• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

H. PAULINUS VAN NOLA
62e catechese in de reeks: Christus en Zijn Kerk

Beste broeders en zusters!

De kerkvader waar we vandaag aandacht aan willen besteden is de heilige Paulinus van Nola. Hij was een tijdgenoot van Augustinus, met wie hij door een hechte vriendschap verbonden was, en oefende zijn bediening uit in Campania, te Nola, waar hij monnik was, later priester en bisschop. Afkomstig was hij echter uit Aquitanië, in het zuiden van Frankrijk, meer precies uit Bordeaux, waar hij geboren was in een hooggeplaatste familie. Hier ontving hij een verfijnde litteraire vorming, gezien het feit dat hij de dichter Ausonius als leraar had.

Hij ging een eerste keer uit zijn geboorte land weg om zijn snelle politieke carrière te volgen, waarin wij hem op nog jonge leeftijd al zien opklimmen tot de functie van gouverneur van Campania. In deze openbare functie wekt hij bewondering voor zijn gaven van wijsheid en mildheid. Het was in deze periode dat de genade in zijn hart het zaad van de bekering liet ontkiemen. De stimulans kwam echter van het eenvoudige en intense geloof waarmee het volk het graf van een heilige vereerde, van de martelaar Felix, in het heiligdom van het huidige Cimitile. Als verantwoordelijke voor openbare aangelegenheden interesseerde Paulinus zich voor dit heiligdom en liet hij er een hospitium bouwen voor de armen en een weg aanleggen om voor al die pelgrims de toegankelijkheid te verbeteren.

Terwijl hij zich inspande om de aardse stad te bouwen, ontdekte hij geleidelijk aan de weg naar de hemelse stad. De ontmoeting met Christus was het eindpunt van een moeizame met beproevingen bezaaide weg. Pijnlijke omstandigheden, vanaf dat hij minder in de gunst stond bij de politieke machthebbers, brachten hem in aanraking met de vergankelijkheid der dingen. Eenmaal tot geloof gekomen, zal hij schrijven: "De mens zonder Christus is slechts stof en een schim" H. Paulinus van Nola, Gedichten, Carmina. X, v. 289. Verlangend zich te bezinnen op de zin van het bestaan, begaf hij zich naar Milaan om zich bij Ambrosius in de leer te gaan. Vervolgens voltooide hij zijn christelijke vorming in zijn geboorteland, waar hij het doopsel ontving uit handen van Bisschop Delphinus van Bordeaux. In zijn geloofsontwikkeling heeft ook het huwelijk een plaats. Hij trouwde immers met Terasia, een vrome adellijke dame uit Barcelona, van wie hij een kind kreeg. Hij zou verder geleefd hebben als een goede christenleek als de dood van het kind, al na luttele dagen, daar niet op zo'n schokkende manier tussen gekomen was, wat hem duidelijk had gemaakt dat Gods plan met zijn leven anders was. Hij voelde zich in werkelijkheid geroepen zich aan Christus toe te wijden in een radicaal ascetisch leven.
Met de volledige instemming van zijn vrouw Terasia verkocht hij zijn bezit ten gunste van de armen en verliet hij, samen met haar, Aquitanië en vertrok naar Nola, waar de twee echtgenoten gingen wonen naast de Basiliek van de beschermheilige Felix. Voortaan leefden zij in kuisheid als broeder en zus, volgens een levensvorm waar ook anderen zich bij aansloten. Het levensritme van de communauteit was typisch monastiek, maar Paulinus, die in Barcelona tot priester gewijd was, begon zich ook bezig te houden met priesterlijk dienstwerk ten bate van de pelgrims. Dat bezorgde hem de sympathie en het vertrouwen van de christengemeenschap die hem bij de dood van de Bisschop rond het jaar 409 besloot te kiezen als opvolger op de kathedra van Nola.

Zijn pastorale activiteit werd intenser en kenmerkte zich door een bijzondere aandacht voor de armen. Hij liet het beeld na van een authentieke Herder van de liefde, zoals de heilige Gregorius de Grote hem beschreven heeft in Boek III van zijn H. Paus Gregorius de Grote
Dialogus
Dialogen ()
, waar Paulinus uitgebeeld staat in het heldhaftige gebaar dat hij zichzelf als gevangene aanbiedt in de plaats van de zoon van een weduwe. Het gebeuren is historisch gesproken omstreden, maar wat blijft is toch het beeld van een Bisschop met een groot hart, die het verstond zijn volk nabij te zijn in de droeve omstandigheden van de invallen van de Barbaren.

De bekering van Paulinus maakte indruk op zijn tijdgenoten. Zijn leraar Ausonius, een heidense dichter, voelde zich "verraden", en schreef hem bittere woorden waarin hij hem van de ene kant de dwaas geachte "verachting" van de aardse goederen verweet,en van de andere kant het opgeven van een litteraire roeping. Paulinus antwoordde dat zijn geven aan de armen geen verachting van de aardse goederen betekende, maar juist hun waardering voor het hoogste doel van de naastenliefde. Wat betreft zijn litteraire bezigheden: datgene waarvan Paulinus afscheid had genomen, was niet zijn dichterlijk talent dat hij nog verder zou cultiveren, maar waren de dichterlijke voorbeelden die geïnspireerd waren op de heidense mythologie en idealen. Een nieuwe esthetiek heerste voortaan over zijn fijngevoeligheid: het was de schoonheid van de vleesgeworden God, gekruisigd en verrezen, waarvan hij zich nu de zanger maakte. In werkelijkheid had hij de dichtkunst niet verlaten, voortaan putte hij zijn inspiratie uit het Evangelie, zoals hijzelf zegt in dit vers: "Voor mij is de enige kunst het geloof, en Christus mijn dichtkunst" ("At nobis ars una fides, et musica Christus”) H. Paulinus van Nola, Gedichten, Carmina. XX, v. 32.
Zijn gedichten zijn liederen van geloof en liefde, waarin de alledaagse geschiedenis met haar grote en kleine gebeurtenissen opgepakt wordt als een heilsgeschiedenis, als de geschiedenis van God met ons. Veel van deze vergelijkingen, de zogenaamde "Kerstgedichten", zijn verbonden met het jaarlijkse feest van de martelaar Felix, die hij als zijn hemelse beschermheilige had gekozen. Door Felix te gedenken, beoogde hij Christus zelf te verheerlijken, overtuigd als hij was dat het de voorspraak van deze Heilige was die hem de genade van de bekering had verkregen: "In uw licht, heb ik vol vreugde Christus liefgehad" H. Paulinus van Nola, Gedichten, Carmina. XXI, v. 373.

Dezelfde idee wilde hij tot uitdrukking brengen door de ruimte van het Heiligdom uit te breiden met een nieuwe basiliek, die hij zo liet verfraaien dat de schilderingen, toegelicht door passende tekststroken, voor de pelgrims een catechese in beeld vormden. Zo heeft hij zelf zijn bedoeling uitgelegd in een gedicht, dat gewijd is aan een andere grote catecheet, de heilige Niceta van Remesiana, terwijl hij hem vergezelt bij een bezoek aan zijn basilieken: "Nu wil ik dat je de schilderingen beschouwt die zich in een lange reeks ontvouwen aan de wanden van de beschilderde zuilengangen... Ons leek het een nuttig werk in heel het huis van Felix geschilderde voorstellingen te maken van heilige onderwerpen, in de hoop dat bij het zien van deze beelden, de geschilderde voorstelling de belangstelling zou wekken van de verbaasde boeren" H. Paulinus van Nola, Gedichten, Carmina. XXVII, vv. 511.580-583. Vandaag de dag nog kan men de restanten bewonderen van deze schilderingen, die de Heilige van Nola terecht plaatsen tussen de belangrijkere gestalten in de christelijke archeologie.

In de ascetengemeenschap van Cimitile verliep het leven in armoede, in gebed en geheel ondergedompeld in de "lectio divina". De Schrift, - gelezen, bemediteerd en geassimileerd -, vormde het licht in de straal waarvan de Heilige van Nola zijn ziel onderzocht in zijn streven naar de volmaaktheid. Degene die verwonderd stond over het besluit dat hij genomen had om zijn materiële bezit prijs te geven, herinnerde hij er aan dat een dergelijk gebaar nog lang niet de volle bekering inhield: "Het prijsgeven of verkopen van de tijdelijke goederen die men in deze wereld bezit, vormt niet de voltooiing, maar slechts het begin van de wedloop in het stadion; het is om zo te zeggen niet de eindstreep, maar slechts de start. De atleet wint niet wanneer hij zich uitkleedt, want hij legt zijn kleren juist af om aan de wedstrijd te beginnen, terwijl hij pas waardig is om als winnaar te worden gekroond nadat hij strijd geleverd heeft zoals het moest" Vgl. H. Paulinus van Nola, Brieven, Epistolae. XXIV, 7 aan Sulpicius Severus.
Naast de ascese en het Woord van God, is er de naastenliefde: in de monastieke gemeenschap waren de armen welkom. Paulinus beperkte zich jegens hen niet tot het geven van aalmoezen: hij ontving hen als waren zij Christus zelf. Een gedeelte van het klooster had hij voor hen gereserveerd, waardoor hij de indruk had, niet zozeer te geven maar te ontvangen, in de uitwisseling van gaven tussen de geboden ontvangst en de biddende dankbaarheid van die hij had geholpen. Hij noemde de armen zijn "meesters" Vgl. H. Paulinus van Nola, Brieven, Epistolae. XXIII, 11 aan Pammachius en wanneer hij bemerkte dat zij op de benedenverdieping waren ondergebracht, zij hij graag dat hun gebed het fundament vormde van zijn huis Vgl. H. Paulinus van Nola, Gedichten, Carmina. XXI, 393-394.
De heilige Paulinus schreef geen theologische traktaten, maar zijn gedichten en zijn dikke bundel brieven zijn rijk aan doorleefde theologie, doorweven met het Woord van God, dat als licht voor het leven aanhoudend wordt doorzocht. In het bijzonder komt daaruit de betekenis van de Kerk als mysterie van de eenheid naar voren. De communio of gemeenschap werd door hem vooral beleefd door middel van een opvallende beoefening van de geestelijke vriendschap. Hierin was Paulinus een ware leermeester, door van zijn leven een kruispunt te maken van uitverkoren geesten: van Martinus van Tours tot Paus Benedictus XVI - Audiëntie
H. Hieronymus (1) - zijn leven
(7 november 2007)
, van Paus Benedictus XVI - Audiëntie
H. Ambrosius van Milaan
(24 oktober 2007)
tot Augustinus, van Delphinus van Bordeaux tot Niceta van Remesiana, van Vittricius van Rouen tot Rufinus van Aquileia, van Pammachius tot Sulpicius Severus, en tot nog vele andere bekenden en minder bekenden.

In dit klimaat ontstaan de intense bladzijden die hij aan Augustinus heeft geschreven. Behalve de inhoud van de afzonderlijke brieven maakt ook de warmte indruk waarmee de Heilige van Nola de vriendschap zelf bezingt, als uitdrukking van het ene door de Heilige Geest bezielde lichaam van Christus. Ziehier een betekenisvolle passage, aan het begin van de briefwisseling tussen de twee vrienden: "Het is niet zo verwonderlijk dat wij, ook al zijn we ver van elkaar, toch bij elkaar aanwezig zijn en dat wij, zonder elkaar gekend te hebben, elkaar toch kennen, want we zijn ledematen van één en hetzelfde Lichaam, hebben één en hetzelfde Hoofd, worden overspoeld door één en dezelfde Genade, leven van één en hetzelfde Brood, bewandelen één en dezelfde Weg, bewonen één en hetzelfde Huis" H. Paulinus van Nola, Brieven, Epistolae. 6. 2.

Zoals u ziet, een prachtige beschrijving van wat het betekent christenen te zijn, Lichaam van Christus te zijn, in de communio of gemeenschap van de Kerk te leven. De theologie van onze tijd heeft juist in dit begrip van de "communio" de sleutel gevonden waarmee het mysterie van de Kerk benaderd kan worden. Het getuigenis van Paulinus van Nola helpt ons om de Kerk, zoals het Tweede Vaticaans Concilie ons haar voorhoudt, ook daadwerkelijk te beleven als sacrament van de innige eenheid met God en zo van de eenheid van ons allen en uiteindelijk van heel het menselijk geslacht Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 1. Met dit perspectief voor ogen wens ik jullie allen een goede Adventstijd.

Document

Naam: H. PAULINUS VAN NOLA
62e catechese in de reeks: Christus en Zijn Kerk
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 12 december 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, alineaverdeling en -nummering: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam