• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Een van de specifieke kenmerken van de - reeds vaak genoemde - tegenwoordige aanslagen op het menselijk leven bestaat in de tendens om wettelijke legitimatie daarvoor te eisen, alsof het om rechten zou gaan die de staat, tenminste onder bepaalde voorwaarden, aan de burgers moet toekennen, en, als gevolg daarvan, in de tendens om de toepassing van deze rechten met de zekere en vrije hulp van artsen en verplegend personeel te verlangen.

Vaak wordt beweerd, dat het leven van een ongeborene of van iemand die zich in totale zwakte bevindt, alleen maar een betrekkelijk goed is: volgens een proportionalistische benadering of een koude berekening zou het met andere goederen vergeleken en afgewogen moeten worden. En er wordt ook beweerd dat alleen iemand die zich in de concrete situatie bevindt en persoonlijk erbij betrokken is, rechtmatig een afweging van de goederen waarom het gaat, kan maken. Als gevolg daarvan zou alleen hij over de moraliteit van zijn keuze kunnen beslissen. De staat zou daarom in het belang van het burgerlijk samenleven en de sociale eendracht deze beslissing moeten eerbiedigen en tenslotte ook abortus en euthanasie toelaten.

Soms wordt de mening gehoord dat de wet van de staat niet zou kunnen verlangen dat alle burgers overeenkomstig een morele standaard leven die hoger is dan die, die zij zelf erkennen en delen. Daarom moet de wet altijd de uitdrukking van de mening of van de wil van de meerderheid der burgers zijn en hun, tenminste in bepaalde extreme gevallen, ook het recht op abortus en euthanasie toekennen. Overigens zou het verbod op en de bestraffing van abortus en euthanasie in deze gevallen - zo beweert men - onvermijdelijk tot een toename van illegale praktijken leiden: maar deze zouden niet aan de noodzakelijke sociale controle onderworpen zijn, en zouden zonder de gewenste medische veiligheid uitgeoefend worden. Hier vraagt men zich bovendien af, of vasthouden aan een concrete, niet-uitvoerbare wet, tenslotte niet zou betekenen dat ook de geloofwaardigheid van elke andere wet, ondergraven zou worden.

De radicaalste standpunten gaan tenslotte zover te beweren, dat in een moderne en pluralistische maatschappij aan iedere mens volledige autonomie toegekend moet worden om over het eigen leven en het leven van het ongeboren kind te beschikken: de keuze en de beslissing tussen de verschillende morele opvattingen zou inderdaad niet een zaak van de wet moeten zijn, en nog minder het opleggen van een bepaalde mening ten koste van andere.

In elk geval is in de democratische cultuur van onze tijd de mening wijd verbreid dat de rechtsorde van een maatschappij zich ertoe moet beperken, de overtuigingen van de meerderheid op te tekenen en aan te nemen en daarom slechts bouwen op datgene wat de meerderheid zelf als moreel erkent en beleeft. Wanneer dan zelfs de mening wordt verkondigd dat een algemene en objectieve waarheid de facto onaannemelijk is, dan zou het respect voor de vrijheid van de burgers - die in een democratisch systeem als de eigenlijke soeverein gelden - vereisen, dat men op het niveau van de wetgeving de autonomie van de individuele gewetens erkent en daarom bij het vastleggen van die normen die in elk geval voor het sociale samenleven noodzakelijk zijn, uitsluitend recht doet aan de wil van de meerderheid, hoe die ook mag zijn. Op deze wijze zou iedere politicus in zijn handelen het terrein van het eigen geweten duidelijk moeten scheiden van dat van het publieke gedrag.

Als gevolg daarvan kan men twee, blijkbaar diametraal tegengestelde tendensen vaststellen. Aan de ene kant eisen de afzonderlijke individuen voor zichzelf de meest volledige zedelijke beslissingsautonomie op en eisen zij dat de staat geen morele opvatting tot de zijne maakt en voorschrijft, maar dat hij zich ertoe beperkt de vrijheid van ieder afzonderlijk de grootst mogelijke ruimte te garanderen, met als enige beperking naar buiten dat men de ruimte van autonomie niet aantast waarop ook iedere andere burger recht heeft. Van de andere kant meent men dat, bij het uitoefenen van de publieke en professionele taken, het respect voor de beslissingsvrijheid van de ander vereist, dat eenieder zijn eigen overtuigingen aan de kant zet om zich in dienst te stellen van ieder verzoek van de burgers, die de wetten erkennen en beschermen, waarbij als enige zedelijke maatstaf voor de uitoefening van eigen functies aanvaard wordt, wat precies door deze wetten vastgelegd is. Zo wordt, met voorbijzien van het eigen zedelijke geweten, tenminste op het gebied van de openbare activiteit, de verantwoordelijkheid van de mens aan de burgerlijke wet overgelaten.

De gemeenschappelijke wortel van al deze tendensen is het ethisch relativisme dat voor grote delen van de moderne cultuur kenmerkend is. Sommigen beweren dat dit relativisme een voorwaarde is voor de democratie, omdat alleen tolerantie het wederzijds respect van de mensen onderling en de binding aan de beslissingen van de meerderheid zou garanderen, terwijl de zedelijke normen, als bindend en objectief beschouwd, zouden leiden tot autoritarisme en intolerantie.

Maar juist de problematiek van het respect voor het leven laat zien welke misverstanden en tegenstellingen, gepaard gaand met van ontstellende praktische gevolgen, zich achter deze mentaliteit verbergen.

Het klopt dat de geschiedenis gevallen kent waarin in de naam van de 'waarheid' misdaden zijn begaan. Maar niet minder ernstige misdaden en radicale ontkenningen van de vrijheid werden en worden ook nu nog in naam van het 'ethische relativisme' begaan. Neemt een parlementaire of maatschappelijke meerderheid, wanneer ze de rechtmatigheid van de onder bepaalde voorwaarden uitgevoerde doding van het ongeboren menselijke leven goedkeurt, soms niet een 'tiranniek' besluit tegen het zwakste en meest weerloze menselijk wezen? Het wereldgeweten reageert terecht op de misdaden tegen de menselijkheid waarmee onze eeuw zulke treurige ervaringen heeft opgedaan. Zouden deze wandaden misschien niet langer misdaden zijn, wanneer zij in plaats van door gewetenloze tirannen te zijn begaan, door de toestemming van het volk rechtmatig verklaard zouden zijn?

Men mag echter democratie niet in die mate tot mythe maken dat ze tot een vervanging wordt van moraliteit of tot een panacee tegen de onzedelijkheid. Van nature is zij een 'orde' en, als zodanig, een werktuig en niet een doel. Haar 'zedelijk' karakter komt niet vanzelf, maar hangt af van de overeenstemming met de zedenwet waaraan zij, zoals ieder ander menselijk gedrag, onderworpen moet zijn: d.w.z.: het hangt af van de zedelijkheid van de doelen die zij nastreeft en van de middelen die zij gebruikt. Wanneer tegenwoordig een bijna wereldwijde overeenstemming over de waarde van de democratie kan worden vastgesteld, dan wordt dat als een positief 'teken van de tijd' beschouwd, zoals ook het leergezag van de Kerk herhaaldelijk heeft uitgesproken Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 46 Vgl. Paus Pius XII, Radiotoespraak, Kerstboodschap 1944 (fragmenten), Benignitas et humanitas (24 dec 1944). Maar de waarde van de democratie staat of valt met de waarden die zij belichaamt en koestert: fundamenteel en onmiskenbaar zijn zeker de waarden van iedere menselijke persoon, het respect voor zijn onaantastbare en onvervreemdbare rechten, alsook de bestemming van het 'algemeen belang' tot doel en regelende maatstaf voor het politieke leven.

De fundamenten van deze waarden kunnen niet voorlopige en wisselende menings-'meerderheden' zijn, maar alleen de erkenning van een objectieve zedenwet, die als de 'natuurwet' die de mens in het hart geschreven staat, het referentiepunt is dat de norm stelt juist voor deze burgerlijke wet. Wanneer als gevolg van een tragische collectieve gewetensverduistering het scepticisme tenslotte zelfs de grondslagen van de zedenwet in twijfel zou trekken, dan zou zelfs de democratische orde in zijn grondslagen aangetast worden, aangezien zij zou verworden tot een louter mechanisme van het empirisch regelen van verschillende en tegengestelde belangen Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 97.99.

Menigeen zou zich kunnen voorstellen dat zelfs deze functie, bij gebrek aan beter, omwille van de sociale vrede, gewaardeerd zou moeten worden. Zelfs wanneer men in zulke beoordeling een zeker waarheidsaspect erkent, dan moet men toch zien dat zonder een objectieve zedelijke verankering ook de democratie geen stabiele vrede kan garanderen, temeer daar de vrede die niet aan de waarden van de waardigheid van iedere mens en van de solidariteit onder alle mensen gemeten wordt, niet zelden een bedrieglijke zaak is. Want in de regeringssystemen zelf die een democratische participatie kennen, leidt de regeling van de belangen dikwijls tot het voordeel van de sterkeren, aangezien zij niet alleen het beste de hefbomen van de macht, maar ook de totstandkoming van een consensus kunnen sturen. In een dergelijke situatie wordt democratie gemakkelijk tot een leeg begrip.

Met het oog op de toekomst van de maatschappij en op de ontwikkeling van de gezonde democratie is het daarom dringend nodig om de aanwezigheid van essentiële en aangeboren menselijke en zedelijke waarden opnieuw te ontdekken, die uit de waarheid van het menszijn zelf voortkomen en die de waardigheid van de persoon uitdrukken en beschermen: waarden dus, die geen enkeling, geen meerderheid en geen staat ooit kunnen produceren, veranderen of vernietigen, maar die zij alleen zullen moeten erkennen, eerbiedigen en koesteren.

In deze zin moet men de basiselementen van een visie op de betrekking tussen burgerlijke wet en zedenwet herontdekken, die door de Kerk naar voren worden gebracht maar die ook deel zijn van het erfgoed van de grote rechtstradities der mensheid.

Zeker, de taak van de burgerlijke wet is in vergelijking met die van de zedenwet anders en van beperkter omvang. Toch kan 'in geen levenssfeer de burgerlijke wet de plaats innemen van het geweten of normen voorschrijven m.b.t. dingen die buiten zijn bevoegdheid liggen' Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 22, dat is de verzekering van het welzijn van de mensen door de erkenning en de verdediging van hun grondrechten, en door de bevordering van de vrede en de openbare zedelijkheid. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 7. Want de taak van de burgerlijke wet bestaat in het garanderen van een geordende sociale samenleving in ware gerechtigheid, opdat wij allen 'in alle vroomheid en rechtschapenheid ongestoord en rustig kunnen leven' (1 Tim. 2, 2). Juist daarom moet de burgerlijke wet voor alle leden van de maatschappij het respect voor enkele grondrechten garanderen, die aan de mens als persoon eigen zijn en die elke positieve wet moet erkennen en garanderen. Het eerste en meest fundamentele van alle rechten is het onaantastbare recht op leven van iedere onschuldige mens. Ook als het openbaar gezag er soms voor kan kiezen om iets niet te stoppen, als het verhinderd zou worden , ernstiger schade zou doen Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 96, a. 2., kan zij desondanks nooit toelaten dat enkelingen - zelfs wanneer die de meerderheid van de leden van de maatschappij zouden vormen - het recht krijgen andere mensen te schaden door hun grondrechten, zoals dat op leven, niet te erkennen. Het wettelijk dulden van abortus en euthanasie kan zich juist daarom geenszins beroepen op het respect voor het geweten van de anderen, omdat de maatschappij het recht en de plicht heeft zich te beschermen tegen de misbruiken die in naam van het geweten en onder voorwendsel van de vrijheid tot stand kunnen komen' Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 7 .

In de encycliek H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Pacem in Terris
Vrede op aarde
(11 april 1963)
wees Johannes XXIII erop dat 'in de denkwijze van onze tijd het algemene welzijn vooral gelegen is in het veiligstellen van de rechten en plichten van de menselijke persoon. De taak van de gezagsdragers dient er vooral op gericht te zijn om deze rechten te erkennen, te eerbiedigen, met elkaar in overeenstemming te brengen, te verdedigen en te bevorderen, zodat daardoor iedereen zich gemakkelijker van zijn plichten kan kwijten. Want 'dit is de voornaamste plicht van ieder staatsgezag: om de onaantastbare rechten van de mens te beschermen en ervoor te zorgen dat ieder gemakkelijk zijn taak kan vervullen'. Daarom, indien de gezagsdragers de rechten van de mens niet erkennen of aantasten, wijken zij niet alleen af van hun eigen plicht, maar hun voorschriften missen ook iedere juridische verplichting' H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 60 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, De Katholieke Kerk in het Duitse Rijk, Mit brennender Sorge (14 mrt 1937) Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over het goddeloze communisme, Divini Redemptoris (19 mrt 1937). III Vgl. Paus Pius XII, Radiotoespraak, Kerstboodschap 1942, Con sempre (24 dec 1942).

De leer over de noodzakelijke overeenstemming van de burgerlijke wet met de zedenwet staat in de continuïteit van de hele traditie van de Kerk. Dit blijkt nog eens uit Johannes XXIII's encycliek: 'Gezag wordt gevraagd door de zedelijke orde en komt van God. Als gevolg daarvan kunnen wetten en besluiten die tegen de morele orde ingaan en dus tegen de goddelijke wil geen bindende kracht hebben in het geweten(...); inderdaad, het aannemen van zulke wetten ondermijnt het wezen zelf van het gezag en resulteert in schaamteloos misbruik' H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 51. AAS 55 (1963), 271. Dit is de heldere leer van de H. Thomas van Aquino, die schrijft dat 'de menselijke wet wet is in zoverre zij overeenstemt met de rechte rede en zo is ontleend aan de eeuwige wet. Wanneer ze echter van het verstand afwijkt, wordt het een onrechtvaardige wet genoemd en heeft het niet het karakter van een wet, maar veeleer dat van een daad van geweld' H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 93, a. 3, ad 2um.. En verder: 'Elke door mensen gemaakte wet heeft in zoverre het karakter van een wet, voor zover ze afgeleid wordt van de natuurwet. Maar wanneer ze op enig punt van de natuurwet afwijkt, dan zal ze niet meer wet zijn, maar eerder een corruptie van de wet'. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I-II, q. 95, a. 2. De Aquinaat citeert Sint Augustinus: 'Non videtur esse lex, quae iusta non fuerit', De libero arbitrio, I, 5, 11: PL 32, 1227. Vgl. H. Augustinus, De Libero Arbitrio (1 jan 388). I, 5, 11: PL 32, 1227

De eerste en meest rechtstreekse toepassing van deze leer betreft de menselijke wet die het fundamentele grondrecht op leven, dat iedere mens eigen is, niet erkent. Zo staan de wetten die het rechtstreekse doden van onschuldige mensen, in de vormen van abortus en euthanasie, voor gewettigd verklaren, in totale en onverzoenlijke tegenspraak met het onaantastbare recht op leven dat alle mensen eigen is en ontkennen zij bovendien de gelijkheid van allen voor de wet. Men zou kunnen tegenwerpen dat dit dan niet geldt voor euthanasie, wanneer de betreffende mens bij volledig bewustzijn erom gevraagd heeft. Maar een staat die een dergelijk verzoek zou wettigen en doorvoering ervan toelaten, zou tegen de grondbeginselen van absoluut respect voor het leven en van de bescherming van ieder mensenleven een zelfmoord, respectievelijk moord, legaliseren. Zo wordt ruim baan gemaakt voor het nalaten van eerbied voor het leven en effent men de weg voor een houding die het vertrouwen in de sociale betrekkingen vernietigt.

De wetten die abortus en euthanasie toelaten en bevorderen, stellen zich dus niet alleen radicaal op tegen het welzijn van het individu, maar ook tegen het gemeenschappelijk welzijn, en missen daarom iedere geloofwaardige rechtsgeldigheid. Het niet erkennen van het recht op leven gaat het meest rechtstreeks en onherstelbaar in tegen de mogelijkheid om het algemeen welzijn te realiseren, juist omdat het leidt tot het doden van de mens: de maatschappij bestaat juist om in dienst van hem te staan. Daaruit volgt dat, wanneer een burgerlijke wet abortus en euthanasie goedkeurt, zij juist daarom geen echte, zedelijk verplichtende burgerlijke wet meer is.

Abortus en euthanasie zijn dus misdrijven waarvan geen enkele menselijke wet zich de legitimatie kan aanmatigen. Wetten van deze soort houden niet alleen geen verplichting voor het geweten in, maar wekken veeleer de ernstige en duidelijke plicht op, om zich ertegen te verzetten met behulp van het beroep op gewetensbezwaren. Vanaf de begintijden van de Kerk heeft de verkondiging van de apostelen de christenen de plicht tot gehoorzaamheid jegens het rechtmatig optredende openbaar gezag ingeprent Vgl. Rom. 13, 1-7 Vgl. 1 Pt. 2, 13-14 , maar tegelijkertijd krachtig gewaarschuwd dat men ‘God meer moet gehoorzamen dan de mensen’ (Hand. 5, 29). Reeds in het Oude Testament vinden we met betrekking tot de bedreigingen tegen het leven een belangrijk voorbeeld van de tegenstand tegen het onrechtvaardige gebod van het openbaar gezag. De joodse vroedvrouwen verzetten zich tegen de farao, die bevolen had om iedere pasgeboren jongen te doden. Zij ‘deden niet wat de koning van Egypte bevolen had, maar lieten de kinderen in leven’ (Ex. 1, 17). Belangrijk is echter om op de diepere reden van dit gedrag te wijzen: ‘De vroedvrouwen vreesden God’ (Ex. 1, 17). Uit de gehoorzaamheid jegens God - aan wie alleen die vrees toekomt die de erkenning van zijn absolute soevereiniteit is - groeien de kracht en de moed om aan de onrechtvaardige wetten van de mensen te weerstaan. De kracht en de moed van hem die bereid is ook de gevangenis in te gaan of door het zwaard om te komen, in de zekerheid dat ‘hier de standvastigheid en de geloofstrouw van de heiligen moet blijken’ (Openb. 13, 10).

Daarom is het nooit geoorloofd zich te voegen naar een in zichzelf onrechtvaardige wet, zoals die welke abortus en euthanasie toelaat, ‘noch door deelname aan een propagandacampagne voor een dergelijke wet, noch door er zijn stem aan te geven’ Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Verklaring over Abortus provocatus, De abortu procurato - Declaratio (18 nov 1974), 22.

Een bijzonder gewetensprobleem kan zich voordoen in de gevallen waarin een parlementaire stemming beslissend zou zijn voor het aannemen van een strengere wet, bedoeld om het aantal legale abortussen te beperken, in plaats van een wet die meer toelaat, wanneer die reeds zou zijn aangenomen of ter stemming gereed zou liggen. Zulke gevallen komen nogal eens voor. Het is een feit dat, terwijl in sommige delen van de wereld er voortdurend campagnes plaatsvinden om wetten in te voeren ten gunste van abortus, vaak gesteund door machtige internationale organisaties, in andere landen - in het bijzonder die, die al ervaring hebben met de bittere vruchten van zulke ‘vrije’ wetgeving - er toenemende tekenen zijn van een herbezinning op dit vlak. In een geval als het juist genoemde, wanneer het niet mogelijk is een abortuswet af te wenden of volledig af te stemmen, zou het een afgevaardigde, wiens persoonlijke absolute tegenstand tegen abortus duidelijk en aan iedereen bekend gemaakt was, geoorloofd kunnen zijn wetsvoorstellen te steunen die ten doel hebben de schade te beperken van zo’n wet en die de negatieve effecten op het gebied van de cultuur en de openbare moraal verminderen. Zo werkt men namelijk niet ongeoorloofd mee aan een onrechtvaardige wet, maar veeleer wordt een wettige en passende poging ondernomen om de kwade aspecten te beperken.

De invoering van onrechtvaardige wetten plaatst moreel juiste mensen dikwijls voor moeilijke gewetensproblemen m.b.t. medewerking in verhouding tot een goede toepassing van het eigen recht om niet gedwongen te worden tot deelname aan moreel slechte handelingen. Soms zijn de beslissingen die nodig blijken, pijnlijk en kunnen ze er zelfs om vragen een hoge beroepspositie op te geven of af te zien van gewettigde promotie- en carrièreperspectieven. In andere gevallen kan blijken dat het doorvoeren van in zichzelf onbepaalde of zelfs positieve handelingen, die in de artikelen van als geheel onrechtvaardige wetgevingen zijn voorzien, de bescherming van een bedreigd mensenleven toelaat. Van de andere kant mag men daarentegen met recht vrezen dat de bereidheid om dergelijke handelingen uit te voeren, niet slechts tot een steen des aanstoots wordt en de nodige weerstand tegen aanvallen op het leven verzwakt, maar geleidelijk zal leiden tot verdere capitulatie voor een houding die alles toelaat.

Om licht te werpen op deze moeilijke morele kwestie moet herinnerd worden aan de algemene principes t.a.v. de medewerking aan slechte handelingen. Zoals alle mensen van goede wil worden de christenen aangespoord om onder ernstige verplichting van hun geweten, niet aan die praktijken formeel mee te werken, die, hoewel door de wetgeving van de staat toegelaten, tegengesteld zijn aan de Wet van God. Want vanuit moreel gezichtspunt is het nooit geoorloofd formeel aan het kwaad mee te werken. Zo'n medewerking vindt plaats wanneer de uitgevoerde handeling ofwel op grond van haar aard, ofwel vanwege de vorm die zij in een concreet kader aanneemt, gekarakteriseerd moet worden als directe deelname aan een tegen het onschuldige mensenleven gerichte daad of als instemming met de immorele bedoeling van de hoofddader. Deze medewerking kan nooit worden gebillijkt, noch door een beroep op het respect voor de vrijheid van de ander, noch door te steunen op het feit dat de burgerlijke wet deze medewerking voorziet en bevordert: want voor de handelingen die ieder persoonlijk uitvoert, bestaat een morele verantwoordelijkheid waaraan zich niemand kan onttrekken en volgens welke God zelf eenieder zal oordelen. Vgl. Rom. 2, 6 Vgl. Rom. 14, 12

Weigeren om aan het begaan van een onrecht mee te doen is niet alleen een morele plicht maar ook een menselijk grondrecht. Als dat niet zo zou zijn, zou de mens gedwongen zijn een handeling uit te voeren die met zijn waardigheid op zich onverenigbaar was: op die manier zou zijn vrijheid, waarvan de authentieke betekenis en het doel berusten op haar oriëntatie op het ware en het goede, radicaal bedreigd worden. Het gaat dus om een wezenlijk recht dat juist als zodanig door de burgerlijke wet zelf moet worden voorzien en beschermd. In deze zin zou voor de artsen, het verplegend personeel en de directeuren van ziekenhuizen, klinieken en verzorgingshuizen, de mogelijkheid gegarandeerd moeten zijn om de deelname aan de fase van overleg, voorbereiding en uitvoering van zulke handelingen tegen het leven, te weigeren. Wie grijpt naar het middel van het gewetensbezwaar moet niet alleen beschermd zijn tegen strafmaatregelen, maar ook tegen elk soort schade op wettelijk, disciplinair, economisch en professioneel vlak.

Document

Naam: EVANGELIUM VITAE
Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1995
Copyrights: © 1995 Katholiek Nieuwsblad, Den Bosch
Bewerkt: 10 december 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam