• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

OCTOBRE MENSE
Over de viering van de oktobermaand (Rozenkransgebed)

Aan onze eerbiedwaardige broeders de Patriarchen,
Primaten, Aartsbisschoppen, Bosschoppen en andere
Ordinarissen die de genade en gemeenschap hebben
met de Apostolische Stoel

Eerbiedwaardge broeders, groet en apostolische zegen.

De maand oktober is nabij, de maand die men beschouwt als geheiligd en toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans. Dat doet in ons de aangename herinnering opkomen aan de krachtige aansporingen die wij in vroegere jaren tot u, eerbiedwaardige broeders, hebben gericht. Zij hadden tot doel dat de gelovigen, door uw gezag en ijver aangespoord, overal gezamenlijk hun godsvrucht voor de verheven Moeder Gods, de machtige helpster van het Christenvolk, zouden verlevendigen en verdubbelen; dat zij heel de maand met hun gebeden tot haar zouden gaan en haar zouden aanroepen door het heilige rozenkransgebed, een gewoonte die de Kerk vooral in hachelijke omstandigheden en moeilijke tijden altijd onderhouden en trouw beoefend heeft, en steeds met het verhoopte gevolg.

Wij stellen er prijs op, u datzelfde verlangen dit jaar opnieuw bekend te maken en dezelfde aansporingen zelfs met verdubbelde kracht tot u te richten. Daartoe voelen wij ons aangespoord, ja gedrongen door onze liefde voor de Kerk. Haar moeilijkheden, wel verre van lichter te zijn geworden, nemen met de dag zowel in aantal als in zwaarte toe. De rampen die wij betreuren zijn algemeen bekend. Tegen de heilige waarheden, die de Kerk bewaart en verder overlevert, wordt een verdelgingsstrijd gevoerd. De door haar gehandhaafde ongerepte zuiverheid van de christelijke deugd wordt in het belachelijke getrokken. De gewijde stand van de bisschoppen en vooral de roomse opperpriester is op vele wijzen het mikpunt van een stelselmatige lastercampagne en van georganiseerde haat. Ja tegen Christus zelf, onze God, trekt men door een voor niets terugschrikkende vermetelheid en heiligschennende misdaad ten aanval; het is als het ware een poging om zijn goddelijk verlossingswerk, dat nooit door welk geweld dan ook ongedaan gemaakt en vernietigd kan worden, tot de grond toe af te breken en te vernietigen.

Dit alles is weliswaar voor de strijdende Kerk volstrekt niets nieuws. Jezus heeft zijn apostelen te voren gewaarschuwd. Om de mensen de waarheid te leren en tot de eeuwige zaligheid te geleiden moet de Kerk zich dagelijks in slagorde scharen en strijd leveren. En inderdaad, heel de loop van de eeuwen door strijdt zij met een moed die zelfs voor het martelaarschap niet terugdeinst. Geen groter vreugde en roem voor haar, dan haar eigen bloed te mogen offeren tegelijk met het bloed van haar Stichter, dat voor haar een onfeilbaar onderpand is voor de haar beloofde eindvictorie.

Maar al is dit zo, toch valt het niet te ontkennen dat de voortdurende ingespannen strijd voor alle goede christenen een reden meebrengt tot diepe droefheid. Ja, het is een reden tot diepe droefheid, het gezicht van zoveel mensen, die door de grofste dwalingen en door schaamteloos verzet tegen God ver van de ware weg worden afgebracht en hun ondergang tegemoet snellen; van zoveel mensen, die iedere vorm van godsdienst voor evenveel houden en dus met het goddelijk geloof finaal hebben afgerekend; zelfs van niet weinig katholieken, die van de godsdienst slechts de naam over hebben, maar niet de daad en de verschuldigde plichtsvervulling. Bovendien, nog zwaarder wordt de beklemming en foltering van het hart, als men bedenkt waar de hoofdoorzaak ligt van die betreurenswaardige noodlottige verschijnselen. Zij ligt hierin: bij de inrichting van de staat doet men òfwel alsof er geen Kerk bestaat, òfwel men bestrijdt met opzet haar heilzame werkzaamheid. Daarin openbaart zich klaarblijkelijk een vreselijke, maar verdiende straf van Gods wrekende gerechtigheid. Hij laat namelijk de volken die zich van Hem afkeren, over aan een diep beklagenswaardige geestelijke afstomping en verblinding.

De toestand alleen reeds, waarin wij leven, roept de katholieken luid, ja dagelijks luid toe, hoe beslist noodzakelijk het voor hen is, God te bidden en te smeken met ijver en volharding, "zonder ophouden" (1 Tess. 5, 17). Dat moeten zij doen, niet slechts ieder persoonlijk thuis, maar nog meer in het openbaar, tezamen in de kerken. Zij moeten met aandrang vragen, dat God in zijn alomvattende voorzienigheid zijn Kerk bevrijdt "van onbetamelijke en slechte mensen" (2 Tess. 3, 2) en door het licht en de liefde van Christus de volken uit hun grenzeloze verwarring tot gezonde begrippen en inzicht terugbrengt.

Ja waarlijk wonderbaar, voor een louter natuurlijk mens onbegrijpelijk schouwspel! De wereld bewandelt haar moeizame weg, terwijl zij steunt op geld, op kracht, op wapens, op menselijk vernuft. De Kerk schrijdt door de eeuwen voort met rustige, zekere tred, alleen vertrouwend op God, tot wie zij bij dag en bij nacht al biddend haar ogen en handen omhoog heft. Want hoewel zij in haar wijsheid geen enkel der andere, menselijke middelen verwaarloost, die de tijdsomstandigheden haar op providentiële wijze aanbieden, toch stelt zij haar vertrouwen niet voornamelijk dáárop, maar veeleer op haar gebed, haar gezamenlijk smeken, haar dringend roepen tot God. Ziedaar voor haar het middel om haar levensgeest tegelijk te voeden en te versterken. Want haar voortdurend gebed verwerft haar de grote gunst, om onbewogen door al de wisselingen van die wereldgebeurtenissen en in onafgebroken vereniging met God, het eigen leven van Christus de Heer in zich op te nemen, en rustig en kalm voort te zetten. Zij gelijkt daarbij enigermate op Christus zelf, die te midden van de wrede folteringen, die Hij voor de zaligheid van allen leed, volstrekt geen enkele vermindering of beroving ondervond van het zalige licht en de zalige vreugde, die Hem eigen waren.

Deze gewichtige les van christelijke wijsheid is door allen, die door deugdzaam leven hun naam van christen eer aandeden, altijd begrepen en met heilige zorg in beoefening gebracht; en als door de listen of het geweld van die bozen de Kerk of haar opperhoofd door enig ongeluk waren getroffen, dan stegen hun gebeden met groter innigheid en volharding tot God omhoog. Een voorbeeld daarvan uit de vroegste geschiedenis van de Kerk Een tekenend voorbeeld hiervan hebben wij in de gelovigen van de eerste Kerk. Het verdient ten volle om allen die na hen zouden komen ter navolging te worden voorgesteld. Petrus, de plaatsbekleder van Christus de Heer, de hogepriester van de Kerk, was op bevel van de misdadige Herodes in de gevangenis geworpen. Hij ging een wisse dood tegemoet. Nergens enig middel, enige hulp om hem uit de kerker te bevrijden. Maar nee, er was wèl hulp: die, welke een vroom gebed van God weet te verkrijgen. De Kerk - zo vertelt de gewijde geschiedenis - stortte voor hem haar vurigste gebeden. Zonder ophouden werden er door de Kerk voor hem gebeden opgedragen aan God." (Hand. 12, 5). Steeds heviger was de angstige bezorgdheid, die allen kwelde bij de gedachte aan zo'n vreselijk ongeluk, maar ook des te vuriger was de ijver voor het gebed, die allen bezielde. Hoe de uitkomst aan hun gebed beantwoordde is overbekend. Petrus werd door een wonder bevrijd, en nog altijd viert het christenvolk de blijde herinnering aan die bevrijding.

Een nog duidelijker, een goddelijk voorbeeld gaf Christus; Hij wilde namelijk zijn Kerk niet alleen door zijn onderrichtingen maar ook door het model van zijn eigen persoon volledig onderwijzen en vormen tot heiligheid. Heel zijn leven lang had Hij zich op veelvuldig en innig gebed toegelegd; maar toen zijn laatste uur naderde, toen in de hof van Gethsemani zijn ziel in een onmetelijke zee van bitterheid was gedompeld en tot stervens toe afgemat, toen vooral bad Hij tot de Vader, ja bad Hij nog vuriger" (Lc. 22, 44). Ongetwijfeld deed Hij dat niet voor zichzelf: Hij vreesde niets; Hij had niets nodig; Hij was God. Maar Hij deed het voor ons, Hij deed het voor zijn Kerk. Reeds toen verenigde Hij met grote bereidwilligheid haar toekomstige gebeden en tranen in zijn persoon om ze vruchtbaar te maken aan genade.

Volgens Gods heilsplan is Maria de middelares van alle genaden Maar, sedert door het geheim van het kruis het heil van ons geslacht voltrokken is, en de Kerk door Christus' overwinning op aarde gesticht en rechtens is aangesteld om dat heil toe te passen: sindsdien is er voor het nieuwe volk Gods een nieuwe ordening van Gods voorzienigheid ontstaan en van kracht geworden.

Hier moeten wij met diepe eerbied een blik werpen op Gods plannen. Gods eeuwige Zoon wilde tot verlossing en verheffing van de mens de menselijke natuur aannemen. Het was zijn plan, aldus als het ware een mystiek huwelijk met heel de mensheid aan te gaan. Maar dat plan heeft Hij niet ten uitvoer gebracht dan na eerst de volkomen vrije toestemming te bekomen van haar die bestemd was zijn Moeder te worden. Zij vertegenwoordigde in zekere zin de persoon van heel het menselijk geslacht, volgens de bekende en zeer juiste uitspraak van Thomas van Aquino: Bij de boodschap werd gewacht op de toestemming van de Maagd, die de plaats innam van heel de mensheid." H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. XXX.a.1 Bijgevolg mag men met niet minder juistheid en in de volle zin van het woord verzekeren, dat absoluut niets van die overrijke schat van alle genaden, dien de Heer ons gebracht heeft immers: "de genade en waarheid zijn door Jezus Christus gekomen;" Vgl. Joh. 1, 17 - dat niets daarvan ons verleend wordt dan door bemiddeling van Maria; zo is de wil van God. Evenals dus niemand tot de opperste Vader kan naderen dan door de Zoon, bijna evenzo kan niemand, tot Christus komen dan door zijn Moeder.

Wat een wijsheid, en tegelijk wat een barmhartigheid straalt er uit in dit plan van God! Wat een aanpassing aan de zwakheid en broosheid van de mens! Immers, al geloven wij aan Gods oneindige goedheid en al prijzen wij haar: toch geloven wij tegelijk aan zijn oneindige rechtvaardigheid die wij vrezen. Dezelfde Jezus, die wij als liefdevolle Verlosser onze wederliefde schenken, omdat Hij zijn Bloed en leven voor ons gegeven heeft, vrezen wij toch ook als onverbiddelijke rechter. Daarom hebben zij, die sidderen bij de gedachte aan hetgeen zij bedreven hebben, zeker een voorspreker en beschermer nodig, die van den ene kant bij God een grote gunst geniet, en van de andere kant zo goedertieren is; dat hij de meest wanhopige zijn bescherming niet weigert, en hen die terneergeslagen liggen opbeurt om van God vergiffenis te verkrijgen. Welnu, ziedaar de taak die juist Maria op heerlijke wijze volbrengt. Zij is machtig, de Moeder van de almachtige God; maar - en dat spreekt zoeter taal - zij is bereidwillig, uiterst goed, uiterst barmhartig. Als zodanig heeft God haar ons gegeven. Juist omdat Hij haar uitverkoos tot Moeder van zijn eengeborene heeft Hij haar waarlijk een moederhart gegeven, dat slechts van liefde en vergiffenis spreekt. Als zodanig heeft Jezus Christus haar door zijn eigen gedrag aan ons getoond, door uit eigen beweging aan Maria, als een zoon aan zijn moeder, onderdanig en gehoorzaam te willen zijn. Als zodanig heeft Hij haar aan het kruis plechtig aangewezen, toen Hij het mensdom in heel zijn omvang in de persoon van zijn leerling Johannes aan haar zorgen en haar liefde toevertrouwde. Als zodanig ten slotte heeft zij zelf zich gegeven, zij aanvaardde met grote edelmoedigheid die erfenis van haar stervende Zoon, die Hij door mateloos lijden had verworven, en begon onmiddellijk jegens allen haar moederplichten te vervullen.

Dit plan van zulk een liefdevolle barmhartigheid, dat door God in Maria werd verwezenlijkt en door het testament van Christus bekrachtigd werd, hebben de heilige apostelen en de eerste gelovigen van het begin af met overgrote blijdschap begrepen. Zo begrepen het ook en zo begrepen het te allen tijde alle christelijke naties met de grootste eenstemmigheid. En zelfs al zouden heel de traditie en alle schriftelijke documenten zwijgen, dan spreekt een stem die opklinkt uit het hart van iedere Christen dit met de grootste welsprekendheid, uit. Ja, wanneer wij als het ware met onweerstaanbare aandrang ons tot Maria gedreven, en tegelijk door een gevoel van overgrote zoetheid ons tot haar getrokken voelen; wanneer niets ons liever, dierbaarder is dan onze toevlucht te nemen tot de trouwe bescherming van Maria, om haar al onze plannen en werken, onze onschuld en onze boetvaardigheid, onze benauwdheden en vreugden, onze beden en wensen, kortom al onze aangelegenheden toe te vertrouwen; wanneer ieder vervuld is van de blijde, zekere hoop, dat hetgeen God minder welgevallig zou zijn, als het Hem door ons onwaardige werd aanbevolen, Hem zeer welkom en welgevallig zal zijn, als het aan die allerheiligste Moeder is aanbevolen: dan is daarvoor nergens anders een grond te vinden dan in het goddelijk geloof. De zekerheid en de zoetheid van deze overtuiging bieden aan de ziel een grote troost. Maar tegelijk boezemen ze haar een innig medelijden in met degenen, die het goddelijk geloof missen en dus Maria niet als Moeder begroeten, niet als Moeder beschouwen. Dat medelijden is nog groter om het ongeluk van degenen, die ondanks het bezit van het heilig geloof, toch de goede Katholieken durven beschuldigen van buitensporigheid en overdrijving bij hun verering van Maria. Dat is een ernstig vergrijp tegen de kinderlijke liefde die men haar verschuldigd is.

Bij de tegenwoordige storm van onheilen, waardoor de Kerk zo hevig geteisterd wordt, zullen al haar goede kinderen dus vanzelf twee dingen inzien: de heilige plicht die zij hebben om veel dringender tot God te bidden, en het voornaamste middel waarop zij daarbij moeten vertrouwen om hun smeekbeden de rijkste uitwerking te laten krijgen. Laten wij het voorbeeld van onze diep godsdienstige ouders en voorouders volgen en onze toevlucht nemen tot Maria, onze machtige meesteres. Laten wij gezamenlijk een beroep doen op Maria, de Moeder van Christus en ook onze Moeder. Laten wij één van zin haar bezweren:

Toon u ons als Moeder,
Draag naar Hem onze bede,
Die voor ons geboren
Duldde uw Kind te wezen.
Onder de gebeden tot Maria is het rozenkransgebed het uitstekendste

Welnu, onder de verschillende formulieren en manieren om de goddelijke Moeder te vereren zijn er die een voorkeur verdienen, nl. die, waarvan wij weten dat zij uiteraard meer uitwerking hebben en aan die Moeder welgevalliger zijn. Dat is de reden waarom wij de rozenkrans met name willen noemen en met alle aandrang willen aanbevelen. Het algemeen spraakgebruik heeft aan deze gebedswijze den naam van k r a n s gehecht, ook om deze reden: zij brengt ons op zeer gelukkige wijze tot een krans samengevoegd, de geheimen uit het leven van Jezus en Maria, hun vreugden, hun smarten, hun triomfen voor de geest. Als de gelovigen deze verheven geheimen achtereenvolgens met vrome aandacht overdenken en beschouwen, dan kunnen zij er wonderbaar veel steun uit putten: voedsel voor hun geloof, een voorbehoedmiddel tegen de verderfelijke kwaal van onwetendheid en dwaling, een middel om de kracht van de ziel op te wekken en te versterken. Immers, van wie aldus bidt, gaan het verstand en het geheugen onder voorlichting van het geloof met een gevoel van levendige blijdschap in die geheimen op; zij staan er bij stil, zij beschouwen ze van alle kanten, en intussen kunnen zij niet genoeg krijgen van de bewondering voor dat onuitsprekelijk werk van de verlossing van het mensdom, dat ten koste van zo'n dure prijs en door een reeks van zulke grootse gebeurtenissen is tot stand gebracht. Dan ontvlamt het hart in dankbare liefde om die bewijzen van de goddelijke liefde; dan versterkt, verlevendigt het zijn hoop, vol moedig verlangen naar de hemelse beloningen die Christus bereid heeft voor hen, die zich bij Hem aangesloten hebben door zijn voorbeeld na te volgen en in zijn lijden te delen. Onder deze beschouwing door vloeien de woorden van het gebed, dat afkomstig is van de Heer zelf, van de aartsengel Gabriël en van de Kerk, een gebed vol lofprijzingen en heilzame smeekbeden. Telkens herhaald en telkens voortgezet, in een vaste opeenvolging die tegelijk vol afwisseling is, schenkt het telkens nieuwe, zoete vruchten van devotie. Ex sacr. liturg.

Dat blijkt uit de wijze van ontstaan en uit de grote gunsten door dit gebed verkregen

Men moet wel aannemen, dat de hemelkoningin zelf aan dat gebed een grote uitwerking verbonden heeft. Immers, op haar ingeving en aansporing is het door de beroemde patriarch Dominicus. ingevoerd en verspreid, in een tijd die het katholicisme zeer vijandig gezind was en die maar weinig verschilde van onze tegenwoordige tijd. Het werd ingevoerd als een buitengewoon krachtig wapen om de vijanden van het geloof te verslaan. De sekte van de ketterse Albigenzen had zich, hier in het geheim, daar openlijk, van vele gewesten meester gemaakt. Deze afschuwelijke ketterij, een nakomeling van de Manicheeën, wier vreselijke dwalingen en huichelarijen zij weer in het leven riep, veroorzaakte maar al te veel nieuwe moordpartijen en dodelijke haat tegen de Kerk. Op menselijke hulp tegen die verderfzaaiende en zich alles aanmatigende bende kon men nauwelijks meer rekenen. Toen kwam God zelf door middel van Maria's rozenkrans te hulp. Zo werden, dank zij de bescherming van de heilige Maagd de roemrijke overwinnares van alle ketterijen, die krachten van de goddelozen aan het wankelen gebracht en gebroken, en bleef bij verreweg de grote meerderheid het geloof behouden en ongedeerd. Nog vele malen zijn later bij alle volken dergelijke gevaren afgewend of dergelijke weldaden verkregen. Dat is tamelijk goed algemeen bekend. De geschiedenis zowel van vroeger als van den nieuwere tijd levert daarvoor de schitterendste bewijzen. Dat blijkt uit de merkwaardige verspreiding van dit gebed Nog een ander, duidelijk bewijs is: de wijze waarop het rozenkransgebed dadelijk na zijn instelling overal bij alle klassen der maatschappij in zwang gekomen en tot een trouw bewaarde gewoonte geworden is. Want waarlijk, de goddelijke Moeder straalt door haar vele, heerlijke eretitels als de allerhoogste onder alle schepselen, en de godsvrucht van het christenvolk vereert haar onder prachtige titels en op vele wijzen. Maar voor de titel van de rozenkrans, voor deze wijze van bidden, die als het ware een herkenningsteken voor de gelovigen en een kort begrip van de aan Maria verschuldigde verering lijkt te zijn, heeft het Christenvolk altijd een buitengewone voorliefde gehad. Dat gebed heeft het bij voorkeur beoefend, privé en in het openbaar, thuis en in het gezin, door er broederschappen voor in te stellen, altaren voor op te richten, processies voor te houden, overtuigd dat er geen beter middel was om Maria's feesten op te luisteren of haar bescherming en gunsten te verdienen.

Dat blijkt uit het feit, dat de rozenkransdevotie in tijden van rampspoed telkens het eerst herleefde

Nog een feit dat niet verzwegen mag worden, en dat hier duidelijk wijst op een heel bijzondere zorg van onze meesteres. Het is voorgekomen, dat op de lange duur in een of ander land de vurigheid van de godsvrucht verkoelde en dat er een zekere verslapping intrad juist in de praktijk van dit gebed.

Maar dan kwam, hetzij onder de bedreiging van een vreselijke publieke ramp, hetzij onder de druk van een of andere nood, een bewonderenswaardige ommekeer. Dan werd, vóór alle overige hulpmiddelen, die de godsdienst biedt, op algemeen verlangen de rozenkrans weer ingevoerd en op zijn ereplaats hersteld, en dan bracht een nieuwe bloei weer rijke vruchten. Hiervoor behoeven wij geen bewijzen te gaan zoeken in het verleden. Wij hebben in onze tijd daarvan een heerlijk voorbeeld bij de hand. In onze tijd immers, die, zoals wij in de aanvang zeiden, zo'n een droeve tijd is voor de Kerk, maar voor ons, die krachtens Gods wil met het bestuur der Kerk belast zijn, wel het allerdroevigst, kan men met bewondering aanschouwen, hoe levendig en vurig op alle plaatsen en bij alle volken van de christenheid de ijver is, waarmede men de rozenkrans vereert en beoefent. Dat feit moet men eerder toeschrijven aan God, die de mensen bestuurt en geleidt, dan aan de wijsheid of de activiteit van welke mens ook. Daarom is het een troost en een opbeuring voor ons hart en vervult het ons met het vaste vertrouwen, dat onder Maria's bescherming nieuwe en grotere zegepralen voor de Kerk in aantocht zijn.

Men moet bidden met onderwerping aan God, met vertrouwen en volharding

Er zijn echter gelovigen, die hetgeen wij hier in herinnering gebracht hebben, heel goed begrijpen. Maar wat zien zij tot nu toe? Nog niets van alles wat zij hoopten, vooral nog geen spoor van vrede en rust voor de Kerk. Ja zelfs, zij zien de ellende en de verwarring van deze tijden nog erger worden. En dientengevolge worden zij als het ware moe, verliezen zij het vertrouwen, en geven zij hun liefde en hun ijver voor het gebed op.

Laten zulke mensen eerst eens nadenken en hun best doen, dat hun gebeden tot God de vereiste eigenschappen bezitten, zoals Christus de Heer die voorschrijft. Als dat het geval is, laten zij dan verder beschouwen, dat het niet passend en in strijd met den eerbied voor God is, Hem een termijn te willen stellen waarbinnen Hij ons te hulp moet komen, en de manier waarop Hij dat moet doen. God heeft tegenover ons geen enkele verplichting. Als Hij onze gebeden verhoort, en "onze verdiensten bekroont, dan bekroont Hij niets anders dan zijn eigen gaven." H. Augustinus, Brieven, Epistulae. CXCIV al 106 Sixtum, c. v., n. 19. Als Hij daarentegen zich niet bij onze zienswijze aansluit, dan handelt Hij met wijze voorzorg als een goede Vader tegenover zijn kinderen, die medelijden heeft met hun kortzichtigheid, en hun welzijn beoogt.

Wat echter de gebeden betreft, die wij in vereniging met de smeekbeden van de hemelingen nederig tot God richten om Hem genadig voor de Kerk te stemmen: daarnaar luistert Hij altijd met de grootste goedheid, en die verhoort Hij steeds. Dat geldt zowel waar het gaat over de gewichtigste en eeuwige belangen van de Kerk, als waar het gaat over de geringere en tijdelijke belangen, mits deze laatste bevorderlijk zijn voor de eerste. Want aan zulke gebeden zet Christus de Heer Inderdaad, laten wij eens zien naar de uitwendige goederen der Kerk, die slechts op dit leven betrekking hebben. Het is overduidelijk, dat de Kerk dikwijls te doen heeft met tegenstanders, geweldig in boosaardigheid en macht. Zij heeft dan ook maar al te zeer te treuren over de beroving van haar goederen, de inperking en onderdrukking van haar vrijheid, de aanvallen tegen haar gezag en de verachting voor dat gezag, kortom over veel onrecht en vijandelijkheden van allerlei aard. En als men nu vraagt: hoe komt het, dat de boosheid van haar vijanden er niet in slagen kan, het eindpunt van onrecht, dat het doel is van hun plannen en hun hardnekkige pogingen, ten slotte volkomen te bereiken? Hoe komt het daarentegen, dat de Kerk, ondanks zoveel rampspoed, altijd, al is het telkens in anderen vorm, met haar zelfde grootheid en haar zelfde roem blijft uitschitteren en zelfs vooruit blijft gaan?

Hetzelfde is en met nog meer recht het geval, waar het gaat over de goederen, waardoor die Kerk de mensen rechtstreeks voert tot het bereiken van hun eeuwig geluk. Dat is immers het doel waarvoor zij gesticht is, en dus moeten haar gebeden wel een bijzondere kracht bezitten om te verkrijgen dat het plan van Gods voorzienigheid en barmhartigheid voor de mensen in hen volkomen tot uitvoering komt. Zo vragen en verkrijgen mensen, die met de Kerk en door de Kerk bidden, eigenlijk hetgeen "de almachtige God van eeuwigheid besloten heeft te geven." H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II, q LXXXIII, a. 2, ex S. G. reg. M. Op het ogenblik is de gezichtsscherpte van de mens niet groot genoeg om de diepte van de plannen van Gods voorzienigheid. te peilen. Maar eens komt de tijd, waarop God zelf in zijn goedheid de oorzaken en de gevolgen van de gebeurtenissen zal openleggen, en dan zal het duidelijk blijken, hoe machtig de invloed is geweest die de beoefening van het gebed in zake het eeuwig geluk heeft gehad, hoe groot zijn nut geweest is om dat te verkrijgen. Dan zal men zien, hoe het aan het gebed te danken is, dat velen, te midden van de verleiding van een bedorven wereld, zich rein en vlekkeloos hebben weten te bewaren "van iedere smet naar lichaam en geest, en in de vreze Gods hun heiliging voltooiden" (2 Kor. 7, 1); dat sommigen, op het punt zich aan de zonde over te geven, zich plotseling hebben weten te beheersen en juist uit het gevaar en de bekoring een gelukkige versterking van deugd hebben weten te behalen; dat anderen, na hun val in de zonde, in hun hart een aandrang hebben gevoeld om op te staan en zich in de armen van den barmhartige God te werpen.

Wij bezweren dan ook allen met de meeste nadruk, dit ernstig bij zichzelf te overdenken en niet toe te geven aan de bedrieglijke influisteringen van de oude vijand, en onder geen enkel voorwendsel hun ijver voor het gebed te laten varen. Neen, laten zij met volharding blijven bidden, laten zij "zonder ophouden" blijven bidden. Hun eerste zorg moet zijn, te bidden om het hoogste goed, de eeuwige zaligheid van allen, en voor het behoud van de Kerk. Daarna mogen zij God de overige goederen vragen, die strekken tot voordeel of veraangenaming van dit leven, onder voorwaarde dat zij berusten in Gods volmaakt rechtvaardige wil, en Hem, of Hij hun wensen verhoort of niet, evengoed danken als een vader die hun alle mogelijke weldaden bewijst. Ten slotte, laten zij zich jegens God met de grootst mogelijke eerbied en godsvrucht gedragen, zoals passend en verplichtend is, zoals de heiligen het steeds gedaan hebben, en zoals onze allerheiligste Verlosser en Meester zelf gedaan heeft "onder luid geroep en tranen" (Heb. 5, 7).

Bij het gebed moet de boetvaardigheid gevoegd worden

Hier vordert onze plicht en onze vaderlijke liefde, God, de gever van alle goed, voor alle kinderen van de Kerk niet alleen om de geest van gebed te smeken, maar ook om de geest van heilige boetvaardigheid. Wij doen dit van ganser harte. Tegelijk sporen wij met dezelfde zorg allen en ieder in het bijzonder tot deze deugd aan, die met de eerstgenoemde in zulk een nauw verband staat. Het gebed nl. heeft tot uitwerking de ziel te voeden, haar moed te schenken voor dappere daden en haar omhoog te heffen tot God. De boetvaardigheid heeft tot uitwerking, dat wij onszelf beheersen, en vooral het lichaam, dat ten gevolge van de eerste zonde de gevaarlijkste vijand is van de rede en van de evangelische wet. Deze twee deugden Dit wordt bevestigd door het voorbeeld der heiligen Wij hebben voor onze ogen staan het voorbeeld van de boetvaardigheid der heiligen. Hun gebeden en smeekbeden waren juist door de boetvaardigheid zeer aangenaam aan God en hadden daardoor zelfs de kracht om wonderen te verkrijgen. Dat leert ons de kerkelijke geschiedenis. Zij beheersten, beteugelden onverdroten hun verbeelding, hun hart, hun zinnelijke neigingen. De leer van Christus, de lessen en voorschriften van zijn Kerk vonden bij hen altijd volledige instemming, onderwerping en aanhankelijkheid. Wat zij wilden, wat zij niet wilden, dat bepaalden zij alleen na eerst die goddelijke wil te hebben nagegaan. Bij hun werken hadden zij geen ander doel dan de meerdere eer van God. Hun hartstochten bedwongen en temden zij met energie, hun lichaam behandelden zij hard en ongenadig. Zij onthielden zich zelfs van onschuldige genoegens uit liefde voor de deugd. Zij konden dan ook terecht Paulus' woorden op zichzelf toepassen: "onze omgang is in de hemel" (Fil. 3, 20), en ziedaar ook de reden, waarom hun gebeden zoveel kracht hadden om God genadig te stemmen en tot verhoring te bewegen.

Boete is voor ieder nodig om voor zichzelf te voldoen Natuurlijk kunnen en behoeven allen niet zover te gaan. Maar wel moet ieder in levenswijze en gedragingen de zelfkastijding beoefenen die hem past. Dat is een eis van die wetten van de goddelijke rechtvaardigheid, die voor de bedreven fouten een strikte voldoening vordert. Welnu, het is beter die voldoening gedurende dit leven te geven door vrijwillige boetewerken, waaraan bovendien nog een beloning verbonden is.

Maar nog meer. De Kerk is het mystiek lichaam van Christus. Wij allen groeien en leven daarin als ledematen verbonden. Maar ziehier, wat daar volgens Paulus uit volgt. Als één lid zich ergens over verheugt, dan delen alle leden in die vreugde; zo ook: als één lid lijdt, dan delen allen in zijn pijn, d.w.z. dan moeten zij hun broeders in Christus, die naar ziel of lichaam lijden, als broeders uit eigen beweging te hulp komen en zoveel in hun vermogen is trachten te genezen. "Dat de leden gelijke zorg voor elkaar dragen. En wanneer één lid lijdt, lijden alle leden mee; komt één lid in aanzien., alle leden delen in zijn vreugde. Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder in het bijzonder zijn leden." (1 Kor. 12, 25-27). Dat is een vorm van liefde die steunt op het voorbeeld van Christus, die in zijn onmetelijke liefde zijn leven gegeven heeft ter voldoening voor ons aller zonden; zo neemt ook die liefde het uitboeten van de fouten van anderen op zich. Welnu, in die liefde bestaat tenslotte de grote band van volmaaktheid, waardoor de gelovigen onder elkaar en met de bewoners van de hemel en zeer nauw met God verbonden zijn.

Kortom, de activiteit van de heilige boetvaardigheid is zo veelzijdig, zo vindingrijk, zo uitgestrekt, dat ieder die slechts een goede en bereidvaardige wil heeft haar zeer dikwijls en zonder al te veel inspanning kan beoefenen.

Blijde vooruitzichten; krachtige aansporing

Nu blijft ons nog over, eerbiedwaardige broeders, onze verwachting uit te spreken, dat onze aansporingen en raadgevingen, dank zij uw medewerking, een zeer gelukkig resultaat zullen hebben. Daarvoor is ons borg zowel uw bijzondere en uitmuntende godsvrucht voor de heilige Moeder Gods, als uw liefde en ijverige zorg voor Christus' kudde. Ons hart verheugt zich reeds nu bij het vooruitzicht van dezelfde heerlijke, rijke vruchten, welke de schitterende manifestatie van de godsvrucht van de katholieken voor Maria reeds menigmaal heeft opgeleverd. Mogen de gelovigen op uw woord, uw aansporing, uw voorbeeld, vooral in de a.s. maand zich verzamelen en samenstromen bij de feestelijk versierde altaren van de verheven koningin, van de Moeder vol van goedheid. Mogen zij door het haar zo welgevallige rozenkransgebed op kinderlijke wijze mystieke bloemkransen voor haar vlechten en ze haar aanbieden. Wij willen, dat alle door ons hieromtrent vroeger gegeven voorschriften en verleende aflaten in volle omvang blijven gelden. Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de verbreiding en versterking van de Rozenkransdevotie, Supremi Apostolatus officio (1 sept 1883) Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over het bidden van de Rozenkrans, Superiore Anno (30 aug 1884) Vgl. Congregatie van het Concilie, Inter plurimos (20 aug 1885) Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de devotie tot St. Jozef, Quamquam Pluries (15 aug 1889)

Besluit

Hoe heerlijk, hoe zegenrijk zal het zijn, als in steden, dorpen en gehuchten, als te land en ter zee in heel die katholieke wereld vele miljoenen vrome zielen hun lofprijzingen en smeekgebeden verenigen en als uit één hart en één mond op alle uren van de dag Maria begroeten, Maria aanroepen en alles van Maria verhopen. Haar moeten allen vol vertrouwen dringend vragen, door haar gebed van haar Zoon te verwerven: de terugkeer van de dwalende volken tot christelijke levenswijze en christelijke beginselen, die de grondslag zijn waarop het openbaar welzijn berust, de bodem waarop de rijke oogst van de vurig verlangde vrede en van het ware geluk moet gedijen. Haar moeten zij met nog groter aandrang vragen om de gunst, die alle welgezinden het vurigst dienen te verlangen, het herstel en het rustig genot van de wettige vrijheid voor onze moeder de Kerk, van de vrijheid, die zij alleen maar gebruikt, om voor de hoogste belangen van de mensheid te zorgen, en waarvan individu en staat nooit enig nadelig gevolg, doch altijd vele en grote voordelen hebben ondervonden.

Zegen

En nu, eerbiedwaardige broeders, moge op de voorbede van de Koningin van de heilige rozenkrans God u de schatten van zijn hemelse genade schenken, die u in dagelijks toenemende mate de kracht zullen verlenen om de plichten van uw herderlijke bediening heilig te volbrengen. Een voorteken en onderpand daarvan zij de apostolische zegen, dien wij aan u, aan uw geestelijkheid en aan de kudde, een ieder van u toevertrouwd, met grote liefde verlenen.

Gegeven te Rome, bij St. Pieter,
de 22ste september 1891, in het 14de jaar van ons pausschap.

Paus Leo XIII

Document

Naam: OCTOBRE MENSE
Over de viering van de oktobermaand (Rozenkransgebed)
Soort: Paus Leo XIII - Encycliek
Auteur: Paus Leo XIII
Datum: 22 september 1891
Copyrights: © Ecclesia Docens - Uitg. Gooi en Sticht
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam