• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Met dit alles hebben we over het geloof en de hoop van het Nieuwe Testament en van de vroege christenheid gesproken, maar het is toch ook steeds duidelijk geworden dat we niet alleen over het verleden spreken, maar dat dit alles met het leven en sterven van de mens in het algemeen, en dus ook met ons hier en nu, te maken heeft. Toch moeten wij nu heel uitdrukkelijk vragen: is het christelijk geloof ook voor ons vandaag hoop die ons leven omvormt en draagt? Is het voor ons ‘performatief’, een boodschap die het leven zelf opnieuw vorm geeft, of is het alleen nog maar ‘informatie’, die wij inmiddels terzijde geschoven hebben en die ons door nieuwere informatie achterhaald lijkt? Op zoek naar een antwoord zou ik willen uitgaan van de klassieke vorm van de dialoog waarmee het doopritueel de opname van de nieuwgeborene in de gemeenschap van de gelovigen en de wedergeboorte in Christus opende. De priester vroeg eerst naar de door de ouders gekozen naam van het kind en vroeg dan verder: Wat verlangt u van de Kerk? Antwoord: het geloof. En wat schenkt het geloof u? Het eeuwig leven. Volgens deze dialoog zochten de ouders voor het kind de toegang tot het geloof, de gemeenschap met de gelovigen, omdat zij in het geloof de sleutel zagen tot ‘het eeuwig leven’. Daar gaat het tegenwoordig net als vroeger inderdaad om bij de Doop, bij het christen worden: niet slechts om een socialiseringshandeling als binnenleiding in de gemeente, niet eenvoudigweg om opname in de Kerk, maar de ouders verwachten voor de dopeling méér: dat het geloof, waartoe de lichamelijkheid van de Kerk en haar Sacramenten behoort, hem leven schenkt – het eeuwig leven. Het geloof is de substantie van de hoop.

Maar nu rijst de vraag: willen wij dat eigenlijk wel, eeuwig leven? Misschien willen veel mensen vandaag de dag het geloof niet omdat het eeuwig leven hun niet iets lijkt om naar te streven. Ze willen helemaal niet het eeuwig leven, maar dit leven hier en nu, en het geloof in het eeuwig leven lijkt daarvoor eerder hinderlijk te zijn. Eeuwig – eindeloos – doorleven, lijkt eerder een vloek dan een geschenk te zijn. Zeker, de dood wil men zo ver voor zich uitschuiven als maar enigszins mogelijk is. Maar altijd door en zonder einde leven – dat kan toch uiteindelijk alleen maar eentonig en ten slotte ondraaglijk zijn. Precies dat zegt bijvoorbeeld de kerkvader Ambrosius in de grafrede voor zijn overleden broer Satyrus: “De dood behoorde weliswaar niet tot de natuur, maar hij is tot natuur geworden. God heeft de dood niet van het begin af aan voorzien, maar hem als geneesmiddel geschonken ... Vanwege de overtreding is het leven van de mens getekend door de dagelijkse last en door ondraaglijke ellende en daardoor erbarmelijk geworden. Er moest aan al dat leed een einde worden gesteld, opdat de dood zou herstellen wat het leven verloren heeft. Onsterfelijkheid zou meer een last dan een gave zijn, als de genade niet binnen zou schijnen.” H. Ambrosius van Milaan, Grafrede voor zijn overleden broer Satyrus, De excessu fratris sui Satyri. II, 47: CSEL 73, 274 Al eerder had Ambrosius gezegd: “We moeten de dood niet betreuren, hij is de oorzaak van het heil ...”. H. Ambrosius van Milaan, Grafrede voor zijn overleden broer Satyrus, De excessu fratris sui Satyri. II, 46: CSEL 73, 273

Alinea's in de marge van alinea 10

In deze zin geldt, dat wie God niet kent, weliswaar allerlei soorten hoop kan hebben, maar uiteindelijk zonder hoop, zonder die grote, het hele leven dragende hoop is Vgl. Ef. 2, 12 . Die ware, die grote en door alle gebrokenheid heen dragende hoop, kan alleen God zijn - de God die ons “tot het uiterste toe”, tot aan het “het is volbracht” Vgl. Joh. 13, 1 Vgl. Joh. 19, 30 heeft liefgehad en liefheeft. Wie door de liefde wordt aangeraakt, begint te beseffen wat ‘leven’ eigenlijk zou kunnen zijn. Hij begint te beseffen wat met het hoopvolle woord bedoeld wordt dat we in de doopritus tegenkwamen: Van het geloof verwacht ik het 'eeuwig leven', het werkelijke leven dat, helemaal en onbedreigd, in zijn gehele volheid, eenvoudigweg leven is. Jezus, die van Zichzelf heeft gezegd dat Hij gekomen is opdat wij leven zouden bezitten en het ten volle, in overvloed zouden bezitten Vgl. Joh. 10, 10 , heeft ons ook uitgelegd wat ‘leven’ betekent,: “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die Gij hebt gezonden, Jezus Christus” (Joh. 17, 3). Leven in de ware zin heeft men niet in zichzelf alleen en niet uit zichzelf alleen: het is een relatie. En in zijn volheid is het leven relatie met Hem, die de bron van het leven is. Als wij met Hem in relatie zijn Die niet sterft, Die het leven zelf is en de liefde zelf, dan zijn wij in het leven. Dan ‘leven’ wij.

Document

Naam: SPE SALVI
Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop
Soort: Paus Benedictus XVI - Encycliek
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 30 november 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Werkvertaling vanuit de Duitstalige grondversie, gecontroleerd met de officiële Italiaanse, Franse en Engelse vertalingen: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 15 juli 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam