• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DRIE GROTE MOMENTEN OP DE WEG VAN BEKERING BIJ AUGUSTINUS
Eucharistieviering op de "Orti Borromaici" Esplanade, Pavia (3e Zondag van Pasen)

Beste broeders en zusters,

Gisteren namiddag heb ik de gemeenschap van het diocees Vigevano ontmoet en het hart van mijn pastorale bezoek was de concelebratie van de Heilige Mis op het Piazza Ducale. Vandaag heb ik de vreugde uw Bisdom te bezoeken en het hoogtepunt van onze ontmoeting is ook hier de Eucharistieviering. Hartelijk begroet ik mijn medebroeders, die met mij celebreren: de Aartsbisschop van Milaan, Kardinaal Dionigi Tettamanzi, de herder van uw diocees, Bisschop Giovanni Giudici, uw vroegere Bisschop, Giovanni Volta en de andere Bisschoppen van de Lombardij. Ik dank de vertegenwoordigers van de regering en de locale verantwoordelijken voor hun aanwezigheid. Een hartelijke groet richt ik tot de priesters, de diakens, de religieuzen, de verantwoordelijken van de lekenverenigingen, de jongeren, de zieken en aan alle gelovigen, en daarenboven gaan mijn gedachten naar de gehele bevolking van deze eeuwenoude stad en dit diocees.

In de Paastijd geeft de Kerk ons zondag na zondag stukken van de preken te lezen, waarmee de apostelen, in het bijzonder Petrus, na Pasen Israël uitnodigden in Jezus Christus, de Verrezene, te geloven en zo de basis van de Kerk aangeven. In de lezing van vandaag staat de apostel voor de Hoge Raad - voor het gremium dat Jezus ter dood heeft veroordeeld en dat het niet kon dulden dat door de prediking van de apostel deze Jezus nu opnieuw zou kunnen werken. Dat Zijn heilzame kracht weer tegenwoordig gesteld zou worden en dat er zich mensen om deze Naam zouden scharen, die geloofden dat Hij de aangekondigde verlosser is. De apostelen zijn aangeklaagd; hun wordt verweten dat zij het bloed van deze mensen over ons wilden brengen. Petrus antwoordt daarop in een korte catechese over het wezen van het christelijk geloof. Neen, niet Zijn bloed willen we over jullie laten komen. De werkzaamheid van de dood en de verrijzenis van Jezus is geheel anders. God heeft Hem tot Leider en Redder van allen gemaakt, juist ook voor jullie, voor Zijn volk Israël. En waarheen leidt Hij, deze "Leider", en brengt Hij dan wel, deze "Redder"? Hij brengt de bekering, zegt ons de H. Petrus, Hij schept ruimte en mogelijkheden tot bekering en boete, het opnieuw beginnen. En Hij schenkt de vergeving van de zonden - Hij brengt ons de juiste relatie met God en zo de juiste relatie met ons zelf en met de anderen.
De verkorte catechese van de H. Petrus betreft niet alleen de Hoge Raad. Zij spreekt ons allen aan. Want Jezus Christus, de Verrezene, leeft ook nu nog. En voor elke generatie, voor alle mensen is Hij de "Leider", die de weg voorgaat, de weg toont, en de "Redder", die ons leven goed maakt. De twee woorden "bekering" en "vergeving van de zonden", die de beide titels van Christus "Leider" - in het Grieks "archegòs" - en "Redder" begeleiden, zijn de sleutelwoorden van de catechese van Petrus, die in dit uur tot ons hart willen spreken. En wat willen ze zeggen? De weg, die we moeten gaan - de weg, die Jezus ons toont, heet "bekering". Maar wat is dat? Wat moet men dan doen? De ommekeer heeft in ieder leven haar eigen vorm. Omdat ieder mens nieuw is en niemand een kopie van de ander. Maar de Heer heeft ons in de geschiedenis van het christendom voorbeelden van ommekeer gegeven, waar we ons op kunnen oriënteren. Wij kunnen daarbij naar Petrus zelf kijken, waartegen de Heer in de Avondmaalszaal gezegd heeft: "Maar gij, wanneer gij u bekeerd hebt, bevestig uw broeders" (Lc. 22, 32). Wij kunnen naar Paulus kijken als een hele grote bekeerling. De stad Pavia kan kijken naar één van de grootste bekeerlingen uit de Kerkgeschiedenis: van de H. Aurelius Augustinus. Hij is op 28 augustus 430 in de door de Vandalen ingesloten en belegerde havenstad Hippo in Afrika gestorven. Na allerlei wederwaardigheden en een tumultueuze geschiedenis heeft de Koning van de Langobarden zijn gebeente voor de stad Pavia verkregen, zodat hij nu op bijzondere wijze van deze stad is en in haar, van haar uit op bijzondere wijze - tot de mensheid, maar in het bijzonder nu hier - spreekt.
Augustinus heeft in zijn boek H. Augustinus
Confessiones
Belijdenissen ()
op indringende wijze de weg van zijn bekering weergegeven, dat met de Doop door Bisschop Ambrosius in de Dom van Milaan tot een einde is gekomen. Wie de H. Augustinus
Confessiones
Belijdenissen ()
leest, kan de weg meebeleven, die Augustinus na een lange periode van strijd heeft moeten gaan om uiteindelijk in de Paasnacht van 387 bij de bron van de Doop de grote wending van zijn leven te ontvangen. Wanneer men het leven van de H. Augustinus opmerkzaam volgt, kan men zien, dat bekering niet een plotselinge gebeurtenis is, maar eerder een weg was. Zoals het leven van Augustinus vóór de doop was, zo is het op een andere manier ook gebleven met de weg ná de bekering - tot aan de dodelijke ziekte, waarbij hij de Boetepsalmen op de muur laat aanbrengen om ze steeds voor ogen te hebben. Hij sloot zichzelf van de Communie uit, om nog een keer de weg van de boete te gaan en het heil als geschenk van de barmhartigheid van God uit de handen van Christus te ontvangen. Daarmee mogen we terecht spreken van de "bekeringen" van Augustinus, die één enige en grote bekering is geweest met het zoeken naar het aangezicht van Christus en dan in het meegaan met Hem.
Drie bekeringen
Graag wil ik kort spreken over drie grote stappen van deze bekeringsweg, van de drie "bekeringen" spreken. De eerste grondslag voor de bekering was de weg naar het christen-worden, het 'ja' van het geloof en voor de Doop. Wat was het wezenlijke van deze weg? Augustinus was aan de ene kant mens van zijn tijd, vol van haar gewoonten en overtuigingen, van alle vragen en problemen die een jonge man kan hebben. Hij heeft ook geleefd zoals alle anderen en toch was er iets anders. Hij is steeds een zoekende gebleven. Hij was nooit zomaar tevreden met het leven, zoals het nu eenmaal is en zoals alle anderen het ook leven. Hij werd steeds door de vraag naar de waarheid gedreven. Hij wilde de waarheid vinden. Naar buiten brengen wat de mens is, waarvandaan de aarde komt, waar we zelf vandaan komen, waar wij naar toe gaan en hoe we het werkelijke leven kunnen vinden. Hij wilde het juiste leven vinden, niet zomaar leven zoals het komt. Het verlangen naar de waarheid heeft hem werkelijk geleid.

En er was nog iets bijzonders. Alles, wat niet de naam van Christus droeg, was niet voldoende voor hem. De liefde tot deze naam, zo zegt hij ons, heeft hij met de moedermelk gedronken Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 3, 4, 8. En steeds heeft hij geloofd, soms zwakker, soms sterker, dat er een God is en dat Hij ons aanneemt Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 6, 5, 8. Maar deze God werkelijk te erkennen en deze Jezus Christus werkelijk leren kennen en met alle consequenties ja tegen Hem te zeggen, dat was de grote strijd van zijn vroege jaren. Hij toont ons, hoe hij door de filosofie van Plato geleerd en herkend had, dat aan het begin er het Woord was - de Logos, in de scheppende zin. Maar de filosofie, die hem dit liet herkennen, dat de oorsprong van alles een scheppende betekenis heeft, deze filosofie toonde hem niet de weg daar naar toe. Deze Logos bleef ver weg en onaanraakbaar. Pas in het geloof van de Kerk vond hij dan de tweede wezenlijke waarheid. Het Woord - het Logos - is vlees geworden. En zo raakt het ons aan, raken wij het aan. De deemoed van de menswording van God moet - dat is de grote stap - de deemoed van het geloof beantwoorden, die de geestelijke hoogmoed van het beter weten aflegt en zich in de gemeenschap van het lichaam van Christus binnentreedt; met de Kerk leeft en zo pas werkelijk concreet, ja lichamelijke gemeenschap met de levende God is geworden. Ik hoef niet te zeggen, hoezeer dit alles op ons betrekking heeft: zoekende blijven, zich niet tevreden stellen met al datgene wat er gezegd en gedaan wordt. De blik op de eeuwige God en op Jezus Christus niet verliezen. De deemoed van het geloof in de lichamelijke Kerk van Jezus Christus, het vleesgeworden Logos, leren kennen.

Zijn tweede bekering beschrijft Augustinus aan het einde van het tiende boek van zijn H. Augustinus
Confessiones
Belijdenissen ()
met de woorden: "Verslagen om mijn zonden en om de zware last van mijn ellende had ik in mijn hart de gedachte opgevat en het plan overwogen de vlucht te nemen naar de eenzaamheid. Gij hebt mij echter tegengehouden en gij hebt mij moed ingesproken door te zeggen: 'Daarom is Christus voor allen gestorven, opdat degenen die leven niet meer voor zichzelf leven, maar voor Hem die om hunnentwil gestorven is'(2 Kor. 5, 15)" H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 10, 43, 70. Wat is daar gebeurd? Na zijn doop heeft Augustinus besloten, naar Afrika terug te keren en daar met zijn vrienden een klooster te stichten. Zo ahd hij drie gelukkige jaren, waarbij hij dacht bij het doel van zijn leven te zijn gekomen. Een reeks van belangwekkende theologisch-filosofische geschriften zijn in deze periode ontstaan. In het jaar 391 - vier jaar na zijn doop - ging hij op bezoek bij een vriend, die hij warm wilde maken voor zijn klooster. Tijdens de zondagsviering, die hij in de kathedraal bijwoonde, werd hij herkend. De Bisschop van de stad, een Griek, die slecht Latijn sprak en moeite had met het preken, sprak niet geheel toevallig in zijn homilie over zijn voornemen een priester te laten kiezen, aan wie hij het predikersambt wilde toevertrouwen. Direct namen de mensen Augustinus en brachten hem met geweld naar voren,opdat hij tot priester van de stad gewijd zou worden. Onmiddellijk na zijn zo gedwongen wijding schreef Augustinus aan Bisschop Valerius: "Ik voel me als iemand, die niet kan varen en toch als tweede stuurman benoemd wordt. Daarom ook dat ik bij mijn wijding in stilte heb geweend" H. Augustinus, Brieven, Epistulae. 21, 1v. De mooie droom van het contemplatieve leven was verbroken, het leven van Augustinus geheel gewijzigd. Nu kon hij niet langer zich meer geheel wijden aan de meditatie in de eenzaamheid. Nu moest hij met Christus voor iedereen er zijn. Zijn hoge gedachten en weten moest hij nu in het denken en spreken van de eenvoudige mensen van zijn stad vertalen. Het grote filosofische levenswerk, waarvan hij gedroomd had, bleef ongeschreven. In plaats daarvan schonk hij ons, wat nog belangrijker is: het Evangelie vertaald in de taal van het gewone leven en haar lijden. Wat dagelijks leven was, heeft hij ons beschreven: "Onruststokers terechtwijzen, kleingelovigen troosten, zich zwak tonen, tegenstanders weerleggen... Tragen wakker schudden, strijdenden tot rust laten komen, armen helpen, onderdrukten bevrijden, de goede bemoedigen, kwaad verdragen en - ach - allen liefhebben" H. Augustinus, Preken, Sermones. 340, 3. "Steeds weer preken, disputeren, vermanen, opbouwen, voor iedereen klaar staan. Dat is een grote last, een zware druk, een moeilijk werk" H. Augustinus, Preken, Sermones. 339, 4. Dit was de tweede en steeds nieuwe bekering van de strijdende en lijdende mens: steeds opnieuw voor allen er zijn en niet voor de eigen volmaaktheid, steeds nieuw met Christus zijn leven weggeven, opdat anderen Hem, het ware leven kunnen vinden.
Er is nog een derde herkenningspunt op de bekeringsweg van de H. Augustinus. Na zijn priesterwijding heeft hij om toestemming gevraagd, om de H. Schrift grondig te mogen bestuderen. Zijn eerste reeks van preken na deze bezinningsperiode betreft de Bergrede, waarin hij het nieuwe, door Christus aangegeven weg van het juiste leven, als "het volkomen leven" uitlegde - als de wandeling op de heilige berg van Gods Woord. In deze preken klinkt nog het volledige enthousiasme van het nieuw gevonden en beleefde geloof door. De vaste overtuiging, dat de gedoopte, die heel de boodschap van Christus leeft, juist "volmaakt" in de zin van de Bergrede kan zijn. Ongeveer 20 jaar later heeft Augustinus een boek geschreven onder de titel H. Augustinus
Retractationes
Nalezingen ()
waarin hij op kritische wijze zijn boeken rangschikt en verbeteringen doorvoert, waar hij inmiddels nieuwe inzichten gewonnen had. Daar zegt hij over het volmaaktheidsideaal in zijn preken over de Bergrede: Intussen heb ik begrepen, dat slechts een echt volmaakt is en dat alleen in een woord de Bergrede volledig vervuld is: in Jezus Christus zelf. De gehele Kerk echter - wij allemaal, alle apostelen incluis - moeten iedere dag bidden: vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan andere hun schuld vergeven. Vgl. H. Augustinus, Nalezingen, Retractationes. I, 19, 1-3. Augustinus heeft een laatste deemoed geleerd - niet alleen de deemoed, zijn eigen grote denken in te voegen in het eenvoudige geloof van de Kerk, niet alleen de deemoed, zijn grote inzichten in de eenvoud van de verkondiging te vertalen, maar ook de deemoed te erkennen, dat hij en de gehele pelgrimerende Kerk telkens de barmhartige en dagelijks vergevende goedheid van God nodig hebben en dat wij dan het meeste zullen gelijken op Christus, de enig volmaakte, wanneer wij barmhartig zijn naar onze medemensen.
Op dit moment danken wij God voor het grote licht, dat van de wijsheid en de deemoed van de H. Augustinus uitgaat en wij bidden de Heer, dat Hij ons dag aan dag de benodigde bekering wil schenken en ons zo naar het ware leven wil leiden.

Document

Naam: DRIE GROTE MOMENTEN OP DE WEG VAN BEKERING BIJ AUGUSTINUS
Eucharistieviering op de "Orti Borromaici" Esplanade, Pavia (3e Zondag van Pasen)
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 22 april 2007
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling vanuit de Duitse vertaling van www.vatican.va
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam