• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

“Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh. 17, 3): God heeft aan de mensen het verstand en de wil geschonken, opdat zij vrij konden zoeken, kennen en liefhebben. Daarom is de menselijke vrijheid een hulpbron en een uitdaging die de mens wordt aangereikt door Hem die hem heeft geschapen. Een aanbieding die gericht is op zijn vermogen om te kennen en lief te hebben wat goed en waar is. Niets zet zozeer in op de menselijke vrijheid als het zoeken naar het goede en de waarheid door aan te zetten tot zo een instemming dat zij de fundamentele aspecten van het leven erbij betrekt. Dit is in het bijzonder het geval met de heilzame waarheid, die niet alleen object van denken is, maar een gebeurtenis die heel de persoon betreft - verstand, wil, gevoelens, activiteit en plannen -, wanneer hij zich bij Christus aansluit. Bij een dergelijk zoeken naar het goede en de waarheid is de Heilige Geest al aan het werk, die de harten opent voor en voorbereidt op het ontvangen van de evangelische waarheid, overeenkomstig de bekende woorden van de heilige Thomas van Aquino: “omne verum a quocumque dicatur a Spiritu Sancto est”. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 109, a. 1, ad 1 Daarom is het belangrijk deze werkzaamheid van de Heilige Geest op haar waarde te schatten, die affiniteit schept en de harten nader tot de waarheid brengt door de menselijke kennis te helpen rijpen in wijsheid en vertrouwvolle overgave aan de waarheid. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998), 44

Vandaag worden er steeds vaker vraagtekens geplaatst juist bij de legitimiteit van het anderen voorhouden van wat men voor zich voor waar houdt - opdat zij zich op hun beurt hierbij kunnen aansluiten. Een dergelijk voorstel wordt dikwijls gezien als een aanval op de vrijheid van de ander. Deze visie op de menselijke vrijheid, die los staat van haar onlosmakelijke verwijzing naar de waarheid, is een van de uitdrukkingen “van het relativisme dat door niets als definitief te erkennen als laatste maat alleen maar het eigen ik met zijn verlangens overlaat en onder de schijn van vrijheid voor ieder een gevangenis wordt”. Paus Benedictus XVI, Toespraak, Bij de opening van het pastoraal congres voor het Diocees Rome in de pauselijke basiliek St. Jan van Lateranen over het thema "Gezin en christelijke gemeenschap: vorming van de persoon en doorgeven van het geloof", Antropologische grondslag van het gezin (6 juni 2005), 7 In de verschillende vormen van agnosticisme en relativisme, aanwezig in het huidige denken, “heeft een gewettigde pluraliteit van stellingnamen in het denken plaatsgemaakt voor een indifferent pluralisme, dat stoelt op de opvatting dat alle stellingnamen gelijkwaardig zijn. Dat is een van de meest verbreide symptomen van het huidige gebrek aan vertrouwen in de waarheid. Ook sommige oosterse levensovertuigingen maken dit voorbehoud. Daarin ontzegt men namelijk aan de waarheid haar exclusieve karakter. Daarbij gaat men uit van de opvatting dat de waarheid in verschillende, ja zelfs elkaar tegensprekende leerstellingen tegelijkertijd tot uiting komt”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998), 5 Als de mens zijn fundamenteel vermogen tot waarheid ontkent, als hij sceptisch wordt aangaande zijn vermogen om werkelijk wat waar is, te kennen, verliest hij uiteindelijk hetgeen op unieke wijze zijn verstand kan boeien en zijn hart kan fascineren.

Wat dit betreft, vergist degene zich die in het zoeken naar de waarheid alleen maar vertrouwen denkt te hebben in eigen krachten zonder de behoefte te erkennen die ieder heeft aan de hulp van anderen. De mens “bevindt zich vanaf zijn geboorte ingevoegd in verschillende tradities, waarvan hij niet alleen de taal en de culturele vorming ontvangt, maar ook een veelvoud aan waarheden, waaraan hij bijna instinctief geloof. (...) In het leven van de mens zijn de simpelweg geloofde waarheden veel talrijker dan die welke hij door persoonlijk onderzoek verwerft”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998), 31 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 1 De noodzaak zich te verlaten op de kennis die door de eigen cultuur wordt doorgegeven of wordt verworven via anderen, verrijkt de mens zowel met waarheden die hij niet alleen kon verkrijgen, als met intermenselijke en maatschappelijke relaties die hij ontwikkelt. Het geestelijk individualisme isoleert daarentegen de persoon door hem te beletten zich met vertrouwen te openen voor de ander - en daardoor in overvloed de goederen te ontvangen en te geven die zijn vrijheid voeden - en door ook het recht in gevaar te brengen eigen overtuigingen en meningen maatschappelijk te uiten. Verenigde Naties, Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 dec 1948), 18-19. Dit recht is ook erkend en bevestigd in deze “Universele verklaring”

De waarheid, die in staat is de zin van het eigen leven de verlichten en het te leiden, bereikt men ook in het bijzonder door zich vol vertrouwen te verlaten op hen die de zekerheid en de authenticiteit van de waarheid zelf kunnen waarborgen: “Het vermogen en de beslissing om zichzelf en zijn leven aan een andere mens toe te vertrouwen horen zeker tot de antropologisch belangrijkste en meest expressieve akten”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de verhouding van Geloof en Rede, Fides et Ratio (14 sept 1998), 33 Het aanvaarden van de openbaring, dat in het geloof wordt verwerkelijkt, valt onder de dynamiek van het zoeken naar de waarheid, ook al gebeurt het op een dieper niveau: “Aan de openbarende God moet de mens ‘de gehoorzaamheid van het geloof’ (Rom. 16, 26) Vgl. Rom. 1, 5 Vgl. 2 Kor. 10, 3-6 betonen, waarmee hij zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt, “door ‘volledige onderdanigheid van verstand en wil jegens de openbarende God’ te bewijzen en vrijwillig in te stemmen met de door God geschonken openbaring”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 5 Na de plicht en het recht van iedere mens om de waarheid te zoeken op het gebied van de godsdienst te hebben bevestigt voegt het Tweede Vaticaans Concilie hieraan toe: “De waarheid moet echter worden gezocht op een wijze die is aangepast aan de waardigheid van de menselijke persoon en aan zijn sociale natuur, namelijk in vrij onderzoek, met behulp van leergezag of onderricht, van gedachtewisseling en dialoog waardoor de een aan de ander de waarheid uiteenzet die hij heeft gevonden of meent te hebben gevonden”. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 3 In ieder geval ”legt de waarheid zich op geen enkele andere wijze op dan door de kracht van de waarheid zelf”. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 1 Daarom is het eerlijk aanzetten van het verstand en de vrijheid tot de ontmoeting met Christus en zijn Evangelie geen onrechtmatige inmenging ten opzichte van die persoon, maar een gewettigd aanbod en een dienst die de betrekkingen tussen de mensen vruchtbaarder kan maken.

De evangelisatie is bovendien een mogelijkheid van verrijking niet alleen voor de ontvanger ervan, maar ook voor wie die de handelende persoon daarbij is, en voor heel de Kerk. In het proces van inculturatie, bijvoorbeeld, “wordt de universele Kerk zelf verrijkt met uitdrukkingsmiddelen en waarden in de verschillende sectoren van het christelijke leven (...), kent zij nog beter het mysterie van Christus en drukt het juister uit, terwijl zij wordt aangespoord tot een voortdurende vernieuwing”. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht, Redemptoris Missio (7 dec 1990), 52 De Kerk, die vanaf de dag van Pinksteren de universaliteit van haar zending heeft getoond, neemt immers de ontelbare rijkdommen van de mensen van alle tijden en plaatsen van de menselijke geschiedenis op. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter herinnering aan het Evangelisatiewerk van de HH. Cyrillus en Methodius 1100 jaar geleden, Slavorum Apostoli (2 juni 1985), 18 Behalve haar antropologische intrinsieke waarde kan iedere ontmoeting met een persoon of concrete cultuur tevoren weinig geëxpliciteerde mogelijkheden van het Evangelie onthullen die het concrete leven van de christenen en van de Kerk zullen verrijken. Ook dankzij deze dynamiek “vordert de van de apostelen stammende overlevering in de Kerk onder de bijstand van de Heilige Geest”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 8

Het is immers de Geest die na de menswording van Jezus Christus in de maagdelijke schoot van Maria bewerkt te hebben het moederlijk handelen van de Kerk in de evangelisatie van de culturen bezielt. Hoewel het Evangelie onafhankelijk is van alle culturen, is het in staat alle te doordringen zonder zich echter erdoor te laten onderwerpen. Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 19-20 In deze zin is de Heilige Geest ook de hoofdrolspeler bij de inculturatie van het evangelie, is Hij het die op vruchtbare wijze de leiding heeft bij de dialoog tussen het Woord van God, dat zich in Christus heeft geopenbaard, en de diepste vragen die ontstaan uit de veelheid van mensen en culturen. Zo gaat in de geschiedenis, in de eenheid van eenzelfde en één geloof het Pinkstergebeuren voort, dat door de verschillen in taal en cultuur wordt verrijkt.

De activiteit waarmee de mens deelneemt aan andere, van religieus standpunt gezien belangrijke gebeurtenissen en waarheden door het opnemen ervan te bevorderen is niet alleen diepgaand in overeenstemming met de natuur van het menselijk proces van dialoog, verkondiging en leren, maar beantwoordt ook aan een andere belangrijke antropologische werkelijkheid: het verlangen om anderen te laten delen in eigen goederen is eigen aan de mens. Het aanvaarden van de Blijde Boodschap in het geloof zet op zich aan tot een dergelijke communicatie. De Waarheid die het leven redt, zet het hart in vlam van wie haar ontvangt met een liefde jegens de naaste die de vrijheid ertoe beweegt wat om niet is ontvangen, terug te geven.

Hoewel de niet christenen kunnen worden gered door de genade die God geeft “langs wegen die Hem bekend zijn”, 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 7 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 16 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 kan de Kerk niet anders dan rekening houden met het feit zij een heel groot goed missen in deze wereld: het ware gezicht van God en de vriendschap met Jezus Christus, het God-met-ons kennen. Immers, “er is niets mooiers dan door het Evangelie, door Christus bereikt, verrast te worden. Er is niets mooiers dan Hem te leren kennen en aan anderen de vriendschap met Hem mee te delen”. Paus Benedictus XVI, Homilie, Bij de aanvang van de Petrinische dienst als Bisschop van Rome, Zoals Jezus wil ik een herder zijn, zoals Petrus een visser van mensen (24 apr 2005), 5 Voor iedere mens is de openbaring van de fundamentele waarheden Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 6. “Dankzij deze goddelijke openbaring kunnen alle mensen in de huidige toestand van het menselijk geslacht gemakkelijk met absolute zekerheid en zonder enige dwaling leren kennen wat in de goddelijke dingen op zich het meest ontoegankelijk is voor de rede (vgl. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, 1, 1)” (DH 2005) over God, over zichzelf en de wereld een groot goed, terwijl leven in duisternis zonder de waarheid over de laatste vragen een kwaad is, hetgeen dikwijls ten grondslag ligt aan soms dramatisch lijden en dramatische slavernij. Daarom aarzelt de heilige Paulus niet de bekering tot het christelijk geloof te beschrijven als een bevrijding “van het domein van de duisternis” en een binnentreden in “het koninkrijk van zijn geliefde Zoon, in wie onze bevrijding verzekerd is en onze zonden vergeven zijn” (Kol. 1, 13-14). Daarom verminderen de volledige aansluiting bij Christus, die de Waarheid is, en het binnengaan in zijn Kerk de menselijke vrijheid niet, maar verheffen deze en richten deze op haar vervulling, in een liefde die belangeloos is en vol zorg voor het welzijn van alle mensen. Het is een onschatbare gave te leven in de universele omarming van de vrienden van God, die voortkomt uit de gemeenschap met het leven schenkende vlees van zijn Zoon, van hem de zekerheid te ontvangen van de vergiffenis van de zonden en te leven in de liefde die uit het geloof wordt geboren. De Kerk wil allen deelgenoot maken aan deze goederen, opdat zij zo de volheid van de waarheid en de heilsmiddelen hebben om te “delen in de glorierijke vrijheid van de kinderen Gods” (Rom. 8, 21).

De evangelisatie brengt ook de oprechte dialoog met zich mee, die de redenen en de gevoelens van anderen tracht te begrijpen. Men krijgt immers geen toegang tot het menselijk hart zonder belangeloosheid, liefde en dialoog, zodat het verkondigde woord niet alleen maar wordt uitgesproken, maar ook op passende wijze het hart van de ontvangers bereikt. Dat vereist dat men rekening houdt met de hoop en het lijden, de concrete situatie van hen tot wie men zich richt. Bovendien openen de mensen van goede wil juist door de dialoog vrijelijker hun hart en delen oprecht hun geestelijke en godsdienstige gevoelens. Dit delen, een kenmerk van ware vriendschap, is een kostbare gelegenheid voor het christelijke getuigenis en de christelijke verkondiging.

Zoals op ieder terrein van de menselijke activiteit kan ook in de dialoog wat de godsdienst betreft, de zonde binnensluipen. Het kan soms gebeuren dat deze dialoog niet wordt geleid door het natuurlijke doel ervan, maar plaats maakt voor bedrog, egoïstische interesses of arrogantie en zo het respect mist voor de waardigheid en de godsdienstvrijheid van de gesprekspartners. Daarom “verbiedt de Kerk streng iemand tot het aannemen van het geloof te dwingen of door kwalijke praktijken ertoe te leiden of te lokken, zoals zij ook met kracht opkomt voor het recht, dat niemand door bedenkelijke kwellingen van het geloof wordt afgehouden”. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 13

De oorspronkelijke beweegreden van de evangelisatie is de liefde van Christus voor het eeuwig heil van de mensen. De authentieke evangelisatoren wensen slechts om niet te geven wat zij zelf om niet hebben ontvangen: “Van het eerste begin van de Kerk af hebben de leerlingen van Christus zich ingespannen om de mensen te brengen tot de belijdenis van Christus de Heer, niet echter door daden van dwang of met kunstgrepen die het Evangelie onwaardig zijn, maar bovenal door de kracht van het woord van God”. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 11 De zending van de apostelen en de voortzetting daarvan in de zending van de oude Kerk blijft het fundamentele voorbeeld van evangelisatie voor alle tijden: een zending die vaak wordt gekenmerkt door het martelaarschap, zoals ook de geschiedenis van de net voorbije eeuw laat zien. Juist het martelaarschap schenkt geloofwaardigheid aan de getuigen, die geen macht of gewin zoeken, maar hun eigen leven voor Christus geven. Zij laten de wereld de kracht zien die weerloos is en vol liefde voor de mensen en die wordt geschonken aan wie Christus volgt tot de totale gave van zijn bestaan. Zo hebben de christenen vanaf de dageraad van het christendom tot aan onze dagen toe vervolgingen ondergaan omwille van het evangelie, zoals Jezus had voorspeld: “Als ze Mij vervolgd hebben, zullen ze ook u vervolgen” (Joh. 15, 20).

Document

Naam: DOCTRINAIRE NOTITIE OVER ENIGE ASPECTEN VAN DE EVANGELISERING
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: William Kardinaal Levada
Datum: 3 december 2007
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. vanuit het Italiaans: drs. H.M.G. Kretzers
Bewerkt: 5 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam