• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

RICHIAMO DI GIOIA
Tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen

Een kreet van vreugde stijgt op uit ons hart bij de terugkeer in deze aula der Pauselijke Academie van Wetenschappen, in dit schitterend gezelschap van de Kardinalen, van doorluchtige diplomaten, van edellieden en beroemde meesters in de wetenschap, te midden van u, leden van de Pauselijke Academie, voortreffelijke navorsers van de natuur, van haar veelvuldige uitingen en van haar geschiedenis; te midden van u die geroepen wordt tot de oprichting van dit heerlijk wetenschappelijk instituut, gesticht door Onzen wijzen voorganger Pius XI, scherpzinnig bewonderaar van den vooruitgang der fysische wetenschappen en van de afgronden die zij doorpeilen, afgronden dieper nog dan die onmetelijke diepten die hij beschouwde van op de toppen der Alpen. Maar wij zouden afbreuk doen aan de hoge dunk en de diepe waardering die hij had voor uwe wetenschappelijke verdiensten en, op zeker ogenblik voor zijn eigen werk, dat door een geheim Godsbesluit ons erfdeel werd, indien wij hem geen lof en dank betuigden door in stijgende mate hulde te brengen aan u die het sieraad zijt van zoveel naties, een huldiging die in Onze bedoeling lag toen wij u den titel schonken van "Excellentie", titel die niets anders is dan de erkenning van die ware wetenschappelijke excellentie welke gij bezit en die u verheft in het aanschijn der wereld.
De hulde en den groet die wij u brengen treft in de eerste plaats uwen verdienstelijke en onvermoeibare voorzitter; zij stijgt op uit Ons hart en gaat over den drempel van deze zaal ook tot de andere academieleden die wegens de wisselvalligheden van het ogenblik in de onmogelijkheid waren hun land te verlaten en zich hij ons te vervoegen. In den schoot van deze geleerde en heerlijke vergadering, is de vreugde die Ons bezielt als een druppel balsem op al de bitterheid Ons veroorzaakt door den vreselijke strijd van Naties die Ons alle dierbaar zijn. Voor deze troost kunnen Wij alleen God danken Wien Wij elken dag Onze vurigste wensen opdragen opdat Hij wijs en welwillend, verlichtend, genezend en vergevend, alles leide en richte naar dat einddoel waar Zijn goedheid meer dan Zijn rechtvaardigheid moge zegepralen.
Tot Hem verheft zich Onze gedachte en Ons hart ook in deze aula der wetenschappen; omdat deze God, Die het heelal, Die de loop der tijden en de vreugden en droefheden der volkeren regeert, ook de Heer is, de alwetende God (1 Kon. 2, 3). Zijn oneindige wijsheid maakt Hem tot de Meester van hemel en aarde, van mensen en engelen; in Hem, Schepper van het heelal, liggen alle schatten van wijsheid en wetenschap verborgen. Vgl. Kol. 2, 3 In Hem de onuitsprekelijke kennis van Zichzelf en van de oneindige onnavolgbaarheid van Zijn leven en van Zijn schoonheid. In Hem de kennis van geboorte en wedergeboorte, van genade en en zaligheid. In Hem de grondvormen van de wonderbare bewegingen der planeten die rond de zon zwieren, van de zonnen in de sterrenbeelden, van de sterrenbeelden in het labyrint van het uitspansel tot aan de uiterste grenzen van de uitgestrektheid van het heelal. Van uit het middelpunt van het ontoegankelijke licht van Zijn eeuwige troon bewoog Hij Zich tot het scheppen van hemel en aarde. Naast Hem stond als een architect Zijn Wijsheid Die er genoegen in vond Zich ieder ogenblik te herscheppen door Haar tegenwoordigheid (Spr. 8, 30). Van op de drempel van Zijn eeuwigheid sprak Hij tot het niet met de kracht van Zijn stem en het niet werd overwonnen en overweldigd door de verschijning van hemel en aarde op het gedonder van Zijn almachtige kreet. "Uit het niet ontstaat niets" is wel waar voor de hand van de mens en van elk schepsel, maar niet voor de stem van God: "Hij sprak en het was" (Ps. 32, 9). En zoals hemel en aarde gemaakt werden en de aarde vormeloos was en kaal en de geest Gods over de wateren zweefde (Gen. 1, 1-2) aldus werd de mens gemaakt uit het slijk der aarde en God blies in zijn aangezicht den adem van het leven en de mens werd een levend wezen (Gen. 2, 7). Ziedaar de macrokosmos, het geheel der werelden, tegenover de microkosmos, die de mens is. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, q. 91, a. 1 in corp. De kleine mens, minieme wereld van de geest, die, als met een lichtboog, omvat en overdekt het onmetelijk hemelgewelf dat, overweldigend door zijn materiële massa, nochtans kleiner is dan de mens door de afwezigheid van de geest.
God, Meester van de mens
Den dag waarop God den mens boetseerde en hem het voorhoofd bekroonde met de diadeem van Zijn beeld en gelijkenis, hem aanstellend tot koning van alle levende dieren van de aarde, de zee en de lucht (Gen. 1, 26), die dag stelde de Heer, de alwetende God, Zich tot meester aan over de mens. Hij leerde hem de landbouw; Hij leerde hem de heerlijke tuin, waarin Hij hem geplaatst had, bewerken en onderhouden (Gen. 2, 15). Hij leidde tot hem alle dieren uit het veld en al de vogels uit de lucht om te zien hoe hij ze zou noemen; en hij gaf aan ieder zijn ware en passende naam (Gen. 2, 19-20). Maar, te midden van deze menigte wezens die hem onderworpen waren, voelde de mens zich bedroevend eenzaam en vruchteloos zocht hij een wezen dat op hem geleek en een lichtende trek had van dat goddelijk beeld waardoor het oog van ieder Adamskind schittert. Alleen van een mens kon een ander mens komen die hem vader en verwekker zou noemen; en de hulp door God aan de eerste mens gegeven komt zeker uit hem en is vlees van zijn vlees, gemaakt tot gezellin, die haar naam kreeg van de man daar ze uit hem gehaald was (Gen. 2, 23). De mens begiftigd met een geestelijke ziel, werd door God bovenaan op de ladder der levende wezens geplaatst, als vorst en soeverein van het dierenrijk.
De talrijke opzoekingen van de paleontologie zowel als van de biologie en de morfologie, betreffende andere vraagstukken in verband met het ontstaan van de mens, hebben tot hiertoe niets opgeleverd dat positief, klaar en zeker is. Er blijft dus niets anders over dan aan de toekomst het antwoord over te laten op de vraag of de wetenschap, verlicht en gericht door de openbaring, ooit stellige en definitieve resultaten zal kunnen geven over zo'n belangrijk punt.
Grootheid van de mens
Verwondert u niet dat Wij tegenover u, die de hersenen der mensen en der redeloze dieren met zoveel scherpzinnigheid bestudeerd, doorgrond, ontleed en vergeleken hebt, de mens ophemelen, die het voorhoofd opricht, stralend van dat verstand dat uitsluitend het erfdeel is van het menselijk geslacht. De ware wetenschap verlaagt noch vernedert de mens in zijn oorsprong; integendeel, zij richt hem op en verheft hem, omdat zij in elk lid van de grote menselijke familie, de sporen van het goddelijk beeld en de goddelijke gelijkenis, min of meer diep ingeprent, ontdekt en bewondert. De mens is groot. De vooruitgang die hij bewerkt en bevordert, in de fysische, de natuurlijke, de wiskundige, de industriële wetenschappen terwijl hij voortdurend naar betere, ruimere en zekerder resultaten uitziet, wat is die vooruitgang anders dan het gevolg van de heerschappij - hoe beperkt ook en hoe pijnlijk ook verworven - die de mens uitoefent over de lagere natuur? En wanneer zocht, studeerde, vorste, wanneer doorgrondde het menselijk genie meer dan in onze tijden de natuur om er de kracht en de vorm van te kennen om ze te bemeesteren, om ze op te nemen in zijn instrumenten en zich ervan te bedienen naar eigen inzicht en believen? Groot is de mens, maar nog groter was hij in zijn oorspronkelijke staat. Zo hij, zich verzettend tegen de Schepper, zijn eerste grootheid verloor en als banneling en vluchteling de lusttuin verliet, met het zweet van zijn aanschijn het brood besproeiend dat de aarde hem tussen distels en doornen schonk (Gen. 3, 18-19), zo de hemel en de zon, de koude en de warmte, zo de schuiloorden en de bossen, zo tal van andere levenswijzen en arbeidsvormen, onherbergzaamheid van landstreken en zwarigheid van levensvoorwaarden hem in gelaat en gestalte hebben vernederd; zo dit overblijfsel, dat hem van de verkregen heerschappij over de dieren rest, niets anders is dan een wegglippende herinnering aan zijn macht en een broos fragment van zijn troon, toch rijst hij groot op uit zijn verval door dat goddelijk beeld en die goddelijke gelijkenis welke hij in zijn geest draagt en waardoor God zoveel behagen vond in de menselijke natuur, het laatste gewrocht van Zijn scheppende hand, dat Hij niet ophield haar te beminnen en haar niet verstootte toen ze vervallen was, en dat Hij, om haar weer op te richten, Zichzelf aan de mens gelijk maakte, in alle opzichten herkenbaar als mens, deelachtig aan al onze zwakheden, op dezelfde wijze tot alles geneigd, behalve tot de zonde (Fil. 2, 7)(Hebr. 4, 15).
De mens, doorvorser van het heelal en zijn veroveringen
Twee gaven, die hem zeer hoog tussen de wereld van de hemelse geesten en de wereld van de lichamen verheffen, maken de mens groot ook na zijn val: het intellect, wiens oog het geschapen heelal doorblikt en de hemelen doorpeilt vol verlangen om God te aanschouwen, en de wil, met vrijheid begiftigd, dienaar en meester van het intellect, die ons in verschillende graad tot meester maakt van ons denken en van ons handelen tegenover onszelf, tegenover de anderen en tegenover God. Zijn zij misschien de twee grote vleugelen niet die u tot aan het hemelgewelf verheffen of zijn zij de doorvorsers niet van den hemelkoepel, en wekken zij u niet uit de slaap, in de volle duisternis van de nacht, om de zonnen en sterren te tellen, om hun bewegingen te meten, hun kleuren te onderzoeken, hun schuiloorden te ontdekken, hun ontmoetingen en hun botsingen?
Waarlijk reusachtig verheft gij u. Met het geweldige vergezicht uwer telescopen telt gij de sterren en ontleedt gij hun spectrum; gij volgt de wentelingen en de lichtstralingen van de sterrennevels en gij geeft hun een naam; maar gij moet u neerbuigen voor Gods wetenschap die beter dan gij het getal der sterren vaststelt en ze allen met hun naam noemt (Ps. 146, 4). De kristallen hemelkringen zijn verdwenen. Het genie van Kepler en Newton ontdekte in de hemelen de aardse mechanica; in de vlammen en in het licht van deze draaiende werelden ontdekte gij de gelijksoortige elementen van onze aardbol, en door een innige verbinding van hemel en aarde hebt gij het gebied van de fysica uitgebreid, gebied dat reeds zo rijk is aan experimentele, theoretische, praktische en mathematische toepassingen van zoveel andere wetenschappen als het vernuft, de navorsing, de werkkracht en de samenwerking van de menselijke inspanningen hebben vermenigvuldigd en bevorderd tot aan de overwinningen van de atoom- en de kernfysica.
Van het oneindig grote tot het oneindig kleine
In de uitgestrektheid van het uitspansel doorpeilt gij gedurende de "sterrenkundige nachten" die "supergalaxies", groepen of verzamelingen van nevels die - zoals iemand onder u, doorluchtige academieleden, verklaard heeft - het wonderbaarste verschijnsel uitmaken dat de astronomische observaties openbaren en wiens onmetelijke grootheid werkelijk alle verstand en alle verbeelding te boven gaat Armellini, Trattato di astronomia, Bologna, 1936, vol. III, pag. 318: ontzaglijke families, ieder van hen gevormd uit duizenden "galaxies" waarvan ieder op haar beurt een onmetelijk astraal systeem is met een diameter van veel duizenden lichtjaren en bestaande uit veel miljoenen zonnen. En in dit exploratiegebied verwacht ge veel van de over kort in te huldigen reflector van vijf meter diameter op de berg Palomar in Californië, waarmee de exploratiesfeer van het heelal zich misschien zal kunnen uitbreiden tot duizend miljoen lichtjaren.

Maar van dat oneindig grote daalt gij af tot het onderzoek van het oneindig kleine. Wie had een honderdtal jaren geleden, zich kunnen indenken, welke raadsels er verborgen zijn in dit uiterst geringe stofdeeltje dat het scheikundig atoom is, in een ruimte van een tien miljoenste van een millimeter! Toen beschouwde men het atoom als een zeer klein homogeen holletje. De jongste fysica ziet nu daarin een microkosmos in de echte zin van het woord, een wereldje waarin zich zulke duistere geheimen verbergen dat niettegenstaande de subtielste proefnemingen en het gebruik der modernste wiskundige apparaten, het onderzoek heden ten dage slechts aan het begin staat van zijn kennis van de structuur van het atoom en van de elementaire wetten die er de energie en de bewegingen van regelen. Aldus blijkt het heden meer dan ooit dat alle stoffelijke dingen zich voortdurend wijzigen en vervormen, tot het scheikundig atoom toe dat langen tijd voor onveranderlijk en onvergankelijk was gehouden. Eén alleen is de onveranderlijke en de eeuwige: God. "De hemelen zullen vergaan, maar Gij blijft; als een kleed zullen zij alle verslijten. Gij verwisselt ze als een mantel, zij zullen verdwijnen; maar Gij blijft dezelfde, en uw jaren nemen geen einde" (Ps. 102, 27-28).

Op die wijze gaat gij in de onmetelijke velden der proefnemingen op zoek naar de wetten van de stof en van de natuurverschijnselen die de eenheid, de verscheidenheid en de schoonheid uitmaken van het heelal.
De orde in het heelal, openbaart de hand Gods
Is het heelal voor u misschien stom? Heeft het u niets te zeggen ter bevrediging van de diepe neiging van uw geest om een grootse synthese van de wetenschappen op te bouwen, een synthese die beantwoordt aan de orde van al het geschapene? Het merkwaardigste in het heelal is de ordevolle schikking die alles terzelfder tijd onderscheidt en verenigt, ineenstrengelt en samenbindt in zijn veelvuldige delen en zijn verschillende naturen die elkander haten en beminnen, die elkander afstoten en elkander omarmen, die elkander vluchten en elkander zoeken, die zich verenigen en zich ontbinden, die in elkander grijpen en uit elkaar gaan, die samenzweren om de hemel te beroven van het weerlicht, de bliksem, het geratel, de wolken, driften en krachten waardoor wij op onze dagen de aarde, de hemel en de zeeën zoo vreselijk doorwoeld zien. Gij weet wondergoed hoe ieder van deze natuurkrachten en elementen volgens het verschillend instinct van hun eigen neiging werkt, hoe het afhangt van een principe zonder het te kennen en naar een einddoel streeft zonder het te willen, dat alles constateert gij in de apparaten van de anorganische en de organische scheikunde, dienares van de nijverheid en de geneeskunde. En dat alles geschiedt op zo'n wijze dat de wereld der lichamen, zonder ziel die hen voorlicht en leven doet, en zonder verstand dat hen regeert en leidt, zich toch beweegt om een bepaalde reden, juist alsof die wereld leefde, en volgens een plan werkt, juist alsof zij begrip had. Wat is dat anders dan- het duidelijkste bewijs dat de wereld achter zich de hand heeft van dien Meester, onzichtbaar in Zichzelf maar zichtbaar in Zijn werk, de alwetende God Die het heelal geordend heeft met volmaakte kunst? Vgl. Bartoli, Della grandezze di Cristo, c. 2 Gij zoekt de wetten die de synthese van de natuur en van het geschapene beheersen; en van die wetten zoekt gij het waarom, verstomd en sprakeloos tegenover de beweging van de natuur die zich in uw handen en uw banden beweegt en roert, soms dreigend met een ongetemde kracht die niet van u komt.
Het genie, de wil en de werking van den mens met zijn machines en zijn toestellen kan de orde in de natuur niet storen; het kan ze verklaren, zoals gij, dokters en chirurgen, de spieren en de aderen, de innigste geheimen blootlegt om in 't menselijk lichaam de wegen van het leven en van de dood te ontdekken, om het leven bij te springen en de dood te verwijderen.
Laten wij, Doorluchtige Academieleden, onze gedachten verheffen tot den Meester der wetenschappen, een Meester die Zijn wijsheid niet bij anderen heeft aangeleerd maar ze uit Zichzelf heeft gehaald. De Schepper van dezelfde stof die Hij het menselijk vernuft ter beschouwing en ter studie aanbiedt. Is er soms tegenspraak tussen het doorvorsen van de fysische natuur en het menselijk verstand? tussen de wetenschappen en de wijsbegeerte? Zeker er is strijd tussen enerzijds de wetenschappen die in de orde der natuur de hand Gods niet zien, en anderzijds die wijsbegeerte, die in de wetten der natuur de schikking erkent van het goddelijk verstand dat het heelal behoedt en bestuurt. Wil de wijsbegeerte misschien een ideale droom zijn die God met de natuur verwart, die zich vermeit in visioenen en begoochelingen van afgodsbeelden uit onze fantasie? Is de wijsbegeerte niet eerder een kloeke stellingname in de werkelijkheid der dingen die wij zien en betasten? Is ze niet een zoeken naar de diepste en hoogste beweegredenen van de natuur en van het heelal? Begint al onze kennis niet met onze zintuigen? Vanwaar komen de wetten? Be• schouwt het maatschappelijk leven. Nemen de huisgenoten van een zelfde familiehoofd onder malkaar niet een bepaalde positie in, ondergeschikt als ze zijn aan den vader? En de huisvader en al de andere burgers nemen ze niet een wederzijds geëerbiedigde verhouding in acht ten opzichte van het stadshoofd, dat op zijn beurt, net als alle anderen, in een zekere verhouding staat tot den koning of tot het staatshoofd? Het heelal, - zo meende reeds na Homeros Ilias, II, 204, de grote wijsgeer van Stagira - wil niet verkeerd bestuurd worden: het beheer door velen uitgeoefend is niet goed; een alleen weze gebieder. Aristoteles, Metaphysicorum l. XI, c. X in fine
God, enige regeerder en wetgever van het heelal. De orde in de veelvuldigheid en in de verscheidenheid van al, het geschapene
God is de enige regeerder en wetgever van het heelal. Hij is een zon, die in de oneindige heerlijkheid van haar licht haar stralen, gelijkenissen van haar wegen, uitspreidt en vermenigvuldigt over alle gebieden van de schepping. Nochtans kan geen enkel beeld met die zon vergeleken worden. Aldus ook gebruikt de mens allerlei woorden en uitdrukkingen wanneer hij de ene juiste term niet vindt die. op voldoende wijze zijn gedachte uitdrukt! Aanschouwt dan ook in de veelvuldigheid der schepselen de verscheidenheid van hun natuur en het verschillend goddelijk spoor, naargelang zij min of meer God benaderen door de wezensgelijkenis die zij bezitten. Gij die u in de natuur der dingen verdiept, hebt gij niet ondervonden dat hun verscheidenheid zich trapsgewijze voltrekt? Van de geologische lagen, van de mineralen, van de levenloze lichamen gaat gij over tot de planten, van de planten tot de redeloze dieren, van de redeloze dieren tot den mens. Eist de verscheidenheid der dingen soms niet dat alle ongelijk zijn, maar dat er een orde uit straalt die zich in verschillende graden en trappen openbaart? In deze orde en in deze trappen zien wij de voortgebrachte naturen en de vormen der dingen verschillend door volmaaktheid en kracht, door werking en doel, door reactie en structuur, door substantie en hoedanigheid waaruit eigenschappen, werkingen en verschillende actieve factoren voortspruiten met wederzijdse beïnvloeding en verschillende gevolgen, die hun oorzaak vinden in de verscheidenheid door de Schepper geprent in de natuur der dingen die bestemd en gericht zijn tot een bijzonder doel en een bijzondere werking. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. III, cap. 97 In deze natuurnoodzakelijkheid die eigen is aan het wezen der dingen en die niets anders is dan een werking van God, die alles leidt naar het doel, zoals een boogschutter den pijl richt naar het mikpunt, in die natuurnoodzakelijkheid ligt de wet van het wezen der lichamen, wet die vereenzelvigd wordt met hun natuur zelf. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, q. 10, a. 1 ad 3 Zoals de mens door zijn bevel in een aan hem ondergeschikt persoon een inwendig beginsel tot handelen legt, aldus ook prent God in de hele natuur de beginselen van haar eigen werkingen H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 5 en op die wijze heeft de opperste Maker van het heelal, God en Meester der wetenschappen, aan het geheel der geschapen dingen een beginsel opgelegd: "Hij gaf hun een wet die ze niet overtreden" (Ps. 148, 6). Daaruit volgt, - zoals de grote wijsgeer van Aquino ons meesterlijk leert - dat wanneer men het waarom van een natuurlijk gevolg vraagt, wij er op kunnen antwoorden met gelijk welke onmiddellijke oorzaak, die de natuurlijke eigenschap der dingen is, als we alles maar terugbrengen tot Gods Wil, als tot de eerste oorzaak, Gods Wil die de wijze leraar is van de ganse natuur. Zo komt het dat, moest iemand, wien men zou vragen waarom het vuur verwarmt, antwoorden: omdat God het wil, hij juist zou antwoorden indien hij daardoor bedoelde de vraag te herleiden tot de eerste oorzaak; hij zou echter verkeerd antwoorden indien hij daardoor bedoelde alle andere oorzaken uit te schakelen. H. Thomas van Aquino, Summa Contra Gentiles. III, cap. 97 in fine
Alle mensen broeders in Gods school

Ook in ons, schepselen als we zijn van God, prentte de eerste oorzaak een wet die, heel bijzonder hij de mens, een verheven instinct is strevend naar de onmiddellijke kennis van den Schepper; een verlangen "dat een geestelijke beweging is en die nooit tot rust komt zolang het begeerde voorwerp haar niet doet genieten. Dante Alighieri, De Goddelijke Comedie, Divina Commedia. Purghatorio, XVIII, 32-33 Indien ons vlees uit de stof voortkomt en tot stof zal vergaan, onsterfelijk is onze ziel die van God komt en ernaar smacht tot God op te klimmen langs de ladder der wetenschap van deze wereld, wetenschap die er niet toe komt dit mateloos hunkeren naar de waarheid, dat ons beroert, volledig te bevredigen. Een school van God, leraar van alle kennis, dat is de wereld. Indien zijn vorm en gestalte verdwijnt, dan staan wij alleen vóór het aanschijn van den Meester. Laten wij ons huigen voor Zijn wijsheid, ongenaakbaar in haar raadselen en haar besluit aan de mensheid tot verblijfplaats te hebben geschonken dezen aardbol, zo vol wonderbare dingen en omringd door miljoenen andere wonderen schitterender nog en onmetelijker, wonderen die, beschouwd door den Schepper den dag dat Hij ze had voltooid, door Hem als zeer goed werden bevonden (Gen. 1, 31). Gij zelf twijfelt er niet aan; gij die in hun maat de hoeveelheid en de graad van volmaaktheid er van doorgrondt, in hun getal de verscheidenheid en de schoonheid der verschillende graden, in hun gewicht de verschillende neigingen naar hun eigen doeleinden en werkingen; Gij, die de wetenschap bemint en ze meesterlijk bevordert; is ook uw wetenschap niet een schitterende weerkaatsing der goddelijke wetenschap verborgen, sprekend en pinkend vanuit den schoot der dingen? En nochtans, in de handen der mensen, kan de wetenschap zich omvormen tot een tweesnijdend zwaard dat heelt en doodt. Werpt een blik op de met bloed bedekte landen en zeeën, en zegt dan of het daarom is, dat de goede, alwetende God den mens gelijk maakte aan Zichzelf, dat Hij hem vrij kocht van zijn schuld en hem hernieuwde met hemelsche gunsten. Zegt dan of Hij hem zoo'n scherp verstand en zo'n warm hart schonk om in zijn broeder een vijand te zien. In de school van God zijn wij allen broeders, broeders in de beschouwing, in de studie en in het gebruik der natuur, broeders in het leven en in de dood. Geve God dat vóór de wieg van het Godskind, dat de mensheid die zich verscheurt, zwijgend bemint, bekijkt en oordeelt, geve God dat alle mensen opnieuw broeders worden in de liefde en in de eendracht, in de overwinning van het goede over het kwade, in de rechtvaardigheid en in den vrede.

Document

Naam: RICHIAMO DI GIOIA
Tot de Pauselijke Academie van Wetenschappen
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 30 november 1941
Copyrights: © 1941, 't Groeit, Antwerpen
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam