• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

WETENSCHAPPERS EN GOD
Geloofsbelijdenis, 20e catechese

Er is een algemeen aanvaarde opvatting, dat de wetenschappers over het algemeen 'agnostici' zouden zijn en dat de wetenschap de mens van God zou verwijderen. Is die opvatting juist?

De buitengewone vooruitgang, die vooral de laatste twee eeuwen door de wetenschap werd verwezenlijkt, heeft er vaak toe geleid te geloven, dat de wetenschap in staat is, en zij alleen een antwoord te geven op al de vragen van de mens en al zijn problemen op te lossen. Sommigen trokken daaruit het besluit dat men God niet meer nodig had. Zelfvertrouwen en kennis zouden het geloof vervangen!

Ook wordt er beweerd, dat men een keuze moet maken tussen wetenschap en geloof: men gelooft in het ene of in het andere. Wie streeft naar wetenschappelijk onderzoek, heeft God niet nodig; en andersom, wie in God gelooft, zou geen ernstig geleerde kunnen zijn, omdat er tussen weten en geloven een onoverkomelijke tegenstelling zou bestaan.

Geen conflct met het geloof

Het Tweede Vaticaans Concilie heeft echter een heel andere opvatting verkondigd. In de Constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
verklaart het: "Daarom zal het methodisch onderzoek in alle takken van de wetenschap, wanneer het maar werkelijk op wetenschappelijke wijze en volgens de normen van de moraal wordt verricht, in feite nooit met het geloof in tegenspraak zijn, want het profane en het geloof hebben hun oorsprong in dezelfde God. Bovendien, wie nederig en volhardend het verborgene tracht te doorvorsen wordt, eventueel onbewust, als het ware geleid door Gods hand, die alles in stand houdt en maakt dat de dingen zijn wat ze zijn". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36

Men kan er bovendien op wijzen dat er altijd, en tot op de huidige dag, eminente geleerden zijn geweest die in het kader van hun wetenschappelijk onderzoek toch op een positieve en heilzame wijze in God geloven. Vijftig jaar geleden werd er een enquête gehouden onder 398 zeer vooraanstaande geleerden: 16 van hen verklaarden niet te geloven, 15 zeiden agnostici te zijn, terwijl 367 van hen ervoor uitkwamen gelovigen te zijn vgl. A. Eymien, La part des croyants dans les progrès de la science, 6e uitg. Perrin 1935, p. 274.

Nog interessanter wordt het als we ons rekenschap geven van de motieven waarom vele geleerden, vroeger zowel als nu, geloof als normaal beschouwden en waarom zij zelfs gelukkig waren hun wetenschappelijk onderzoek onder zeer strenge normen te beoefenen in de oprechte en blijmoedige zekerheid dat God bestaat.

De beschouwingen die vaak als een geestelijk dagboek hun wetenschappelijke notities begeleiden, tonen ons hoe beide elementen elkaar kruisen. In de eerste plaats is er het onderzoek zelf van de grote en kleine wereld: dat onderzoek werd gevoerd met een extreme nauwgezetheid, die toch altijd ruimte laat voor verdere vragen in het proces zonder einde, dat in feite een grootheid en een doelgerichtheid onthult die niet in woorden of alleen maar met wetenschappelijke middelen duidelijker zijn te maken. Maar nauw daarmee verbonden is de onontkoombare vraag naar de zin, naar de hogere oorzakelijkheid, of beter nog, naar de zaak of het Iemand; een vraag die tegemoet komt aan de innerlijke behoeften, die niet kunnen worden opgeheven door de meest geraffineerde wetenschappelijke vooruitgang, maar nog worden aangescherpt.

Wel beschouwd krijgt men die toegang tot de religieuze zekerheid niet automatisch door wetenschappelijk-experimentele methodes, maar door elementair-wetenschappelijke principes als oorzakelijkheid, doelgerichtheid en uiteindelijke oorzaak; als mens vindt de geleerde die in zijn dagelijks contact met het leven en de werkelijkheid die hij bestudeert.

Als schildwacht in de moderne wereld - als eerste doorziet hij de enorme complexiteit en tegelijk de wonderbare harmonie van de werkelijkheid - is hij de bevoorrechte getuige van de geloofwaardigheid van het religieuze feit; hij is een man die in staat is aan te tonen dat, verre van de autonomie en de doeleinden van het onderzoek te beknotten, het toelaten van de transcendentie het onderzoek integendeel stimuleert, om zich zo voortdurend te overstijgen in een ervaring van relatieve autotranscendentie van het menselijk mysterie.

Als men vandaag de breed opengetrokken horizont van de wetenschap overschouwt, vooral wat de bronnen zelf van het leven betreft, dan stelt men verontrustende vragen over de aanvaardbare toepassing van de wetenschappelijke verworvenheden. Het moet ons niet verbazen dat geleerden steeds vaker vragen om vaste criteria op gebied van morele verantwoordelijkheid, die de mens zouden moeten behoeden voor elke willekeur. En wie, tenzij God, kan een morele code opstellen, zodat de waardigheid van de mens - van iedere mens - op een duurzame wijze beschermd en bevorderd wordt?

Het is duidelijk dat het Christendom, als het sommige inzichten van het atheïsme en het agnosticisme, die in naam van de wetenschap worden verkondigd, niet als redelijk kan beschouwen, ook niet minder vastberaden is in het afwijzen van beweringen met betrekking tot God en die voortkomen uit te weinig nauwgezette vormen van rationele onderzoekingen.

Het past dat we hier even aandacht besteden aan de redenen die voor vele geleerden een bevestiging waren voor het bestaan van God en die ons laten zien hoe zijzelf gesteund werden in hun persoonlijke band met God, met de mensen en met de grote problemen en verheven levenswaarden. Hoe vaak zijn stilte, meditatie, creatieve verbeelding, rustige onthechting van de dingen, de sociale betekenis van een ontdekking en zuiverheid van hart niet de machtige hefbomen geweest die een wereld van zingeving voor hen deden opengaan, waaraan niemand die loyaal en met liefde op weg is naar de waarheid, zijn aandacht kan onttrekken.

Het volstaat dat we hier de figuur oproepen van de Italiaanse geleerde Enrico Medi, die voor enkele jaren is gestorven. Tijdens een toespraak op het Internationaal Catechetisch Congres te Rome in 1971 getuigde hij het volgende: " ... als ik tot een jongere zeg: kijk, daar is een nieuwe ster, een melkwegstelsel, een neutronenster op een afstand van 100 miljoen lichtjaren. En toch zijn de protonen, de elektronen, de neutronen en de mesonen daar identiek aan die zich in deze microfoon bevinden ( ... ). Die identiteit sluit iedere kansberekening uit. Wat identiek is, is niet waarschijnlijk ( ... ) Buiten de ruimte, buiten de tijd is er dus een oorzaak die de schepping zo geschapen heeft. En dat is God ( ... ).

"Het zijn (ik druk me wetenschappelijk uit) dat aan de dingen oorzaak heeft gegeven om identiek te zijn met andere dingen op een miljard lichtjaren, bestaat. En het aantal van identieke delen in het universum is 10 tot de 85e macht...Waarom zouden we dan niet het lied van de melkwegstelsels aanheffen! Als ik een Franciscus van Assisi was, zou ik uitroepen: O Galaxies van de onmetelijke hemelen, looft God omdat Hij almachtig is en goed. O atomen, o protonen, o elektronen, o gezang van de vogels, o geur van de bloemen en de lucht, als gebeden in de handen van de mens, keert als een hymne terug naar God!" Handelingen van het Tweede Interationale Catechetische Congres, Rome, 20-25 september 1971; Rome, Studium, 1972, p. 449-450.

Document

Naam: WETENSCHAPPERS EN GOD
Geloofsbelijdenis, 20e catechese
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 17 juli 1985
Copyrights: © 1992, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam