzijn de naam Jahwe uitroepen' (dit gebeurde reeds in de theofanie aan de voet van de berg Horeb). Maar Hij voegde eraan toe: 'Mijn gelaat kunt gij niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven'" (Ex. 33, 18-20).

Ook de profeet Jesaja getuigt: "Waarlijk, Gij zijt een verborgen God, Gij, God en Redder van Israël" (Jes. 45, 15).

De God die gesproken heeft door de profeten en tenslotte door de Zoon, blijft een verborgen God. In de aanvang van zijn evangelie schrijft de apostel Johannes: "Niemand heeft ooit God gezien; de Eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is, Hij heeft Hem doen kennen" (Joh. 1, 18). Door de Zoon is de God van de Openbaring de mensheid op een unieke wijze dichterbij gekomen. De voorstelling van God die de mens door het geloof heeft verworven, bereikt haar hoogtepunt in die toenadering. Maar al is God door de Menswording dichter bij de mens gekomen, toch blijft Hij in zijn wezen de verborgen God. "Niet dat iemand de Vader gezien heeft, alleen degene die uit God is, heeft de Vader gezien", schrijft Sint-Jan (Joh. 6, 46).

God die dus zichzelf aan de mens heeft geopenbaard, blijft in dit leven voor de mens een ondoorgrondelijk mysterie. Dat is het mysterie van het geloof. Het eerste artikel van het Credo: "Ik geloof in God", vertolkt de eerste en essentiële waarheid van het geloof, maar is ook het eerste en essentiële mysterie van het geloof. God die zichzelf aan de mens heeft geopenbaard, blijft voor het menselijk verstand tegelijk de gekende én de onbegrijpelijke. Tijdens zijn aardse bestaan heeft de mens contact met de God van de Openbaring door "de duisternis van het geloof". Die waarheid wordt belicht in de klassieke en in de moderne theologie, die de nadruk legt op de onuitsprekelijkheid van God; die waarheid wordt nog intenser bevestigd - zij het dikwijls op een smartelijke wijze - in de ervaring van grote mystici. Maar volgens Sint-Jan van het Kruis is juist die duisternis van het geloof het licht dat onfeilbaar zeker naar God leidt Vgl. H. Johannes van het Kruis, De bestijging van de Berg Karmel, Subida del Monte Carmelo. 2 S 9,3.

Deze God, schrijft Sint-Paulus, is "de enige heerser, de grote koning en de opperste Heer, die alleen onsterfelijkheid bezit en woont in ongenaakbaar licht. Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien" (1 Tim. 6, 15-16).

De duisternis van het geloof is eigen aan de aardse pelgrimstocht van de menselijke geest naar God, in afwachting dat ze in het komende leven, in de eeuwigheid, zal verdwijnen in het licht van de glorie. "Thans zien wij in een spiegel, onduidelijk, maar dan van aangezicht tot aangezicht" (1 Kor. 13, 12).

"In lumine tuo videbimus lumen".
"In uw licht zullen wij het licht zien" (Ps. 36, 10).

Document

Naam: GOD DIE GESPROKEN HEEFT DOOR DE PROFETEN EN DOOR DE ZOON BLIJFT EEN 'VERBORGEN GOD'
24e catechese over de Geloofsbelijdenis
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 28 augustus 1985
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam