• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De Kerk heeft het Evangelie ontvangen als aankondiging en bron van vreugde en heil. Ze heeft het ontvangen als een geschenk van Jezus die door de Vader werd gezonden 'om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen' (Lc. 4, 18). Ze heeft het door de Apostelen ontvangen, die door Hem uitgezonden werden in de hele wereld Vgl. Mc. 16, 15 Vgl. Mt. 28, 19-20 . De Kerk, die ontstond uit deze evangeliserende activiteit hoort in zichzelf iedere dag het waarschuwende woord van de Apostel: 'Wee mij, wanneer ik het Evangelie niet verkondig' (1 Kor. 9, 16). 'Evangeliseren - schreef Paulus VI - is, inderdaad, de genade en de eigenlijke roeping van de Kerk, haar diepste identiteit. Zij bestaat om te evangeliseren' H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 14.

Evangelisatie is een wereldwijde en dynamische actie, waardoor de Kerk deelneemt aan de profetische, priesterlijke en koninklijke zending van de Heer Jezus. Daarom is zij onscheidbaar verbonden met de dimensies van verkondiging, viering en dienst van naastenliefde. Het is een ten diepste kerkelijk handelen, dat allen aantrekt die op de verschillendste manieren voor het Evangelie werkzaam zijn, ieder naar zijn talenten en zijn ambt.

Dat geldt ook voor de verkondiging van het Evangelie van het leven, een wezenlijk bestanddeel van het Evangelie dat Jezus Christus is. Wij staan in dienst van dit Evangelie, gedragen door het besef dat wij het als een gave ontvangen hebben en uitgestuurd zijn om het aan de hele mensheid 'tot aan de grenzen van de aarde' (Hand. 1, 8) te verkondigen. Nederig en dankbaar beseffen wij dat wij het volk van het leven en voor het leven zijn en zo presenteren wij ons aan iedereen.

Wij zijn het volk van het leven omdat God ons, in zijn onvoorwaardelijke liefde, het Evangelie van het leven geschonken heeft, en wij door dit Evangelie veranderd en gered zijn. Wij zijn door de 'Leidsman ten leven' (Hand. 3, 15) vrijgekocht voor de prijs van zijn kostbaar bloed Vgl. 1 Kor. 6, 20 Vgl. 1 Kor. 7, 23 Vgl. 1 Petr. 1, 19 en door de doop deel van Hem geworden Vgl. Rom. 6, 4-5 Vgl. Kol. 2, 12 , zoals takken die uit de ene stam levenssap en vruchtbaarheid halen Vgl. Joh. 15, 5 . Innerlijk vernieuwd door de genade van de Geest, 'die Heer is en het leven geeft', zijn wij geworden tot een volk voor het leven en worden wij uitgenodigd om ons ook zo te gedragen.

Wij worden gezonden: in dienst van het leven te staan is voor ons geen grootspraak maar een plicht die ontstaat uit het besef 'een volk' te zijn 'dat het bijzondere eigendom van God werd, opdat het zijn grote daden verkondigt' (1 Petr. 2, 9). Op onze weg leidt ons en draagt ons de wet van de liefde: het is de liefde welker bron en voorbeeld de mensgeworden Zoon van God is, die 'door zijn dood aan de wereld het leven heeft geschonken' Vgl. Romeins missaal, Gebed van de celebrant voor de communie..

Wij worden als volk gezonden. De plicht van dienst aan het leven rust op allen en op ieder afzonderlijk. Het gaat om een echt 'kerkelijke' verantwoordelijkheid die vraagt om het op elkaar afgestemde, grootmoedige handelen van alle leden en alle groeperingen van de christelijke gemeenschap. De gemeenschappelijke opgave heft echter de verantwoordelijkheid van iedere mens niet op, en maakt die ook niet minder. Aan hem is het gebod van de Heer gericht om voor iedere mens 'tot naaste te worden': 'Ga en doe evenzo!' (Lc. 10, 37).

Wij voelen allen samen de plicht om het Evangelie van het leven te verkondigen, het in de liturgie en in ons hele bestaan te vieren, het te dienen met verschillende initiatieven en structuren die ten doel hebben het te steunen en te bevorderen.

'Wat van het begin af bestond, wat wij gehoord hebben, wat wij met onze ogen gezien hebben, wat wij aanschouwd hebben en wat onze handen hebben aangeraakt, het Woord des levens(...) dat verkondigen wij ook u, opdat ook u gemeenschap met ons hebt' (1 Joh. 1, 1.3). Jezus is het enige Evangelie: wij hebben niets anders te zeggen en te getuigen.

De verkondiging van Jezus is de verkondiging van het leven. Want Hij is 'het Woord des levens' (1 Joh. 1, 1). In Hem 'werd het leven zichtbaar gemaakt' (1 Joh. 1, 2); ja, Hij is zelf 'het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard werd' (1 Joh. 1, 2). Dankzij de gave van de Geest werd dit leven aan de mens meegedeeld. Wanneer het op het leven in zijn volheid is gericht, op het 'eeuwige leven', dan krijgt ook het aardse leven zijn volle betekenis.

Verlicht door dit Evangelie van het leven, voelen wij de behoefte om het te verkondigen en om er getuigenis van af te leggen in al zijn wonderlijke nieuwheid die het kenmerkt: aangezien het één is met Jezus zelf, die alles nieuw maakt Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. 'Omnem novitatem attulit, semetipsum afferens, qui fuerat annuntiatus', IV,34 1: SCh 100/2, 846-847. en het "oude" dat van de zonde komt en tot de dood leidt Vgl. H. Thomas van Aquino, In Psalmos Davidis Lectura. 'Peccator inveterascit, recedens a novitate Christi'; 6, 5., verslaat, overstijgt dit Evangelie elke menselijke verwachting en openbaart het de verheven hoogte waartoe de waardigheid van de menselijke persoon verheven wordt door de genade. De heilige Gregorius van Nyssa verstaat dit aldus:

De mens is als wezen van geen belang; hij is stof, gras, ijdelheid. Maar zo gauw hij door de God van het heelal is aangenomen als kind, wordt hij deel van de familie van dat Wezen, waarvan de uitnemendheid en de grootheid niemand kan zien, horen of begrijpen. Welke woorden, gedachten of geestesvlucht kan de overvloed van deze genade prijzen? De mens overstijgt zijn natuur: van sterfelijk wordt hij onsterfelijk; van vergankelijk wordt hij onvergankelijk; van voorbijgaand wordt hij eeuwig; van menselijke wordt hij goddelijk’ H. Gregorius van Nyssa, Over de Zaligsprekingen, De Beatitudinibus. Oratio VII: PG 44, 1280..

Dankbaarheid en vreugde om de onvergelijkelijke waardigheid van de mens spoort ons aan om deze boodschap te delen met iedereen: 'Wat we hebben gezien en gehoord, verkondigen wij ook aan u, opdat ook u gemeenschap hebt met ons' (1 Joh. 1, 3). We moeten het Evangelie van het leven naar het hart van iedere man en vrouw brengen en het doen binnendringen in elke hoek van de samenleving.

Het gaat erom allereerst het hart van dit Evangelie te verkondigen. Dat betekent de verkondiging van een levende en nabije God, die ons roept tot een diepe verbondenheid met Hem en ons opent voor de zekere hoop op het eeuwige leven; het betekent de bevestiging van de onscheidbare samenhang die tussen de menselijke persoon, zijn leven en zijn lichamelijkheid bestaat; het betekent de presentatie van het menselijk leven als een leven van betrekking, als Godsgeschenk, als vrucht en teken van zijn liefde; het betekent de verkondiging van de buitengewone betrekking van Jezus met iedere mens, die het mogelijk maakt in ieder menselijk gezicht het gezicht van Christus te herkennen; het betekent de oproep van de 'oprechte zelfgave' als opgave en plaats van de volledige verwerkelijking van de eigen vrijheid.

Tegelijkertijd gaat het erom alle consequenties te laten zien die voortkomen uit dit Evangelie, en die men als volgt kan samenvatten: het menselijk leven, een waardevolle gave Gods, is heilig en onaantastbaar en daarom zijn speciaal abortus provocatus en euthanasie absoluut onaanvaardbaar; het leven van de mens mag niet alleen niet gedood worden, maar het moet met alle liefdevolle aandacht beschermd worden; het leven vindt zijn betekenis in de ontvangen en de geschonken liefde: in dit licht ontvangen de seksualiteit en de menselijke voortplanting hun volle waarheid; in deze liefde hebben ook het lijden en de dood een betekenis, en kunnen, ofschoon het geheim dat hen omgeeft, voort bestaat, tot heilsgebeurtenissen worden. Eerbied voor het leven vraagt dat de wetenschap en de technologie altijd ten dienste staan van de mens en zijn volledige ontwikkeling. De samenleving als geheel moet de waardigheid van iedere menselijke persoon eerbiedigen, verdedigen en bevorderen, op ieder moment en in iedere omstandigheid van het leven van een persoon.

Om werkelijk een volk in dienst van het leven te zijn, moeten wij vanaf de eerste verkondiging van het Evangelie, en later, in de catechese en in de diverse vormen van verkondiging, in het persoonlijke gesprek en in ieder opvoedingswerk standvastig en moedig deze waarheden aanbieden. De opvoeders, leraren, catecheten en theologen hebben de plicht om de antropologische grondslagen naar voren te brengen waarop het respect voor ieder mensenleven berust. Terwijl wij het oorspronkelijk nieuwe van het Evangelie van het leven tot stralen brengen, zullen wij op deze manier allen kunnen helpen om ook in het licht van het verstand en van de ervaring te ontdekken dat de christelijke boodschap volledig openbaart wat de mens is en wat de betekenis is van het menselijk zijn en van zijn bestaan; wij zullen waardevolle ontmoetings- en gesprekspunten, ook met de niet-gelovigen vinden, daar wij toch allen gezamenlijk verplicht zijn om een nieuwe cultuur van het leven te laten ontstaan.

Terwijl wij omgeven zijn met stemmen die elkaar ten diepste tegenspreken, en velen de gezonde leer over het leven van de mens verwerpen, merken wij dat het verzoek dat Paulus aan Timoteus richt, ook tot ons gericht is: "Verkondig het woord, dring aan, of men het horen wil of niet, wijs terecht, berisp, vermaan in onvermoeibare en geduldige onderrichting" (2 Tim 4, 2). Deze vermaning moet vooral krachtige weerklank vinden in het hart van hen die in de Kerk op verschillende manieren deel hebben aan haar zending als 'lerares' van de waarheid. Zij moet vooral bij ons bisschoppen weerklank vinden: van ons wordt als eersten gevraagd om onvermoeibare verkondigers van het Evangelie van het leven te zijn. Aan ons is ook de opgave toevertrouwd om over de betrouwbare en getrouwe weergave van de in deze encycliek opnieuw uiteengezette leer te waken en de geschiktste maatregelen te treffen opdat de gelovigen beschermd worden tegen iedere leer die deze weerspreekt. Bijzondere aandacht moeten wij eraan schenken dat op de theologische faculteiten, in de priesterseminaries en in de verschillende katholieke instellingen, de kennis van de gezonde leer verbreid, verklaard en verdiept wordt. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over kerkelijke moraalleer, Veritatis Splendor (6 aug 1993), 116 Moge de vermaning van Paulus door alle theologen, door de zielzorgers en door alle anderen gehoord worden, die taken hebben in de verkondiging, de catechese en de gewetensvorming: mogen zij in het besef van de hun toebedeelde rol nooit de zwaarwegende verantwoordelijkheid op zich nemen, dat zij de waarheid en hun eigen opdracht verraden doordat ze persoonlijke ideeën uitdragen die in tegenspraak zijn met het Evangelie van het leven zoals het Leergezag dat getrouw voorhoudt en uitlegt.

Bij de verkondiging van dit Evangelie, mogen wij niet bang zijn voor vijandigheid en impopulariteit, wanneer wij ieder compromis en iedere tweeduidigheid afwijzen die ons gelijk zou maken aan de denkwijze van deze wereld. Vgl. Rom. 12, 2 Wij moeten in de wereld maar niet van de wereld zijn Vgl. Joh. 15, 19 Vgl. Joh. 17, 16 , met de kracht die tot ons komt van Christus, die door zijn dood en verrijzenis de wereld overwonnen heeft. Vgl. Joh. 16, 33

Omdat wij als 'volk voor het leven' in de wereld gezonden zijn, moet onze verkondiging ook tot een echte viering van het Evangelie van het leven worden. Deze viering moet door de suggestieve kracht van haar gebaren, symbolen en riten tot een waardevolle en betekenisvolle plaats voor het doorgeven van de schoonheid en de grootsheid van dit Evangelie worden.

Daartoe is het vóór alles dringend noodzakelijk in onszelf en in de anderen een beschouwende visie te bevorderen Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Centesimus Annus (1 mei 1991), 37. Deze ontstaat uit het geloof in de God van het leven, die ieder individu heeft geschapen als een wonder Vgl. Ps. 139, 14 . Het is de visie van hem die het leven in zijn diepte ziet, doordat hij er de dimensies van belangeloosheid, schoonheid, uitdaging tot vrijheid en verantwoordelijkheid van begrijpt. Het is de visie van hem, die zich niet aanmatigt om beslag te leggen op de werkelijkheid, maar die haar aanneemt als een geschenk en daarbij in ieder ding de afstraling van de Schepper en in iedere mens zijn levend beeld ontdekt Vgl. Gen. 1, 27 Vgl. Ps. 8, 6 . Deze visie wijkt niet voor ontmoediging bij het zien van hen die zich in ziekte, in lijden of aan de rand van de samenleving en op de drempel van de dood bevinden; maar ze laat zich door al deze situaties uitdagen om te zoeken naar een betekenis en begint juist onder deze omstandigheden op het aanschijn van iedere mens een oproep tot ontmoeting, tot gesprek en tot solidariteit te ontdekken.

Het is tijd voor ieder van ons om deze visie over te nemen en met diep godsdienstig ontzag de mogelijkheid te herontdekken om iedere persoon te eerbiedigen en te eren, zoals Paulus VI ons uitnodigde te doen in een van zijn eerste kerstboodschappen Vgl. H. Paus Paulus VI, Radiotoespraak, Kerst 1967, Radioboodschap aan het episcopaat, de clerus en de overige gelovigen (23 dec 1967). Bezield door deze beschouwende visie moet het nieuwe volk van de verlosten wel antwoorden met hymnen van vreugde, lof en dank voor de onschatbare gave van het leven, voor het mysterie van de roeping van iedere mens om in Christus deel te hebben aan het genadeleven en aan een bestaan van oneindige gemeenschap met God de Schepper en Vader.

Het Evangelie van het leven vieren betekent de God van het leven vieren, de God die het leven geeft: 'We moeten het eeuwige Leven vieren, waaruit ieder ander leven voortkomt. Hiervan ontvangt ieder wezen dat op een of andere manier deel heeft aan het leven, het leven, in verhouding met zijn mogelijkheden. Dit goddelijk Leven, dat boven ieder ander leven uitgaat, geeft en bewaart het leven. Ieder leven en iedere levensbeweging komen voort uit dit Leven dat alle leven en ieder levensbeginsel overstijgt. Hieraan danken de zielen hun onbederfelijkheid en hierdoor leven alle dieren en planten, die slechts de zwakste echo van het leven ontvangen. Aan de mensen, wezens die gemaakt zijn van geest en stof, schenkt het Leven het leven. Als we het Leven dan verlaten moeten, dan verandert het ons vanwege zijn overvloedige liefde voor de mens en roept het ons naar zich terug. Niet alleen dat: het belooft ons, om ons, zielen en lichamen, in het volmaakte leven, in de onsterfelijkheid binnen te leiden. Het is te weinig wanneer men zegt dat dit Leven levend is. Het is het Levensbeginsel, de Oorzaak en enige Levensbron. Elk levend wezen moet het beschouwen en prijzen: het is het Leven dat in het leven overstroomt' Pseudo Dionysius de Areopagiet, Over de goddelijke namen, De divinis nominibus.

Ook wij prijzen en zegenen, zoals de Psalmist, in ons dagelijks gebed, als enkelingen en als gemeenschap, God onze Vader, die ons vormde in de moederschoot en die ons zag en beminde toen we nog vormloos waren Vgl. Ps. 139, 13.15-16 , en met overweldigende vreugde roepen wij uit: 'Ik prijs U, dat U mij zo wonderbaar gevormd hebt; wonderlijk zijn uw werken, Gij kent mij door en door' (Ps. 139, 14). Inderdaad, 'dit sterfelijke leven is ondanks zijn problemen, zijn donkere geheimen, zijn lijden en zijn onafwendbare broosheid een zeer schone zaak, een steeds oorspronkelijk en aangrijpend wonder, een gebeurtenis die het waard is met vreugde en lofprijzing bezongen te worden' Paus Paulus VI, Gedachte over de dood, Instituut Paulus VI, Brescia 1988, p. 24.. Meer nog, de mens en zijn leven verschijnen ons niet alleen als een van de grootste wonderwerken van de schepping: God heeft aan de mens een bijna goddelijke waardigheid verleend Vgl. Ps. 8, 6-7 . In ieder kind dat geboren wordt en in iedere mens die leeft of sterft, herkennen wij het beeld van de heerlijkheid van God: deze heerlijkheid vieren wij in iedere mens, het teken van de levende God, en icoon van Jezus Christus.

Wij worden opgeroepen om onze verbazing en dankbaarheid over het als geschenk ontvangen leven uit te drukken en om het Evangelie van het leven niet alleen in het persoonlijke en het gemeenschappelijke gebed, maar vooral in de vieringen van het liturgisch jaar aan te nemen, te genieten en mee te delen. Hier moet speciaal herinnerd worden aan de Sacramenten als werkzame tekens voor de aanwezigheid en de reddende werking van de Heer Jezus in het christelijk bestaan: ze maken de mensen tot deelhebbers aan het goddelijk leven, doordat zij hen verzekeren van de nodige geestelijke kracht, om het leven, het lijden en de dood te ervaren in hun volle betekenis. Dankzij een echte herontdekking en een betere waardering van de betekenis van deze riten zullen onze liturgische vieringen, vooral de vieringen van de sacramenten, steeds beter in staat zijn om de volle waarheid over geboorte, leven, lijden en dood tot uitdrukking te brengen en ons helpen om deze momenten te beleven als een deelname in het paasmysterie van de gekruisigde en verrezen Christus.

Bij de viering van het Evangelie van het leven moeten wij ook de rijkdom van gebaren en symbolen waarderen en goed gebruiken, die aanwezig zijn in de tradities en gewoonten van verschillende culturen en volken. Er zijn speciale momenten en manieren waarop de volken van verschillende naties en culturen de vreugde over een pasgeboren leven uitdrukken, alsook respect voor en bescherming van individuele mensenlevens, zorg voor de lijdenden of behoeftigen, nabijheid met de ouderen en de stervenden, deelname aan het verdriet van hen die rouwen en hoop op en verlangen naar de onsterfelijkheid.

In dit perspectief neem ik ook de door de kardinalen in het consistorium van 1991 gedane suggestie over en stel ik voor dat men in de verschillende landen ieder jaar een Dag voor het Leven viert, zoals reeds op initiatief van enkele bisschoppenconferenties gebeurt. Deze Dag moet met de actieve deelname van alle leden van de plaatselijke Kerk voorbereid en gevierd worden. Het eigenlijke doel ervan is in de gewetens, in de gezinnen, in de Kerk en in de burgerlijke maatschappij erkenning te wekken voor de betekenis en waarde die het menselijk leven op ieder moment en onder iedere omstandigheid heeft; in het centrum van de aandacht moet daarbij vooral het zwaarwegende probleem van abortus en euthanasie gezet worden, zonder echter de andere momenten en aspecten van het leven over het hoofd te zien, die al naar de gelegenheid en de omstandigheden dat vragen, het van tijd tot tijd verdienen om aandachtig beschouwd te worden.

Als een deel van de geestelijke cultus die God welgevallig is Vgl. Rom. 12, 1 , moet het Evangelie van het leven bovenal gevierd worden in het dagelijks bestaan, dat gevuld moet zijn met zelfgave en liefde voor de ander. Op deze wijze zullen onze levens een echte en verantwoordelijke aanvaarding worden van de gave van het leven en een oprechte lied van lof en dank aan God die ons deze gave heeft geschonken. Dit gebeurt al in de vele verschillende gebaren van zelfgave, vaak nederig en verborgen, uitgevoerd door mannen en vrouwen, kinderen en volwassenen, jongeren en ouderen, gezonden en zieken.

In dit kader, dat rijk is aan menselijkheid en liefde, ontstaan ook de heldhaftige daden. Zij vormen de plechtigste verheerlijking van het Evangelie van het leven, want zij verkondigen het door de totale zelfgave; zij zijn de schitterende manifestatie van de hoogste graad van liefde, welke is: zijn leven te geven voor de beminde Vgl. Joh. 15, 13 ; zij zijn een deelname in het mysterie van het Kruis, waarop Jezus de waarde van iedere persoon openbaart en laat zien hoe het leven zijn volheid bereikt in de oprechte zelfgave. Naast deze opzienbarende daden is er de heldhaftigheid van alledag, die bestaat uit kleine en grote gebaren van delen, die een echte cultuur van het leven bevorderen. Onder deze gebaren verdient de in ethisch aanvaardbare vormen uitgevoerde orgaandonatie bijzondere waardering, om zieken die tot dan toe van iedere hoop beroofd zijn, de mogelijkheid van gezondheid of zelfs van het leven aan te bieden.

Tot deze heldhaftigheid van alledag hoort het stille maar des te vruchtbaarder en welsprekender getuigenis van "alle moedige moeders, die zich zonder voorbehoud wijden aan hun gezin, die onder pijnen hun kinderen ter wereld brengen en dan bereid zijn alle moeite en ieder offer op zich te nemen om hun het beste door te geven wat zij in zich dragen". H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Zaligverklaring van Isidoor Bakanja, Elisabeth Canori Mora en Gianna Beretta Molla (24 apr 1994) Wanneer zij hun zending beleven "vinden deze heldhaftige moeders daarbij in hun omgeving niet altijd ondersteuning. Ja, de voorbeelden van de beschaving, zoals zij dikwijls door de massamedia voorgesteld en verbreid worden, moedigen het moederschap niet aan. In naam van de vooruitgang en van het moderne leven, worden de waarden van trouw, kuisheid en offer tegenwoordig als achterhaald gepresenteerd, en toch hebben hele menigten christelijke echtgenotes en moeders zich in deze waarden onderscheiden en doen dat ook vandaag (...) Wij danken u, heldhaftige moeders, voor uw onoverwinnelijke liefde! Wij danken u voor uw onverschrokken vertrouwen op God en op zijn liefde. Wij danken u voor het offer van uw leven(...) In het Paasmysterie geeft Christus u het geschenk terug dat u Hem hebt gegeven. Want Hij heeft de macht u het leven terug te geven dat u Hem als offer hebt aangeboden" . H. Paus Johannes Paulus II, Homilie, Zaligverklaring van Isidoor Bakanja, Elisabeth Canori Mora en Gianna Beretta Molla (24 apr 1994)

Krachtens onze deelname aan Christus' koninklijke zending moeten de ondersteuning en de bevordering van het menselijk leven verwerkelijkt worden door de dienst van de naastenliefde, die in het persoonlijke getuigenis, in de verschillende vormen van vrijwillige inzet, in het sociale handelen en in het politieke engagement tot uitdrukking komt. Dat is op dit moment een bijzonder dringende eis, omdat de 'cultuur van de dood' zich met zoveel macht tegen de 'cultuur van het leven' keert en vaak de overhand schijnt te hebben. Daarvoor ligt echter nog een uitdaging die voorkomt uit het 'geloof dat in de liefde werkzaam is' (Gal. 5, 6), zoals ons de Jacobusbrief vermaant: 'Mijn broeders, wat voor nut heeft het, wanneer iemand zegt, dat hij het geloof heeft, maar de werken hem ontbreken? Kan soms het geloof hem redden? Wanneer een broeder of een zuster zonder kleding is en zonder het dagelijkse brood en één van u tot hen zegt: 'Gaat in vrede, warmt en verzadigt u!', maar u geeft hen niet wat zij nodig hebben, wat voor nut heeft dat? Zo is ook het geloof op zichzelf, wanneer het geen werken kan laten zien, dood' (Jak. 2, 14-17).

Bij de dienst van de naastenliefde moet een houding ons bezielen en kenmerken: wij moeten voor de ander zorgen als voor een persoon voor wie God ons verantwoordelijk heeft gemaakt. Als leerlingen van Jezus worden wij geroepen ons tot naasten van iedere mens te maken Vgl. Lc. 10, 29-37 , en daarbij een bijzondere voorkeur te hebben voor hen die het armste zijn, het meest alleen en het meest behoeftig. Doordat wij hem die honger heeft, dorst heeft, de vreemdeling, de naakte, de zieke, de gevangene - zoals ook het ongeboren kind, de oude mens in zijn lijden of onmiddellijk voor zijn dood - helpen, mogen wij Jezus dienen zoals Hij zelf gezegd heeft: 'Wat ge voor een van mijn geringste broeders gedaan hebt, dat hebt ge voor Mij gedaan' (Mt. 25, 40). Daarom moeten wij ons aangesproken voelen en beoordeeld door het altijd nog actuele woord van de heilige Johannes Chrysostomus: 'Wil je eer bewijzen aan het lichaam van Christus? Ga er niet aan voorbij wanneer het naakt is. Eer het niet hier in de tempel met zijden stoffen, om het dan buiten, waar het lijdt onder koude en naaktheid, te negeren' H. Johannes Chrysostomos, Preek over het Evangelie volgens Mattheüs, In Matthaeum Homilia. L, 3: PG 58, 508..

Als het om het leven gaat, moet de dienst van de naastenliefde ten diepste eenstemmig zijn: ze kan geen eenzijdigheden en discriminatie dulden, want het menselijk leven is heilig en onaantastbaar in ieder stadium en in iedere situatie; het is een ondeelbaar goed. We moeten dus 'zorg tonen' voor het hele leven en voor het leven van iedereen. Ja, het gaat nog dieper: we moeten tot de eigenlijke wortels van het leven en de liefde gaan.

Het is de diepe liefde voor iedere man en vrouw die in de loop van de eeuwen een buitengewone geschiedenis van naastenliefde heeft ontwikkeld, een geschiedenis die in de Kerk en in de samenleving vele vormen van dienst aan het leven tot stand heeft gebracht, die de bewondering opwekken van alle onbevooroordeelde waarnemers. Elke christelijke gemeenschap met een hernieuwd besef van verantwoordelijkheid moet deze geschiedenis blijven schrijven door allerlei soorten pastorale en sociale activiteit. Met dit doel moeten voldoende, doelmatige vormen van begeleiding van het wordende leven in praktijk gebracht worden, waarbij het erom gaat die moeders in het bijzonder nabij te zijn, die ook zonder de ondersteuning door de vader niet aarzelen hun kind ter wereld te brengen en op te voeden. Soortgelijke zorg moet gegeven worden aan het leven van de gemarginaliseerden of de lijdenden, vooral in zijn laatste stadia.

Document

Naam: EVANGELIUM VITAE
Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1995
Copyrights: © 1995 Katholiek Nieuwsblad, Den Bosch
Bewerkt: 7 december 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam