• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Vanaf de dag van Pinksteren wordt wie het geloof aanvaardt, ingelijfd bij de gemeenschap van de gelovigen: “Die zijn (Petrus’) woord aannamen lieten zich dopen, zodat op die dag ongeveer drieduizend mensen zich aansloten” (Hand. 2, 41). Vanaf het begin wordt in de kracht van de Geest het Evangelie aan alle mensen verkondigd, opdat zij geloven en leerlingen van Christus en leden van zijn Kerk worden. Ook in de patristische literatuur zijn de aansporingen om de door Christus aan de leerlingen toevertrouwde zending te vervullen talrijk. Vgl. H. Clemens van Alexandrië, Protreptikos. IX, 87, 3-4 (Sources chrétiennes, 2, 154) Vgl. H. Augustinus, Sermones. 14, D (= 352 A) (Nuova Biblioteca Agostiniana, XXXV/1, 269-271) In het algemeen gebruikt men de term “bekering” met verwijzing naar de eis om de heidenen tot de Kerk te brengen. Niettemin is bekering (metanoia) in zijn eigenlijk christelijke betekenis een verandering van mentaliteit en handelen, als uitdrukking van het nieuwe leven in Christus, verkondigd door het geloof: het betreft een voortdurende vernieuwing van denken en werken tot een intensere vereenzelviging met Christus (vgl. Gal. 2, 20), waartoe vóór alles de gedoopten zijn geroepen. Dat is op de eerste plaats de betekenis van de door Jezus geformuleerde uitnodiging: “bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap” (Mc. 1, 15). Vgl. Mt. 4, 17

De christelijke geest is altijd bezield geweest door de hartstocht heel de mensheid tot Christus in de Kerk te brengen. De inlijving van nieuwe leden bij de Kerk is immers geen uitbreiding van een machtsgroep, maar een binnentreden in het net van vriendschap met Christus, dat hemel en aarde, continenten en verschillende tijdperken verbindt. Het is het binnengaan in het geschenk van de gemeenschap met Christus, die een “nieuw leven” is, bezield door de liefde en de inzet voor de gerechtigheid. De Kerk is een instrument - “de kiem en de aanvang” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 5 - van het Rijk van God, niet een politieke utopie. Zij is reeds tegenwoordigheid van God in de geschiedenis en draagt ook de ware toekomst in zich, de definitieve waarin Hij “alles in alles” (1 Kor. 15, 28) zal zijn, een noodzakelijke tegenwoordigheid, daar alleen God de wereld authentieke vrede en gerechtigheid kan brengen. Het Rijk van God is - zoals sommigen vandaag menen - geen vage werkelijkheid die boven alle ervaringen en godsdienstige tradities staat en waarop deze zich zouden moeten richten als naar een universele en onduidelijke gemeenschap van al degenen die God zoeken, maar het is vóór alles een persoon die het gezicht en de naam van Jezus van Nazareth heeft, beeld van de onzichtbare God. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 18. “Als men het Rijk losmaakt van Jezus, dan is het niet meer het Rijk Gods, dat Hij geopenbaard heeft, en men misvormt tenslotte zowel de zin van het Rijk, dat gevaar loopt veranderd te worden in een zuiver menselijk of ideologisch object, als de identiteit van Christus, die niet meer de Heer blijkt te zijn aan wie alles onderworpen moet worden (vgl. 1 Kor. 15, 27)”. Daarom moet iedere vrije beweging van het menselijk hart naar God en zijn Rijk van nature wel tot Christus leiden en gericht zijn op het binnengaan in zijn Kerk, die van dat Rijk een doeltreffend teken is. De Kerk is dus voertuig van de tegenwoordigheid van God en daarom instrument van een ware vermenselijking van de mens en de wereld. Het zich uitbreiden van de Kerk in de geschiedenis, dat het doel vormt van de zending, is een dienst aan de tegenwoordigheid van God door middel van zijn Rijk: men kan immers “het Rijk niet losmaken van de Kerk”. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 16 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring over de uniciteit en heilbrengende universaliteit van Jezus Christus en de Kerk, Dominus Iesus (6 aug 2000), 18-19. Over de relatie tussen Kerk en Rijk

Vandaag wordt de missionaire verkondiging van de Kerk echter “in gevaar gebracht door theorieën van het relativistische type, die het religieuze pluralisme niet alleen de facto, maar ook de iure (of in principe) willen verdedigen.” Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring over de uniciteit en heilbrengende universaliteit van Jezus Christus en de Kerk, Dominus Iesus (6 aug 2000), 4 Sinds lange tijd is er een situatie ontstaan waarin voor veel gelovigen de reden van bestaan zelf van de evangelisatie niet duidelijk is. Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 80. “Waarom het Evangelie verkondigen vanaf het ogenblik dat allen gered worden door een rechtschapenheid van hart? Als anderzijds de wereld en geschiedenis vol “zaden van het Woord” zijn, is het dan niet een illusie het Evangelie daar te willen brengen war het zich al bevindt in de zaden die de Heer zelf er heeft uitgestrooid?” Men stelt zelfs dat de pretentie de volheid van de openbaring van God ten geschenke te hebben gekregen een houding van onverdraagzaamheid en een gevaar voor de vrede verbergt.

Wie zo redeneert, ontkent dat de volheid van de gave van waarheid die God doet door zich aan de mens te openbaren, de vrijheid respecteert die Hij zelf schept als onverwoestbaar kenmerk van de menselijke natuur: een vrijheid die geen onverschilligheid is, maar streven naar het goede. Dit respect is een vereiste van het katholieke geloof zelf en van de liefde van Christus, een fundamenteel element van de evangelisatie en dus een goed dat moet worden bevorderd als niet te scheiden van de inzet om de volheid van het heil dat God de mens in de Kerk biedt, te leren kennen en er vrij voor te kiezen.

Het verschuldigde respect voor de godsdienstvrijheid Paus Benedictus XVI, Toespraak, Expergiscere homo - Tot de Romeinse Curie bij gelegenheid van het uitwisselen van de Kerstwensen 2005 (22 dec 2005), 9. “Als godsdienstvrijheid wordt beschouwd als een uitdrukking van het onvermogen van de mens om de waarheid te vinden en dientengevolge canonisatie van het relativisme wordt, dan wordt zij uit maatschappelijke en historische noodzaak op een onjuiste wijze verheven tot een metafysisch niveau en zo beroofd van haar ware zin, met het gevolg dat zij niet meer kan worden aanvaard door hem die gelooft dat de mens in staat is de waarheid van God te kennen en op grond van de innerlijke waardigheid van de waarheid gebonden is aan deze kennis. Iets geheel anders is het daarentegen godsdienstvrijheid te beschouwen als een noodzaak die voortvloeit uit de menselijke samenleving, wat meer is, als een intrinsiek gevolg van de waarheid, die niet van buitenaf kan worden opgelegd, maar die de mens zich eigen moet maken door een proces van overtuiging”. en het bevorderen ervan “moeten ons natuurlijk niet onverschillig maken voor de waarheid en het goede. Meer nog, juist de liefde drijft de leerlingen van Christus ertoe om de heilzame waarheid aan alle mensen bekend te maken”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 28 Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 24 Deze liefde is het kostbare zegel van de Heilige Geest, die als hoofdrolspeler in de evangelisatie Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 21-30 niet ophoudt de harten te bewegen tot de verkondiging van het Evangelie door ze open te stellen voor het ontvangen ervan. Een liefde die leeft in het hart van de Kerk en vandaar uitstraalt als een liefdesvuur tot aan het uiteinde der aarde, tot aan het hart van iedere mens. Heel het hart van de mens wacht immers erop om Jezus Christus te ontmoeten.

Men begrijpt dan ook het dringende karakter van de uitnodiging van Jezus om te evangeliseren en hoe de door de Heer aan de apostelen toevertrouwde zending alle gedoopten aangaat. De woorden van Jezus “gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mt. 28, 19-20), ondervragen allen in de Kerk, ieder naar zijn roeping. En in het huidige uur, ten overstaan van zoveel personen die in de verschillende vormen van de woestijn leven, vooral in de “woestijn van de duisternis van God, van de het leeg raken van de zielen zonder nog een bewustzijn van de waardigheid en de weg van de mens”, Paus Benedictus XVI, Homilie, Bij de aanvang van de Petrinische dienst als Bisschop van Rome, Zoals Jezus wil ik een herder zijn, zoals Petrus een visser van mensen (24 apr 2005), 5 heeft Paus Benedictus XVI de wereld eraan herinnerd dat “de Kerk in haar geheel en de herders in haar als Christus op weg moeten gaan om de mensen buiten de woestijn te voeren naar de plaats van het leven, naar de vriendschap met de Zoon van God, naar Hem die ons het leven schenkt, het leven in volheid”. Paus Benedictus XVI, Homilie, Bij de aanvang van de Petrinische dienst als Bisschop van Rome, Zoals Jezus wil ik een herder zijn, zoals Petrus een visser van mensen (24 apr 2005), 5 Deze apostolische inzet is een plicht en ook een onontbeerlijk recht, een uitdrukking die eigen is aan de godsdienstvrijheid en die haar overeenkomstige ethisch-maatschappelijke dimensies heeft. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 6 Een recht dat helaas in enkele delen van de wereld nog niet wettelijk wordt erkend en in andere daadwerkelijk nog niet wordt gerespecteerd. Waar immers het recht op godsdienstvrijheid wordt erkend, wordt gewoonlijk ook het recht van ieder mens erkend om andere te laten delen in de eigen overtuigingen met volledig respect voor het geweten van de ander, ook om zijn toetreden tot de eigen religieuze gemeenschap waartoe men behoort, te begunstigen, zoals dat ook bij wet wordt bepaald door talrijke huidige juridische regelingen en door een intussen uitgebreide desbetreffende jurisprudentie.

Wie het Evangelie verkondigt, heeft deel aan de liefde van Christus, die ons heeft liefgehad en zichzelf voor ons heeft overgeleverd Vgl. Ef. 5, 2 , hij is zijn gezant en smeekt in Christus’ naam: laat u met God verzoenen! Vgl. 2 Kor. 5, 20 Een liefde die de uitdrukking is van de dankbaarheid die zich vanuit het menselijk hart verspreidt, wanneer het zich openstelt voor de door Jezus Christus geschonken liefde, de Liefde “die zich door het universum verbreidt”. Dante Alighieri, De Goddelijke Komedie, Divina Commedia (1 jan 1321). Paradiso, XXXIII, 87 Dit verklaart het vuur, het vertrouwen en de vrijmoedigheid (parrhesia) die zich openbaarden in de prediking van de apostelen Vgl. Hand. 4, 31. enz. Vgl. Hand. 9, 27-28. enz. Vgl. Hand. 26, 26. enz. en die koning Agrippa ervoer, toen hij Paulus hoorde: “Bijna zoudt ge mij door uw overtuigende woorden christen maken” (Hand. 26, 28).

De evangelisatie komt niet slechts tot stand door de openlijke prediking van het evangelie, noch alleen maar door werken van publiek belang, maar ook door middel van het persoonlijke getuigenis, dat altijd een weg is van grote evangeliserende doeltreffendheid. Immers, “naast de verkondiging van het Evangelie in algemene vorm blijft ook die andere vorm van de overdracht ervan, van persoon tot persoon, geldig en belangrijk. (...) Het zou niet mogen gebeuren dat de dringende noodzaak om aan massa’s mensen de Blijde Boodschap te verkondigen ons deze vorm van verkondiging zou doen vergeten waardoor iemands persoonlijk geweten bereikt wordt, geraakt door een in alle opzichten uniek woord dat hij van een ander ontvangt”. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 46

In ieder geval dient eraan te worden herinnerd dat bij de overdracht van het Evangelie het woord en het getuigenis van leven samengaan; Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 35 opdat het licht van de waarheid tot alle mensen wordt uitgebreid, is vóór alles het getuigenis van heiligheid noodzakelijk. Als het woord door het gedrag wordt gelogenstraft, wordt het moeilijk aanvaard. Maar het getuigenis is evenmin alleen voldoende, omdat “ook het mooiste getuigenis op den duur krachteloos zal blijken, als het niet wordt toegelicht en verantwoord - Petrus noemde dat “rekenschap geven van de hoop die in u leeft” (1 Pt. 3, 15) - en als het niet expliciet wordt gemaakt door een heldere en ondubbelzinnige verkondiging van de Heer Jezus”. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 22

Document

Naam: DOCTRINAIRE NOTITIE OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE EVANGELISERING
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: William Kardinaal Levada
Datum: 3 december 2007
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. vanuit het Italiaans: drs. H.M.G. Kretzers
Bewerkt: 5 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam