• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TIJD MAKEN VOOR GOD EN VOOR DE BEHOEFTIGEN
Tijdens de Kerstwake 2007

"Terwijl zij daar verbleven brak het uur aan waarop zij moeder zou worden. Zij bracht haar zoon ter wereld, haar eerstgeborene, wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen geen plaats meer was in de herberg." (Lc. 2, 6.7) Deze zinnen raken ons telkens weer. Het moment is dat de engel in Nazareth had aangekondigd, is aangebroken: "Zie, gij zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, die gij de naam Jezus moet geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden." (Lc. 1, 31) Het moment is aangebroken waar Israël, zo vele eeuwen, in zo vele donkere uren op had gewacht - het moment waarop de hele mensheid had zitten wachten, dat God voor hen zou zorgen dat Hij tevoorschijn zou komen, dat de wereld gezond zou worden en Hij zou vernieuwen. Wij kunnen ons indenken met hoeveel innerlijke voorbereiding Maria dit uur tegemoet trad. De opmerking "en zij wikkelde Hem in doeken" laat iets zien van de heilige vreugde en de stille ijver van die voorbereiding. De doeken lagen klaar om het kind passend te ontvangen. Maar in de herberg was geen plaats. De mensen verwachtten de komst van God op een andere plaats en op een andere manier. Maar toen het moment daar was, had men geen plaats meer voor hen. De mens is druk met zichzelf, heeft alle ruimte en alle tijd en is zo bezig met zijn eigen zaken dat er niets voor de ander overblijft: voor de medemens, voor de armen, voor God. En hoe rijker de mensen worden, hoe meer ze alles met zich zelf willen, hoe minder een ander wordt toegelaten.
In zijn Evangelie richt de Heilige Johannes zich op het essentiële en verduidelijkt het korte bericht van de Heilige Lucas van de situatie in Bethlehem. "Hij kwam in het zijne, maar de zijnen aanvaardden Hem niet" (Joh. 1, 11) Dat betrof dan vooral Bethlehem. De Zoon van David kwam in zijn eigen stad en werd in een stal geboren, omdat in de herberg geen plaats was. Maar ook Israël had geen plaats. De Messias kwam tussen hen wonen maar zij wezen Hem af. Maar in werkelijkheid gaat het om de hele mensheid. Degene die de wereld had geschapen, de Schepper die altijd het Woord is geweest, komt op de aarde, maar wordt niet gehoord, wordt niet ontvangen.

Deze woorden slaan uiteindelijk op ons allemaal, op ieder voor zich en de maatschappij in zin geheel. Hebben wij tijd voor onze naasten, die onze aandacht, mijn aandacht, liefde nodig heeft? Hebben wij aandacht voor de mens die lijdt en hulp nodig heeft? Voor de vluchteling die asiel zoekt? Hebben we tijd en ruimte voor God? Laten we Hem in ons leven binnendringen? Vindt Hij een plek bij ons of zijn al onze gedachten, is al ons handelen, heel ons leven alleen gericht op onszelf?

Dankzij God is het slechte nieuws dat Hij niet welkom was niet het enige en niet het laatste dat we in het Evangelie tegenkomen. Zo ontmoeten we in het Evangelie van Lucas de moederlijke liefde van Maria en de trouw van de Heilige Jozef, de nabijheid van de herders en hun grote vreugde. In Matteus lezen we over de Wijzen uit het Oosten, die van verre komen, en zoals Johannes ons zegt: "Aan allen echter die Hem wèl aanvaardden, ... gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden." (Joh. 1, 12) Er zijn er die Hem wel ontvangen hebben en zo ontstaat, te beginnen bij de stal, een nieuw huis, een nieuwe stad, een nieuwe wereld. De boodschap van Kerstmis laat ons de duisternis van een gesloten wereld zien, een werkelijkheid die we ook dagelijks om ons heen zien. Maar die boodschap leert ons ook dat God zich niet laten buitensluiten. Hij vindt ruimte, nota bene in een stal, er zijn mensen die het licht zien en het doorgeven. In de woorden die we in het Evangelie hebben gehoord, spreken de engelen ook tot ons, en in de heilige liturgie breekt het licht van de Verlosser door in ons leven. Als wij ook herders en wijzen zijn moet het licht en die boodschap ons ook in beweging brengen, zodat we onze gesloten wereld vol wensen en verlangens verlaten om God te ontmoeten en Hem te aanbidden. Wij aanbidden Hem door de wereld kennis te laten nemen van het ware, het goede, van Christus en zo helpen we de uitgeslotenen in wie Hij zich herkent.
In enkele voorstellingen van het Kerstfeest uit de Middeleeuwen en het begin van de moderne tijd lijkt de stal op een bouwvallig paleis. De grootheid van weleer is nog wel te zien, maar het is nu in verval, de muren staan op instorten, kortom het is een stal geworden. Ook al mist dit beeld elke historische basis, maar het is op zijn manier een metafoor van de waarheid dat het mysterie van Kerstmis nu eenmaal is, uitdrukt. De troon van David, die er altijd zou zijn, is leeg. Anderen hebben het in het Heilig Land voor het zeggen. Jozef, afstammeling van David, is een eenvoudige werkman, het paleis is in feite een schuur geworden. David zelf is ooit als herder begonnen. Toen Samuël hem zocht om hem te zalven, leek het onmogelijk en tegenstrijdig dat een herdersjongen als hij de drager zou worden van de beloften van Israël. In de stal van Bethlehem, daar waar het voor David zijn ooit begon, werd het koningschap van David opnieuw werkelijkheid - in het kind, in doeken gewikkeld in een kribbe. De nieuwe troon, waar de nieuwe David de wereld aan zich bindt is het kruis. De nieuwe troon - het kruis - komt overeen met het nieuwe begin in de stal. En zo wordt het nieuwe paleis van David gebouwd, het echte koninkrijk. Dit nieuwe paleis is zo anders dan wat de mensen zich van een paleis en koninklijke macht voorstellen. Dit paleis is de gemeenschap van diegenen die zich in de liefde van Christus verenigen en met Hem één lichaam worden, een nieuwe mensheid. De macht die het kruis uitstraalt, van de goedheid die zich helemaal geeft, was echt koninklijk. De stal wordt een paleis en de geboorte daar is het beginpunt van het bouwen door Jezus aan een grote nieuwe gemeenschap en waarvan de sleutelwoorden door de engelen in het uur van Zijn geboorte gezongen worden: "Eer aan God in de hoge en vrede op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen heeft". Een gemeenschap van mensen die zich overgeven aan Zijn wil worden zo mensen van God, nieuwe mensen in een nieuwe wereld.

Gregorius van Nyssa geeft in zijn kerstpreken hetzelfde beeld uitgaande van de Kerstboodschap in het Evangelie volgens Johannes: "Hij heeft zijn tent tussen ons neergezet" (Joh. 1, 14) Gregorius legt uit dat Johannes hiermee bedoelt dat Hij in ons is komen wonen, in ons lichaam, dat versleten en verzwakt is geworden, dat aan pijn en lijden is blootgesteld. En dat lichaam staat voor het gehele universum dat verscheurd en verminkt is door de zonde. Wat zou Gregorius nu gezegd hebben als hij ziet hoe de aarde er nu aan toe is door de egoïstische verkwisting van natuurlijke hulpbronnen? Anselmus van Canterbury heeft eens op bijna profetische wijze voorspeld dat wat wij vandaag om ons heen zien. Een vervuilde wereld in zijn voortbestaan bedreigd.

"Alles was als dood en had zijn waardigheid verloren, omdat het gebruikt was om hem te dienen die God zo luidruchtig prezen. De elementen van de wereld waren onderdrukt, hadden hun glans verloren doordat ze misbruikt werden door diegenen die ze tot slaaf maakten van hun eigen idolen en daar mocht je de elementen niet voor gebruiken, daar zijn ze niet voor geschapen" H. Anselmus van Canterbury, Oratio. PL 158, 955v

In de visie van Gregorius stond de stal voor de aarde die slecht behandeld werd. Christus herstelde niet zomaar een paleis, Hij is gekomen om aan de schepping, het heelal haar schoonheid en haar waardigheid terug te geven. Dit alles begon met Zijn geboorte en deed de engelen juichen. De aarde wordt weer in de oude glorie hersteld, omdat het zich voor God weer openstelt, het krijgt het ware licht weer terug en de harmonie van goddelijke en de menselijke wil, van hemel en aarde krijgt hij zijn schoonheid en waardigheid terug. Zo is Kerstmis het feest van een in ere herstelde schepping.

In deze context zien de Kerkvaders het gezang van de engelen in de heilige Kerstnacht als een uitdrukking van de vreugde dat hemel en aarde weer verenigd zijn. Dat de mens weer verenigd is met God. Volgens de Kerkvaders betekent het dat de engelen en de mensen samen weer kunnen zingen. Ze horen de schoonheid van het heelal in hun beider prachtige samenzang. Het liturgische gezang, nog steeds volgens de Kerkvaders, heeft een bijzondere waardigheid omdat men samen met de hemelse koren zingt. Het is de ontmoeting met Jezus Christus die ons in staat stelt om het gezang van de engelen te horen, zodat de ware muziek ontstaat, die we verliezen wanneer we niet met engelen zingen en naar hun luisteren.

In de stal van Bethlehem raken de hemel en de aarde elkaar. De hemel is naar de aarde gekomen. En daarom schijnt vanuit de stal een licht voor alle tijden, en daarom ontstaat er blijdschap en vervolgens gezang. Aan het einde van deze Kerstmeditatie wil ik een bijzonder citaat van Augustinus naar voren halen. Terwijl hij de aanroep uit het Onze-Vader "Onze Vader die in de hemel zijt" uitlegt vraagt hij zich af: 'Wat is dan die hemel? En waar is die hemel?'. Er volgt een verrassend antwoord:

"'...die in de hemel zijt' betekent tussen de heiligen en de rechtvaardigen. De hemelen zijn het hoogste lichamen in het universum. Het zijn lichamen die alleen op een bepaalde plek kunnen bestaan. Maar als we geloven dat God in de hemel is, de hoogste plek in het heelal, dan betekent dat we jaloers zouden zijn op de vogels omdat ze dichter bij God leven. Maar er staat niet: God helpt diegene die op hoogvlaktes en in de bergen wonen, maar er staat: 'De Heer helpt die gebroken zijn van hart' (Ps. 34, 19) wat verwijst naar nederigheid. Zoals de zondaar 'aarde' genoemd wordt, zo krijgt de rechtvaardige de naam 'hemel'" H. Augustinus, Sermones. in Mont., II, 5, 17.

De hemel valt niet onder de aardse geografie, maar van de geografie van het hart. En het hart van God heeft zich in de Heilige Nacht tot in de stal van laten gelden. De nederigheid van God is de hemel. En als we deze nederigheid accepteren zien we de hemel voor ons. Wordt de aarde nieuw. Laten met de nederigheid van de herders in deze Heilige Nacht op weg gaan naar het Kind in de stal. Laten we Gods nederigheid aanraken, het hart van God. Dan zal Zijn vreugde ons aanraken en de wereld verlichten.

Amen.

Document

Naam: TIJD MAKEN VOOR GOD EN VOOR DE BEHOEFTIGEN
Tijdens de Kerstwake 2007
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 24 december 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam