• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Bij het zoeken naar de diepste wortels van de strijd tussen de 'cultuur van het leven' en de 'cultuur van de dood' kunnen we ons niet beperken tot de perverse idee van vrijheid als boven vermeld. We moeten gaan naar het hart van de tragedie die de moderne mens ervaart: de verduistering van de zin voor God en voor de mens, typisch voor een sociaal en cultureel klimaat dat beheerst wordt door secularisme dat met zijn alom aanwezige tentakels er soms in slaagt om christelijke gemeenschappen zelf op de proef te stellen. Degenen die zich laten beïnvloeden door dit klimaat vallen gemakkelijk in een droevige vicieuze cirkel: wanneer de zin voor God weg is, is er ook de neiging om de zin voor de mens te verliezen, voor zijn waardigheid en zijn leven; op haar beurt verwekt de systematische schending van de zedelijke wet, vooral in de ernstige kwestie van het respect voor het menselijk leven en zijn waardigheid, een soort voortschrijdende verduistering van het vermogen om Gods levende en reddende aanwezigheid waar te nemen.

Opnieuw kunnen het verhaal van de moord op Abel door zijn broer volgen. Na de vervloeking die God over hem uitspreekt, keert Kaïn zich aldus tot de Heer: 'Die straf is te zwaar om te dragen. Gij verdrijft mij vandaag van deze grond; en ik zal ver van U moeten blijven; ik zal een zwerver en een vagebond zijn op de aarde, en ieder die mij ontmoet kan mij doden' (Gen. 4, 13-14). Kaïn is ervan overtuigd dat zijn zonde niet vergeven zal worden door de Heer en dat zijn onontkoombaar lot zal zijn 'ver te moeten blijven' van Hem. Als Kaïn in staat is te belijden dat zijn schuld 'groter is dan hij kan dragen', dan is dat omdat hij zich ervan bewust is in de tegenwoordigheid van God te zijn en vóór Gods rechtvaardige oordeel. Het is inderdaad alleen voor God dat de mens zijn zonde kan toegeven er de volle zwaarte van kan inzien. Dat was de ervaring van David die, nadat 'hij kwaad had bedreven in de ogen van de Heer', en terechtgewezen was door de profeet Nathan, uitriep: 'Ik ben mij bewust dat ik schuld heb: steeds ziet wat ik begaan heb mij aan; tegen U, U alleen was mijn zonde; Gij doorziet het kwaad dat ik deed' (Ps. 51, 5-6).

Daarom wordt, als de zin voor God verdwenen is, ook de zin voor de mens bedreigd en vergiftigd, zoals het Tweede Vaticaans Concilie bondig verklaart: 'Zonder de Schepper verdwijnt het schepsel in het niets (...) maar de godvergetenheid hult de schepping in duisternis' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 36. De mens is niet langer in staat zichzelf te zien als 'geheimnisvol anders' dan andere aardse schepsels; hij beschouwt zichzelf louter als één van de vele levende wezens, als een organisme dat, op zijn best, een zeer hoge graad van perfectie heeft bereikt. Opgesloten binnen de enge horizon van zijn fysieke staat wordt hij in zekere zin teruggebracht tot 'een ding', en begrijpt hij niet meer het 'transcendente' karakter van zijn 'bestaan als mens'. Hij beschouwt het leven niet langer als een schitterende gave van God, iets 'heiligs' dat aan zijn verantwoordelijkheid is toevertrouwd en zo ook aan zijn liefde en zorg en 'verering'. Het leven zelf wordt louter een 'ding' dat de mens opeist als zijn exclusieve eigendom, helemaal onderworpen aan zijn controle en manipulatie.

Zo is de mens, m.b.t. het leven bij de geboorte of bij de dood, niet langer in staat om de vraag naar de meest ware zin van zijn eigen bestaan te stellen doordat hij in echte vrijheid deze cruciale momenten van zijn eigen 'zijn' aanneemt. Hij is alleen maar bekommerd om het 'maken' en, terwijl hij alle mogelijke technologieën gebruikt, houdt hij zich bezig met het programmeren, controleren en beheersen van geboorte en dood. Geboorte en dood worden van oorspronkelijke ervaringen die 'geleefd' moeten worden, tot dingen die men meent zomaar te kunnen 'bezitten' of 'af te wijzen'.

Bovendien: als eenmaal de verwijzing naar God buitengesloten is, is het niet verwonderlijk dat de betekenis van al het andere diep verstoord wordt. De natuur zelf wordt van 'mater' (moeder) nu tot 'materie', blootgesteld aan alle mogelijke manipulatie. Dit is de richting waarin een bepaalde technische en wetenschappelijke denkwijze die in de cultuur van vandaag overheerst, schijnt te leiden, wanneer zij het idee zelf verwerpt van een waarheid van het geschapene die erkend moet worden, of van een plan van God met het leven, dat gerespecteerd moet worden. Iets dergelijks gebeurt wanneer de bezorgdheid over de gevolgen van zo'n 'vrijheid zonder wet' sommige mensen brengt tot de tegenoverliggende positie van een 'wet zonder vrijheid', zoals bijvoorbeeld in ideologieën die het onrechtmatig vinden om op enigerlei wijze in de natuur in te grijpen: daarmee 'vergoddelijken' ze haar a.h.w., een voorstelling die opnieuw de afhankelijkheid van het plan van de Schepper minacht. Zo is het duidelijk dat het verlies van het contact met Gods wijze plan de diepste wortel is van de verwarring van de moderne mens, zowel wanneer dit verlies leidt tot een vrijheid zonder regels als wanneer het de mens achterlaat in 'angst' voor zijn vrijheid.

Door te leven 'alsof God niet bestond' verliest de mens niet alleen het zicht op het mysterie van God, maar ook op dat van de wereld en dat van zijn eigen wezen.

De verduistering van de zin voor God en voor de mens leidt onvermijdelijk tot een praktisch materialisme dat individualisme, nuttigheidsdenken en genotzucht kweekt. Ook hier zien we de blijvende geldigheid van de woorden van de Apostel: 'En omdat zij het niet de moeite waard hebben geacht God te erkennen, heeft God hen prijsgegeven aan hun nietswaardige ' (Rom. 1, 28). De waarden van het zijn worden zo vervangen door die van het hebben. Het enige doel dat telt is het nastreven van zijn eigen materiële welzijn. De zogenaamde 'kwaliteit van leven' wordt allereerst of uitsluitend beschouwd als economische doelmatigheid, mateloos consumentisme, lichamelijke schoonheid en plezier, waarbij de diepere dimensies van het bestaan - intermenselijk, geestelijk en religieus - worden veronachtzaamd.

Binnen een dergelijke context wordt lijden, een onontkoombare last van het menselijk bestaan maar ook een factor van mogelijke persoonlijke groei, 'gecensureerd', verworpen als nutteloos, zelfs bestreden als een kwaad, dat altijd hoe dan ook vermeden moet worden. Wanneer het niet vermeden kan worden en het vooruitzicht van tenminste toekomstig welzijn verdwijnt, dan schijnt het leven alle betekenis te hebben verloren en groeit de bekoring in de mens om het recht op te eisen, het te stoppen.

In ditzelfde culturele klimaat wordt het lichaam niet langer gezien als een typisch persoonlijke werkelijkheid, een teken en een plaats van betrekkingen met anderen, met God en met de wereld. Het wordt teruggebracht tot pure stoffelijkheid: het is enkel een complex van organen, functies en krachten, alleen te gebruiken naar de maatstaven van plezier en doelmatigheid. Dan wordt ook de seksualiteit van haar persoonlijkheid beroofd en geëxploiteerd: van teken, plaats en taal van de liefde, dat wil zeggen van de gave van zichzelf en het ontvangen van de ander, in heel de rijkdom van de ander als een persoon, wordt zij meer en meer de gelegenheid en het middel voor zelfbevestiging en zelfzuchtige bevrediging van persoonlijke verlangens en instincten. Zo wordt de oorspronkelijke betekenis van de menselijke seksualiteit misvormd en vervalst en de twee betekenissen die inherent zijn aan de aard zelf van de huwelijksdaad, nl vereniging en voortplanting, kunstmatig gescheiden: op deze wijze wordt de huwelijkseenheid verraden en haar vruchtbaarheid onderworpen aan de willekeur van man en vrouw. Voortplanting wordt dan de 'vijand' die vermeden moet worden bij seksuele activiteit: als zij wordt toegelaten, dan alleen omdat zij een wens of sterker nog de eigen wil uitdrukt om een kind te hebben 'tegen elke prijs', en niet omdat zij de volledige aanvaarding van de ander beduidt en daarom een openheid voor de rijkdom van het leven die het kind vertegenwoordigt.

In het materialistische perspectief dat tot hier toe beschreven is, verarmen intermenselijke betrekkingen ernstig. De eersten die er schade van hebben, zijn vrouwen, kinderen, zieken of lijdenden en ouderen. De maatstaf van de persoonlijke waardigheid - die eerbied, edelmoedigheid en dienst vraagt - wordt vervangen door het criterium van doelmatigheid, functionaliteit en nut: de ander wordt gewaardeerd, niet om wat hij 'is', maar om wat hij 'heeft, doet en presteert'. Dit is de suprematie van de sterken over de zwakken.

Juist in het hart van het zedelijk geweten vindt de verduistering van de zin voor God en voor de mens met al haar verschillende en dodelijke gevolgen voor het leven, plaats. Het is bovenal een zaak van het individuele geweten, dat in zijn eigenheid en uniciteit alleen is met God 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 16. Maar het is ook in zekere zin een zaak van het 'morele geweten' van de samenleving: die is op een bepaalde wijze ook verantwoordelijk. Niet alleen omdat ze gedrag dat tegengesteld is aan het leven duldt of koestert, maar ook omdat ze de 'cultuur van de dood' aanmoedigt, doordat ze echte 'structuren van zonde' schept en in stand houdt, die tegen het leven ingaan. Het morele geweten, zowel individueel als sociaal, is tegenwoordig als gevolg van de doordringende invloed van de media, blootgesteld aan een uiterst ernstig en dodelijk gevaar: dat van verwarring tussen goed en kwaad, juist m.b.t. het fundamentele recht op leven. Een groot deel van de huidige samenleving ziet er triest uit, zoals die mensheid, die Paulus beschrijft in zijn brief aan de Romeinen. Die is samengesteld

  • 'uit mensen die door hun slechtheid de ' (Rom. 1, 18):
  • nadat zij God hebben ontkend en geloven dat zij de aardse stad kunnen bouwen zonder Hem, 'liep hun denken op niets uit', zodat 'hun geest die het inzicht verwierp werd verduisterd' (Rom. 1, 21);
  • 'terwijl zij beweerden dat ze wijs waren, werden zij dwazen' (Rom. 1, 22):
  • ze voerden werken uit, die de dood verdienden, en 'zij doen die niet alleen, maar juichen ze ook toe bij anderen' (Rom. 1, 32).

Wanneer het geweten, dit lichtende oog van de ziel Vgl. Mt. 6, 22-23 , 'het kwade goed en het goede kwaad' (Jes. 5, 20) noemt, dan is het al op de weg van alarmerende corruptie en donkerste morele blindheid. En toch, alle opzet en alle inspanning om stilte op te leggen, kunnen de stem van de Heer niet smoren, die weerklinkt in het geweten van iedere mens afzonderlijk. Een nieuwe tocht van liefde, openheid en dienst aan het menselijk leven kan altijd juist vanuit dit intieme heiligdom van het geweten beginnen.

Document

Naam: EVANGELIUM VITAE
Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1995
Copyrights: © 1995 Katholiek Nieuwsblad, Den Bosch
Bewerkt: 7 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam