• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

H. GREGORIUS VAN NAZIANZE (2) - ZIJN ONDERRICHT
(47e catechese in deze reeks)

Beste broeders en zusters

in het verloop van de schetsen van de grote Vaders en Leraren van de Kerk die ik in deze catechesen probeer te bieden, heb ik de Paus Benedictus XVI - Audiëntie
H. Gregorius van Nazianze (1)
(46e catechese in deze reeks)
(8 augustus 2007)
over Gregorius van Nazianze gesproken, bisschop van de IV-de eeuw en ik zou deze schets van een groot Meester vandaag nog willen vervolledigen. Vandaag zullen we proberen enige elementen bijeen te plaatsen van wat hij leerde.

Nadenkend over de zending die God hem had toevertrouwd, trok Gregorius van Nazianze deze conclusie: "Ik ben geschapen om tot God op te klimmen in mijn actie " H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 14, 6 de pauperum Amore: PG 35, 865. Inderdaad plaatste hij zijn talent als schrijver en spreker in dienst van God en van de Kerk. Hij schreef talrijke voordrachten, allerlei preken en lofreden, vele brieven en dichtwerken (zo'n 18.000 verzen!): voorwaar een wonderbaarlijke activiteit! Hij had begrepen dat dit de zending was die God hem had toevertrouwd:

"Als dienaar van het Woord, ben ik helemaal gewijd aan de bediening van het Woord; dat ik er nooit mee instem dit goed te verwaarlozen. Deze roeping waardeer ik en doe ik graag, ik ontleen er meer vreugde aan dan aan alle andere dingen samen" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 6, 5; SC 405, 134 Vgl. H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 4, 10.

De Nazianzener was een zachtmoedig man en in zijn leven zocht hij steeds de vrede te bewerken in de Kerk van zijn tijd, verscheurd door tweedrachten en ketterijen. Met evangelische moed spanden hij zich in de eigen timiditeit te overwinnen om de waarheid van het geloof te verkondigen. Hij voelde heel diep het verlangen om tot God te naderen, zich met Hem te verenigen. Dat drukt hij zelf uit in een van zijn gedichten, waar hij schrijft:

temidden van
"de grote golven van de levenszee,
van her en der door hevige winden bewogen,
...
is slechts één ding mij dierbaar, mijn enige rijkdom,
troost en vergetelheid van al mijn vermoeienissen:
het licht van de Heilige Drie-eenheid" H. Gregorius van Nazianze, Carmina (historica) Liber II, De vita sua. 2, 1, 15: PG 37, 1250 vv..

Gregorius laat het licht schitteren van de Drie-eenheid door het geloof te verdedigen dat op het Concilie van Nicea is afgekondigd: één enkele God in drie gelijke en onderscheiden Personen - Vader, Zoon en Heilige Geest ,

"drievoudig licht dat in één enkele
schittering zich verenigt" H. Gregorius van Nazianze, Carmina (historica) Liber II, De vita sua. Inno vespertino: 2, 1, 32: PG 37, 512.

Daarom, zo zegt nog steeds Gregorius in het voetspoor van de heilige Paulus (1 Kor. 8, 6),

"voor ons is er één God, de Vader, uit wie alles is; één Heer, Jezus Christus, van wie alles is; en één Heilige Geest, in wie alles is" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 39, 12: SC 358, 172.

Gregorius heeft grote nadruk gelegd op de volledige menselijkheid van Christus: om de mens te verlossen in zijn totaliteit van lichaam, ziel en geest, heeft Christus alle bestanddelen van de menselijke natuur aangenomen, anders zou de mens niet gered zijn. Tegen de ketterij van Apollinaris in, die hield dat Jezus Christus niet een redelijke ziel had aangenomen, pakt Gregorius het vraagstuk aan in het licht van het heilsmysterie:

"Wat niet is aangenomen, is niet genezen" H. Gregorius van Nazianze, Brieven, Epistolae. 101, 32: SC 208, 50,

en als Christus niet zou zijn

"begiftigd met een redelijk intellect, hoe zou Hij dan mens hebben kunnen zijn?" H. Gregorius van Nazianze, Brieven, Epistolae. 101, 34: SC 208, 50.

Het was juist ons intellect, onze reden die nood had aan de relatie, de ontmoeting met God in Christus. Door mens te worden, heeft Christus ons de mogelijkheid gegeven om op onze beurt te worden zoals Hij. De Nazianzener spoort aan:

"Laten we trachten te zijn als Christus, want ook Christus is geworden zoals wij: goden te worden door middel van Hem, aangezien Hij zelf, door middel van ons mens is geworden. Het ergste nam Hij op zich om ons het beste te schenken" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 1, 5: SC 247, 78.

Maria, die aan Christus de menselijke natuur heeft gegeven, is ware Moeder van God (Theotókos) Vgl. H. Gregorius van Nazianze, Brieven, Epistolae. 101, 16: SC 208, 42, en met het oog op haar allerhoogste zending is zij "van te voren gezuiverd" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. Oratio 38, 13: SC 358, 132, als het ware vanuit de verte een prelude op het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Maria wordt aan alle christenen als voorbeeld voorgehouden, vooral aan de maagden, en als helpster die is aan te roepen in nood Vgl. H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 24, 11: SC 282, 60-64.

Gregorius herinnert er ons aan dat wij als mensen solidair moeten zijn met elkaar. Hij schrijft:

"'Wij zijn allen in Christus één geheel' Vgl. Rom. 12, 5 , rijken en armen, slaven en vrijen, gezonden en zieken; en enig is het Hoofd van wie alles is afgeleid: Jezus Christus. En zoals de leden van een enkel lichaam doen, zo bekommert iedereen zich om iedereen en allen om allen".

Vervolgens, sprekend over de zieken en degenen die het moeilijk hebben:

"Dit is het enige heil voor ons vlees en onze ziel: de naastenliefde jegens hen" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 14, 8 de pauperum amore: PG 35, 868ab.

Gregorius onderstreept dat de mens de goedheid en liefde van God moet navolgen, en beveelt daarom aan:

"Als je gezond en rijk bent, verlicht dan de nood van wie ziek en arm is; als je niet gevallen bent, snel dan te hulp wie gevallen is en in lijden leeft; als je blij bent, troost dan wie bedroefd is; als het geluk je toelacht, help dan wie overspoeld wordt door het ongeluk. Geef aan God een bewijs van erkentelijkheid, want je behoort tot hen die kunnen weldoen en niet tot hen die het nodig hebben dat hun weldadigheid bewezen wordt... Wees rijk, niet alleen aan goederen, maar ook aan vroomheid; niet alleen aan goud maar aan deugd, of beter, alleen daaraan. Overwin de honger van je naaste door je beter te tonen dan allen: maak je zelf tot God voor de ongelukkige, door de barmhartigheid van God na te volgen" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 14,26 de pauperum amore: PG 35,892bc.

Gregorius leert ons vóór alles het belang en de noodzaak van het gebed. Hij stelt dat het "noodzakelijk is zich vaker God te herinneren dan dat men ademhaalt" H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 27, 4: PG 250, 78, omdat het gebed de ontmoeting is van de dorst van God met onze dorst. God dorst ernaar dat wij naar Hem dorsten Vgl. H. Gregorius van Nazianze, Orationes theologicae. 40, 27: SC 358, 260. In het gebed moeten wij ons hart naar God wenden, om onszelf aan Hem toe te vertrouwen als offergave die gezuiverd en omgevormd moet worden. In het gebed zien we alles in het licht van Christus, laten we onze maskers vallen en gaan we op in de waarheid en in het luisteren naar God, het vuur van de liefde voedend.

In een gedicht dat tegelijkertijd meditatie is over het leven en impliciete aanroeping van God, schrijft Gregorius:

"Je hebt een opdracht, mijn ziel,
een grote opdracht, als je wilt.
Onderzoek jezelf serieus,
je wezen, je bestemming;
vanwaar je komt en waar je zult neerstrijken;
tracht te weten te komen of het wel leven is wat je leeft
of dat er nog iets méér is.
Je hebt een opdracht, mijn ziel,
zuiver daarom je leven:
beschouw alsjeblieft God en zijn geheimen,
zoek na wat er vóór dit heelal was
en wat het voor jou is,
vanwaar het is gekomen, en wat zijn bestemming zal zijn.
Ziedaar je taak, mijn ziel,
zuiver, daarom, je leven" H. Gregorius van Nazianze, Carmina (historica) Liber I. 2, 1, 78: PG 37, 1425-1426.

Voortdurend vraagt de heilige Bisschop hulp aan Christus, om weer overeind geholpen te worden en de weg te kunnen hervatten:

"Ik ben misleid, o Christus,
doordat ik mij teveel aanmatigde:
vanuit de hoogten ben ik heel diep gevallen.
Maar help mij nu weer overeind, want ik zie
dat ik door mijzelf bedrogen ben;
als ik nog eens teveel op mijzelf vertrouw,
zal ik meteen vallen, en de val zal noodlottig zijn" H. Gregorius van Nazianze, Carmina (historica) Liber I. 2, 1, 67: PG 37, 1408.

Gregorius heeft dus de behoefte gevoeld om tot God te naderen teneinde de moeheid van het eigen ik te overwinnen. Hij heeft het streven van de ziel ervaren, de levendigheid van een gevoelige geest en de instabiliteit van het oppervlakkige geluk. In het drama van een leven waarop het bewustzijn drukte van de eigen zwakheid en van de eigen ellende, heeft voor hem de ervaring van de liefde van God steeds de overhand gehad. Je hebt een opdracht, mijn ziel - zegt Gregorius ook tegen ons -, de opdracht om het ware licht te vinden, de ware hoogte van je leven. En je leven bestaat erin God te ontmoeten, die dorst naar onze dorst.

Document

Naam: H. GREGORIUS VAN NAZIANZE (2) - ZIJN ONDERRICHT
(47e catechese in deze reeks)
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 22 augustus 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, nummering en onderverdeling in alinea’s: Past. Chr. v. Buijtenen pr.
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam