• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Kardinaal Van Thuan (hier nog in de tijd dat hij Aartsbisschop was) Een eerste belangrijke leerplaats van de hoop is het gebed. Als niemand meer naar mij luistert, luistert God nog altijd naar mij. Als ik niemand meer spreken, niemand meer aanroepen kan - tot God kan ik altijd spreken. Als niemand mij meer helpen kan, waar het gaat om een nood of een verwachting die de menselijke mogelijkheid tot hopen te boven gaat -: Hij kan mij helpen. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2657 Als ik in een laatste eenzaamheid verstoten ben: de bidder is nooit helemaal alleen. Uit dertien jaar gevangenschap, waarvan hij er negen in een isoleercel heeft doorgebracht, heeft ons de onvergetelijke kardinaal Nguyen Van Thuan een kostbaar klein boek nagelaten: Kardinaal Nguyen Van Thuan
Gebeden van hoop ()
. In dertien jaar gevangenschap, in een situatie van schijnbaar totale hopeloosheid, is hem het luisteren naar God, het kunnen spreken met God, tot een groeiende kracht van de hoop geworden, die hem na zijn vrijlating de vleugels gaf om voor de mensen van de gehele wereld tot getuige van de hoop te worden – van die grote hoop die ook in de nachten van de eenzaamheid niet ten onder gaat.

Heel mooi heeft Augustinus in een preek over de Eerste brief van Johannes de innerlijke samenhang tussen gebed en hoop verwoord. Hij definieert het gebed als oefening van het hartsverlangen. De mens is voor het grote geschapen, voor God Zelf, voor het vervuld worden door Hem. Maar zijn hart is te nauw voor het grote dat hem is toegedacht. Dat moet ruimer gemaakt worden. "Wanneer God de gave (van Zichzelf) uitstelt, maakt Hij ons verlangen (naar Hem) sterker; door dat verlangen verruimt Hij ons innerlijk; doordat Hij het verruimt, maakt hij het meer in staat (Hem) in zich op te nemen." Augustinus verwijst naar de heilige Paulus, die van zichzelf zegt dat hij leeft, 'zich uitstrekkend naar wat vóór hem ligt' Vgl. Fil. 3, 13 en gebruikt dan een heel mooi beeld om dit proces van het verruimen en klaarmaken van het menselijk hart te beschrijven: “Stel je voor, God wil je vullen met honing (beeld voor de tederheid van God en voor Zijn goedheid). Maar als je helemaal met azijn gevuld bent, waar wil je dan de honing laten?” Het vat, dat wil zeggen het hart, moet eerst verruimd en dan gereinigd worden: van de azijn en de azijnsmaak bevrijd worden. Dat kost arbeid, dat kost pijn, maar alleen zo ontstaat de geschiktheid voor datgene waartoe we zijn bestemd. Vgl. H. Augustinus, In Epistulam Ioannis (1 jan 407). 4, 6, in: PL 35, 2008 e.v. Al spreekt Augustinus in directe zin alleen over het vermogen God in zich op te nemen, toch wordt heel duidelijk dat de mens door deze arbeid, waarbij hij zich van de azijn en zijn azijnsmaak bevrijdt, niet alleen voor God vrij, maar juist ook voor de anderen open wordt. Want alleen als wij kinderen van God worden, kunnen wij bij de gemeenschappelijke Vader zijn. Bidden betekent niet uit de geschiedenis stappen en je terugtrekken in het privé-hoekje van je eigen geluk. Het juiste bidden is een proces van innerlijke reiniging, dat ons ontvankelijk maakt voor God en dus juist ook voor de mensen. In het gebed moet de mens leren wat hij werkelijk aan God kan vragen, wat God waardig is. Hij moet leren dat hij niet tegen de anderen bidden mag. Hij moet leren dat hij niet mag vragen om de oppervlakkige en gemakkelijke dingen die hij zich op dat moment wenst, de valse kleine hoop, die hem van God weg leidt. Hij moet zijn wensen en zijn hoop zuiveren. Hij moet zich van zijn stille leugens bevrijden, waarmee hij zichzelf bedriegt: God doorziet die en de confrontatie met God nodigt hem dringend uit, die ook zelf te erkennen. “Maar wie beseft al zijn feilen? Vergeef mij ook wat ik niet weet”, bidt de psalmist (Ps. 19, 13). Het niet erkennen van schuld, de waan van onschuld, rechtvaardigt en redt mij niet, want ik ben zelf schuldig aan de afstomping van mijn geweten, aan mijn onvermogen het kwade in mij als zodanig te erkennen. Als God niet bestaat, moet ik wellicht in zulke leugens vluchten, omdat er niemand is die mij zou kunnen vergeven, niemand die de werkelijk maatstaf is. Maar de ontmoeting met God wekt mijn geweten, opdat het niet meer zelfrechtvaardiging is, spiegeling van mijzelf en van de mij vormende tijdgenoten, maar tot vermogen wordt om naar het Goede zelf te luisteren.
Wil het gebed deze reinigende kracht ontplooien, dan moet het enerzijds heel persoonlijk zijn, een confrontatie van mijn ‘ik’ met God, de levende God. Anderzijds echter moet het steeds weer geleid en verlicht worden door de grote gebedswoorden van de Kerk en van de heiligen, door het liturgische gebed, waarin de Heer ons steeds weer op de juiste wijze leert bidden. Kardinaal Nguyen Van Thuan heeft in zijn geestelijke oefeningenboek verteld, hoe er lange periodes geweest zijn in zijn leven dat hij niet kon bidden, en hoe hij zich aan de gebedswoorden van de Kerk heeft vastgehouden, aan het Onze Vader, aan het Weesge­groet, aan de gebeden van de liturgie. Kardinaal Nguyen Van Thuan, Hoffnung, die uns trägt - Veertigdagenretraite voor de Paus en de Curie in 2000, Getuigenis van de hoop, Vademecum voor de Katholiek van het derde millennium. Sint Petrus Canisiusstichting, (Tegelen 2001), 122 e.v. Bij het bidden moet er altijd dit samengaan zijn van gemeenschappelijk en persoonlijk gebed. Zo kunnen wij tot God spreken, zo spreekt God tot ons. Zo gebeuren aan ons de reinigingen, waardoor wij ontvankelijk worden voor God en die ons in staat stellen de mensen te dienen. Zo komen wij open voor die 'grote' hoop en worden wij dienaren van de hoop voor de anderen: hoop in de christelijke zin is altijd ook hoop voor de anderen. En zij is de actieve hoop, waarin wij ons ervoor inspannen dat de dingen niet op ‘het verkeerde einde’ uitlopen. Het is actieve hoop, juist ook in die zin, dat wij de wereld open houden voor God. Alleen zo blijft zij ook waarachtig menselijk.

Document

Naam: SPE SALVI
Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 30 november 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Werkvertaling vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 15 juli 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam