• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Vragen we nog eens: wat mogen wij hopen? En wat mogen we niet hopen? Om te beginnen moeten we vaststellen dat optelbare vooruitgang alleen op materieel vlak mogelijk is. Op dit vlak bestaat er, in de groeiende kennis van de structuren van de materie en volgens de steeds verder gaande uitvindingen, duidelijk een continuïteit van vooruitgang naar een steeds grotere beheersing van de natuur. Maar op het vlak van het morele bewustzijn en de morele keuzes bestaat er geen soortgelijke optelbaarheid, om de eenvoudige reden dat de vrijheid van de mens steeds nieuw is en zij haar keuzes steeds opnieuw moet maken. Die zijn nooit simpelweg door anderen reeds voor ons gemaakt – dan zouden wij immers niet vrij meer zijn. Vrijheid stelt als voorwaarde dat in de fundamentele keuzes iedere mens, iedere generatie een nieuw begin is. Uiteraard kunnen de nieuwe generaties op de kennis en de ervaringen bouwen van hen die hun zijn voorgegaan, en uit de morele schat van heel de mensheid putten. Maar ze kunnen die ook afwijzen, omdat die nooit dezelfde evidentie kan hebben als de materiële uitvindingen. De morele schat van de mensheid is niet voorhanden zoals gereedschappen voorhanden zijn die men gebruikt, maar zij is als oproep aan de vrijheid en als mogelijkheid voor haar aanwezig. Dat betekent echter:

  1. De juiste toestand van de menselijke dingen, het goed zijn van de wereld, kan nooit eenvoudig door structuren alleen gewaarborgd worden, hoe goed die ook mogen zijn. Zulke structuren zijn niet alleen belangrijk, maar ook noodzakelijk; ze kunnen en mogen echter de vrijheid van de mens niet buiten werking stellen. Ook de beste structuren functioneren alleen dan, wanneer in een gemeenschap overtuigingen leven, die de mensen kunnen motiveren tot een vrije instemming met de gemeenschappelijke orde. Vrijheid heeft overtuiging nodig; overtuiging komt niet vanzelf, maar moet steeds weer gemeenschappelijk bevochten worden.
  2. Omdat de mens altijd vrij blijft en omdat zijn vrijheid ook altijd gebroken vrijheid is, zal het definitief ingerichte rijk van het goede in deze wereld nooit bestaan. Wie de definitieve, voor altijd blijvende betere wereld belooft, doet een valse belofte; hij ziet de menselijke vrijheid over het hoofd. De vrijheid moet steeds opnieuw voor het goede gewonnen worden. De vrije instemming met het goede is er nooit eenvoudig van zelf. Als er structuren bestonden die onherroepelijk een bepaalde – goede – wereldorde tot stand konden brengen, dan zou de vrijheid van de mens ontkend zijn, en daarom zouden dit uiteindelijk ook geen goede structuren zijn.
Dat betekent: Het is iedere generatie opgelegd, steeds opnieuw te worstelen om de juiste ordening van de menselijke aangelegenheden; dat is nooit simpelweg geklaard. Iedere generatie moet echter het hare doen om overtuigende ordeningen op het terrein van de vrijheid en het goede aan te brengen, die de volgende generatie de weg wijzen bij het juiste gebruik van de menselijke vrijheid, en haar daardoor, bij alle menselijke beperkingen, ook een zekere waarborg voor de toekomst te geven. Anders gezegd: goede structuren helpen, maar zijn op zich niet toereikend. De mens kan nooit eenvoudig alleen van buitenaf verlost worden. Francis Bacon en de hem volgende stroming van de moderne tijd dwaalden toen ze geloofden dat de mens door de wetenschap verlost zou worden. Met een dergelijke verwachting wordt van de wetenschap te veel gevraagd; dit soort hoop is bedrieglijk. De wetenschap kan veel tot de vermenselijking van de wereld en de mensheid bijdragen. Ze kan evenwel de mensen en de wereld ook vernietigen, als ze niet geordend wordt door krachten die buiten haar zelf liggen. Omgekeerd moeten wij ook onder ogen zien dat het moderne christendom, bij het zien van de successen van de wetenschap in de ontwikkeling van de vormgeving van de wereld, zich in hoge mate heeft teruggetrokken in een gerichtheid op het individu en zijn heil. Daarmee heeft het christendom het bereik van zijn hoop versmald en ook de grootheid van zijn opdracht onvoldoende erkend, hoeveel groots het ook verder in de vorming van de mens en in de zorg voor de zwakken en lijdenden gedaan heeft.

Niet de wetenschap verlost de mens. Verlost wordt de mens door de liefde. Dat geldt allereerst op louter binnenwereldlijk vlak. Als iemand in zijn leven de grote liefde ervaart, is dat een ogenblik van ‘verlossing’, dat aan zijn leven een nieuwe zin geeft. Maar hij zal al gauw ook erkennen dat de hem geschonken liefde alleen, het probleem van zijn leven niet oplost. Ze blijft aangevochten. Ze kan door de dood vernietigd worden. Hij heeft de onvoorwaardelijke liefde nodig. Hij heeft die zekerheid nodig die hem doet zeggen dat “noch de dood noch het leven, noch engelen noch boze geesten, noch wat is noch wat zijn zal, en geen macht in den hoge of in de diepte, noch enig wezen in het heelal ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer" (Rom. 8, 38-39). Als deze onvoorwaardelijke liefde er is met haar onvoorwaardelijke zekerheid, dan, en pas dan alleen, is de mens ‘verlost’, wat hem verder afzonderlijk ook nog mag overkomen. Dat wordt bedoeld als wij zeggen: Jezus Christus heeft ons ‘verlost’. Door Hem zijn wij zeker van God geworden, van een God die niet een verre ‘eerste oorzaak’ van de wereld is, want Zijn eniggeboren Zoon is mens geworden en van Hem kan eenieder zeggen: “Ik leef (...) in het geloof in Gods Zoon, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgeleverd" (Gal. 2, 20).

In deze zin geldt, dat wie God niet kent, weliswaar allerlei soorten hoop kan hebben, maar uiteindelijk zonder hoop, zonder die grote, het hele leven dragende hoop is Vgl. Ef. 2, 12 . Die ware, die grote en door alle gebrokenheid heen dragende hoop, kan alleen God zijn - de God die ons “tot het uiterste toe”, tot aan het “het is volbracht” Vgl. Joh. 13, 1 Vgl. Joh. 19, 30 heeft liefgehad en liefheeft. Wie door de liefde wordt aangeraakt, begint te beseffen wat ‘leven’ eigenlijk zou kunnen zijn. Hij begint te beseffen wat met het hoopvolle woord bedoeld wordt dat we in de doopritus tegenkwamen: Van het geloof verwacht ik het 'eeuwig leven', het werkelijke leven dat, helemaal en onbedreigd, in zijn gehele volheid, eenvoudigweg leven is. Jezus, die van Zichzelf heeft gezegd dat Hij gekomen is opdat wij leven zouden bezitten en het ten volle, in overvloed zouden bezitten Vgl. Joh. 10, 10 , heeft ons ook uitgelegd wat ‘leven’ betekent,: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh. 17, 3). Leven in de ware zin heeft men niet in zichzelf alleen en niet uit zichzelf alleen: het is een relatie. En in zijn volheid is het leven relatie met Hem, die de bron van het leven is. Als wij met Hem in relatie zijn Die niet sterft, Die het leven zelf is en de liefde zelf, dan zijn wij in het leven. Dan ‘leven’ wij.

Maar nu komt de vraag: zijn we daarmee niet toch weer bij het heilsindividualisme uitgekomen? Bij de hoop enkel voor mij, die juist daardoor geen werkelijke hoop is, omdat zij de anderen vergeet en er buiten laat? Nee. De relatie tot God verloopt over de gemeenschap met Jezus; alleen en uit eigen kracht zijn wij daar niet toereikend voor. De relatie met Jezus is echter een relatie met Hem die Zichzelf gegeven heeft voor ons allen. Vgl. 1 Tim. 2, 6 Het mee-zijn met Jezus Christus voert ons in Zijn ‘voor allen’ binnen, en maakt het tot onze manier van zijn. Het verplicht ons, er voor de anderen te zijn, maar alleen in het mee-zijn met Hem wordt het überhaupt pas mogelijk er werkelijk voor anderen, voor het geheel te zijn. Ik zou daarbij de grote Griekse kerkleraar Maximus Confessor (+ 662) willen citeren, die eerst oproept niets boven de kennis en de liefde van God te laten gaan, maar dan meteen heel praktisch wordt: “Wie God liefheeft, kan geld niet voor zichzelf houden. Hij deelt het op ‘goddelijke’ wijze uit ... op dezelfde wijze, naar de maat van de gerechtigheid.” H. Maximus Confessor, Hoofdstukken over de liefde. Centuria 1, Hoofdstuk 1: PG 90, 965 Uit de liefde tot God volgt de deelname aan Gods rechtvaardigheid en goedheid jegens anderen. God liefhebben vraagt om innerlijke vrijheid ten opzichte van alle bezit en al het materiële. De liefde van God toont zich in de verantwoordelijkheid tegenover de ander. H. Maximus Confessor, Hoofdstukken over de liefde. Centuria 1, Hoofdstuk 1: PG 90, 962-966 Dezelfde samenhang tussen de liefde van God en de verantwoordelijkheid voor de mensen kunnen we op indrukwekkende wijze in het leven van de heilige Augustinus zien. Na zijn bekering tot het christelijk geloof wilde hij met gelijkgezinde vrienden een leven leiden dat geheel aan het woord van God en de eeuwige dingen zou zijn gewijd. Het door de grote Griekse filosofie geformuleerde ideaal van het beschouwende leven wilde hij verwezenlijken, maar dan met een christelijke inhoud, en op deze manier “het beste deel” kiezen. Vgl. Lc. 10, 42 Maar het pakte anders uit. Bij een bezoek aan de zondagse liturgieviering in de havenstad Hippo werd hij door de bisschop uit de menigte gehaald en dringend verzocht zich te laten wijden voor de dienst als priester in deze stad. Terugblikkend op dit moment schrijft hij in zijn Belijdenissen: “Verslagen om mijn zonden en om de zware last van mijn ellende, had ik in mijn hart de gedachte opgevat en het plan overwogen, de vlucht te nemen naar de eenzaamheid. Gij hebt mij echter tegengehouden en Gij hebt mij moed ingesproken door te zeggen: ‘Daarom is Christus voor allen gestorven, opdat zij die leven niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem die ter wille van hen is gestorven'. (2 Kor. 5, 15)" H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. X, 43, 70, in: CSEL 33, 279 Christus is voor allen gestorven. Voor Hem leven betekent zich laten betrekken in Zijn ‘er zijn voor’.

Voor Augustinus betekende dit een geheel nieuw leven. Hij heeft zijn dagelijks leven eens zo beschreven: “Onruststokers terechtwijzen, kleinmoedigen troosten, zich over de zwakken ontfermen, tegenstanders weerleggen, zich hoeden voor belagers, onwetenden onderwijzen, tragen wakker schudden, ruziezoekers in toom houden, ingebeelden hun plaats wijzen, moedelozen bemoedigen, strijdenden kalmeren, armen helpen, onderdrukten bevrijden, goeden waardering tonen, kwaden verdragen, en (ach!) allen liefhebben.” H. Augustinus, Preken, Sermones. 340, 3, in: PL 38, 1484 Vgl. F. van der Meer, Augustinus de zielzorger. (1951), 318 “Het is het Evangelie dat me schrik aanjaagt” H. Augustinus, Preken, Sermones. 339, 4, in: PL 38, 1481 – die heilzame schrik die ons ervan weerhoudt voor onszelf alleen te leven en die ons dringend oproept onze gemeenschappelijke hoop door te geven. Inderdaad ging het Augustinus precies daarom: hoop doorgeven, en wel in die kritieke situatie van het Romeinse Rijk, die ook het Romeinse Afrika bedreigde en die het aan het einde van Augustinus' leven uiteen deed vallen - de hoop doorgeven, die hij uit het geloof putte en die hem in staat stelde, geheel tegen zijn naar binnen gekeerd temperament in, vastbesloten en met al zijn krachten aan het bouwen van de stad deel te nemen. In hetzelfde hoofdstuk van de H. Augustinus
Confessiones
Belijdenissen ()
, waarin wij zojuist de beslissende reden van zijn inzet ‘voor allen’ tegenkwamen, zegt hij: Christus “spreekt voor ons bij u ten beste. Was dat niet zo, ik zou wanhopig zijn, want talrijk en ernstig zijn die kwalen in mij. Talrijk zijn zij en ernstig, maar uw medicijn is krachtiger. Wij hadden kunnen menen dat uw Woord ver verwijderd was van een verbinding met de mens, en wij hadden aan onszelf kunnen wanhopen, indien dat Woord niet vlees was geworden en onder ons gewoond had.” H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. X, 43, 69, in: CSEL 33, 279 Vanuit zijn hoop heeft Augustinus zich voor de eenvoudige mens en voor zijn stad weggegeven, afstand gedaan van zijn geestelijke adeldom en gewoon voor de eenvoudige mensen gepredikt en gehandeld.
Vatten we samen wat er in de loop van onze overwegingen tot nu toe gebleken is. De mens heeft allerlei vormen van hoop, in het groot en in het klein, dag na dag, van elkaar verschillend in de verschillende periodes van zijn leven. Soms kan het lijken alsof een van deze vormen van hoop hem geheel en al vervult en hij geen verdere hoop nodig heeft. In zijn jeugd kan het de hoop op de grote, vervullende liefde zijn; de hoop op een bepaalde betrekking in zijn beroep, op het één of ander voor de rest van het leven beslissend succes. Als dergelijke vormen van hoop werkelijkheid worden, blijkt dat dit toch niet alles was. Het wordt duidelijk dat hij een hoop nodig heeft die daar bovenuit gaat, dat alleen iets oneindigs voldoende voor hem kan zijn, iets dat altijd meer zal zijn dan wat hij ooit bereiken kan. In deze zin heeft de moderne tijd de hoop ontwikkeld op de te vestigen volmaakte wereld, die door de inzichten van de wetenschap en een wetenschappelijk gefundeerde politiek maakbaar geworden leek. Zo werd de bijbelse hoop op het Rijk Gods vervangen door de hoop op het rijk van de mens, de betere wereld, die het werkelijke ‘Rijk Gods’ zou zijn. Dit leek eindelijk de geweldige en realistische hoop die de mens nodig had. Zij kon, voor een ogenblik, alle krachten van de mens mobiliseren; het grote doel leek alle inzet waard. Maar in de loop der tijd bleek deze hoop zich steeds verder te verwijderen. De mensen werden zich om te beginnen ervan bewust dat het misschien een hoop is voor de mensen van overmorgen, maar geen hoop voor mij. En hoezeer ook tot de 'grote' hoop het 'voor allen' behoort, omdat ik niet tegen de anderen in en niet zonder hen gelukkig kan worden, zo is omgekeerd een hoop die mijzelf niet betreft ook geen werkelijke hoop. Ook bleek deze hoop tegen de vrijheid in te gaan, want de toestand van de menselijke aangelegenheden hangt in iedere generatie opnieuw van de vrije keuze van de mensen af. Als die vrijheid hun door de verhoudingen en de structuren ontnomen zou worden zou de wereld toch weer niet goed zijn, omdat een wereld zonder vrijheid geen goede wereld is. Zo is weliswaar de gestage inzet nodig, opdat de wereld beter wordt, maar de betere wereld van morgen kan niet de eigenlijke en voldoende inhoud van onze hoop zijn. En steeds stelt zich daarbij de vraag: wanneer is de wereld ‘beter’? Wat maakt haar goed? Aan welke maat wordt haar goed-zijn gemeten? En langs welke wegen kan men tot dit ‘goede’ komen?
Nogmaals: wij hebben de kleine en grotere vormen van hoop nodig, die ons van dag tot dag gaande houden. Maar zij zijn ontoereikend zonder die “grote” hoop, die al het andere moet overstijgen. Deze grote hoop kan alleen God zijn, Die het geheel omvat en Die ons kan geven en schenken waartoe wij alleen niet in staat zijn. Juist dit geschonken krijgen hoort tot de hoop. God is het fundament van de hoop, niet een of andere God, maar de God die een menselijk gelaat heeft en Die ons tot het uiterste toe heeft liefgehad: ieder afzonderlijk en de mensheid als geheel. Zijn Rijk is geen denkbeeldig hiernamaals van een nooit naderbij komende toekomst. Zijn Rijk is daar waar Hij bemind wordt en waar Zijn liefde bij ons aankomt. Alleen Zijn liefde geeft ons de mogelijkheid in alle nuchterheid steeds weer stand te houden in een, naar haar wezen onvolmaakte wereld, zonder het elan van de hoop te verliezen. En Zijn liefde is tegelijkertijd waarborg daarvoor dat datgene bestaat wat wij alleen vaag vermoeden en toch ten diepste verwachten: het leven dat ‘werkelijk’ leven is. Laten wij nu proberen dit in een laatste deel verder te concretiseren door onze aandacht te richten op praktische leer- en oefenplaatsen van de hoop.

Document

Naam: SPE SALVI
Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 30 november 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Werkvertaling vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 15 juli 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam