• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE WAARDIGHEID VAN DE MENSELIJKE PERSOON ALS GRONDSLAG VOOR RECHTVAARDIGHEID EN VREDE
Tot de 34e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties - New York

Mijnheer de Voorzitter,

Ik wens uiting te geven aan mijn dankbaarheid tegenover de algemene vergadering van de Verenigde Naties, welke ik vandaag mag bijwonen en toespreken. Mijn dankbaarheid gaat in de eerste plaats uit naar de secretaris-generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties, dr. Kurt Waldheim. Kort na mijn verkiezing tot de zetel van de heilige Petrus vorige herfst, nodigde hij mij voor dit bezoek uit, en bij gelegenheid van onze ontmoeting afgelopen mei hernieuwde hij zijn uitnodiging. Vanaf het eerste moment voelde ik mij zeer vereerd en diep verplicht. En vandaag dank ik tegenover deze voortreffelijke vergadering ook u, meneer de voorzitter, die mij zo vriendelijk hebt verwelkomd en uitgenodigd het woord te nemen.

Formele reden van het bezoek
De formele reden voor mijn interventie vandaag is zonder enige twijfel de bijzondere band van samenwerking die tussen de Apostolische Stoel en de Organisatie van de Verenigde Naties bestaat, zoals blijkt uit de aanwezigheid van de permanente waarnemer van de Heilige Stoel bij deze organisatie. Het bestaan van deze band, die door de Heilige Stoel hogelijk op prijs wordt gesteld, berust op de soevereiniteit waarmee de Apostolische Stoel sedert vele eeuwen is begiftigd. De territoriale omvang van deze soevereiniteit is beperkt tot de kleine staat van Vaticaanstad, maar de soevereiniteit zelf is gerechtvaardigd door de noodzaak van het pausdom zijn zending in volledige vrijheid te kunnen uitoefenen en in staat te zijn met iedere gesprekspartner, hetzij een regering of een internationale organisatie, te onderhandelen zonder van andere soevereiniteiten afhankelijk te zijn. Natuurlijk maken de aard en de doelstellingen van de geestelijke zending van de Apostolische Stoel en de kerk hun deelneming aan de taken en activiteiten van de Organisatie van de Verenigde Naties heel anders dan die van de staten welke gemeenschappen in politieke en tijdelijke zin zijn.
Belangstelling van de Apostolische Stoel voor de Organisatie van de Verenigde Naties
Behalve dat hij een groot belang hecht aan zijn samenwerking met de Organisatie van de Verenigde Naties heeft de Apostolische Stoel sinds de oprichting van uw organisatie altijd zijn waardering en instemming te kennen gegeven ten aanzien van de historische betekenis van dit hoogste forum voor het internationaal leven van de huidige mensheid. Hij laat ook nimmer na de functie en de initiatieven van uw organisatie te steunen, welke gericht zijn op het vreedzame naast elkaar bestaan en de samenwerking tussen de naties. Daar zijn vele bewijzen van. In de ruim dertig jaar van het bestaan van de Organisatie van de Verenigde Naties heeft zij veel aandacht gekregen in pauselijke boodschappen en encyclieken, in documenten van het katholieke episcopaat en eveneens op het Tweede Vaticaans Concilie. Paus Johannes XXIII en Paus Paulus VI keken met vertrouwen naar uw belangrijke instelling als een welsprekend en veelbelovend teken van onze tijd. Hij die thans tot u spreekt heeft sinds de eerste maanden van zijn pontificaat meermalen hetzelfde vertrouwen en dezelfde overtuiging tot uitdrukking gebracht als zijn voorgangers.
Dit vertrouwen en deze overtuiging van de kant van de Apostolische Stoel zijn, zoals ik reeds zei, niet het resultaat van louter politieke overwegingen maar van het religieuze en morele karakter van de zending van de rooms-katholieke kerk. Als universele gemeenschap welke gelovigen omvat, die tot bijna alle landen en werelddelen, naties, volken, rassen, talen en culturen behoren, stelt de Kerk groot belang in het bestaan en de activiteit van de organisatie, waarvan de naam alleen al ons zegt dat zij naties en staten verenigt en bijeenbrengt. Zij verenigt en brengt bijeen: zij verdeelt niet en stelt niet tegenover elkaar. Zij zoekt naar wegen voor begrip en vreedzame samenwerking, en probeert met de middelen waarover zij beschikt en de methoden die in haar macht zijn, oorlog, verdeeldheid en wederzijdse vernietiging te voorkomen binnen de grote familie van de huidige mensheid.
Werkelijke reden van het bezoek
Dit is de werkelijke reden, de wezenlijke reden van mijn aanwezigheid in uw midden, en ik wens deze geëerde vergadering te danken dat zij aandacht schenkt aan deze reden, welke mijn aanwezigheid onder u op een bepaalde wijze nuttig kan maken. Het is ongetwijfeld een veel betekend feit, dat vandaag onder de vertegenwoordigers van de staten, wier reden van bestaan de soevereiniteit is van het gezag dat met een grondgebied en volk is verbonden, ook de vertegenwoordiger van de Apostolische Stoel en van de katholieke kerk aanwezig is. Deze kerk is de kerk van Jezus Christus, die voor de rechtbank van de Romeinse rechter Pilatus verklaarde, dat Hij koning was, maar met een koninkrijk dat niet van deze wereld is. Vgl. Joh. 18, 36-37 Toen Hem werd gevraagd wat dan de reden was van het bestaan van zijn koninkrijk onder de mensen, verklaarde Hij: 'Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid' (Joh. 18, 37). Hier, tegenover de vertegenwoordigers van de staten, wens ik u niet alleen te danken maar ook mijn bijzondere gelukwensen aan te bieden, daar de uitnodiging die aan de paus is gedaan om uw vergadering toe te spreken bewijst dat de Organisatie van de Verenigde Naties de religieuze en morele dimensie aanvaardt en respecteert van de menselijke problemen waaraan de kerk aandacht besteedt in het licht van de boodschap van waarheid en liefde die zij verplicht is aan de wereld te brengen. De vraagstukken die tot uw bevoegdheden behoren en die uw aandacht hebben - zoals blijkt uit het uitgebreide organische complex van instellingen en activiteiten die deel uitmaken van of samenwerken met de Verenigde Naties, vooral op het gebied van cultuur, gezondheid, voeding, werkgelegenheid en het vreedzaam gebruik van kernenergie - maken het voor ons ongetwijfeld van wezenlijk belang samen te komen in naam van de mens in zijn volledigheid, in al de volheid en veelvoudige rijkdom van zijn geestelijk en materieel bestaan, zoals ik heb verklaard in mijn encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Redemptor Hominis
De Verlosser van de mensen
(4 maart 1979)
, de eerste van mijn pontificaat.
Bestaansreden voor elke politiek is de dienstbaarheid aan de mens
Gebruikmakend van de plechtige gelegenheid van mijn ontmoeting met de vertegenwoordigers van de naties van de aarde, wens ik thans vooral mijn groeten te zenden aan alle mannen en vrouwen die op onze planeet leven. Aan elke man en elke vrouw, zonder ook maar een uitzondering. Ieder menselijk wezen dat op aarde leeft is lid van een burgerlijke samenleving, van een natie, waarvan vele hier zijn vertegenwoordigd. Ieder van u, geachte dames en heren, vertegenwoordigt een afzonderlijke staat, stelsel en politieke structuur, maar wat u bovenal vertegenwoordigt, dat zijn individuele menselijke wezens; u bent allen vertegenwoordigers van mannen en vrouwen. van praktisch alle volkeren van de wereld; individuele mannen en vrouwen, gemeenschappen en volkeren die de huidige fase van hun eigen geschiedenis beleven en die ook deel uitmaken van de geschiedenis van de mensheid als geheel; ieder van hen is een subject dat als menselijk persoon, begiftigd is met waardigheid, met zijn of haar eigen cultuur, ervaringen en verlangens, spanningen en leed, en rechtmatige verwachtingen. Deze betrekking verschaft de reden tot alle politieke activiteiten, zowel nationaal als internationaal, want in laatste instantie gaat deze activiteit van de mens uit, wordt beoefend door de mens en voor de mens. En wanneer een politieke activiteit van deze fundamentele betrekking wordt afgesneden, wanneer zij op een of andere wijze haar eigen doel wordt, verliest zij veel van haar reden van bestaan. Sterker nog, hieruit kan ook een bepaalde vervreemding voortkomen; zij kan de mens vreemd worden; zij kan in strijd raken met de mensheid zelf. Wat in werkelijkheid het bestaan van enige politieke activiteit rechtvaardigt is dienstbaarheid aan de mens, betrokken en verantwoorde aandacht voor de wezenlijke problemen en verplichtingen van zijn aards bestaan in zijn sociale dimensie en betekenis, waarvan ook het welzijn van iedere persoon afhangt.
Ik verzoek u, dames en heren, mij te verontschuldigen dat ik over zaken spreek die voor u ongetwijfeld vanzelfsprekend zijn. Maar het lijkt niet zinloos erover te spreken, omdat het meest voorkomende struikelblok voor de menselijke activiteiten in de mogelijkheid ligt dat men bij het verrichten ervan de duidelijkste waarheden en de meest fundamentele beginselen uit het oog verliest.

Ik zou de wens willen uitspreken dat de Organisatie van de Verenigde Naties, met het oog op haar universeel karakter, nooit zal ophouden het forum te zijn, het verheven podium waardoor alle problemen van de mens in waarheid en rechtvaardigheid worden beoordeeld. In naam van deze inspiratie, door deze historische stimulans, werd op 26 juni 1945 tegen het einde van de verschrikkelijke Tweede Wereldoorlog, het Verenigde Naties
Handvest van de Verenigde Naties (10 januari 1946)
ondertekend en op 24 oktober daaropvolgend begon uw organisatie haar bestaan. Spoedig daarna, op 10 december 1948, kwam haar fundamentele document, de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
, de rechten van het menselijk wezen als concreet individu en het menselijk wezen in zijn universele waarde. Dit document is een mijlpaal op de lange en moeizame weg van het menselijk ras. De vooruitgang van de mensheid mag niet alleen gemeten worden aan de vooruitgang van de wetenschap en technologie, welke het unieke van de mens ten opzichte van de natuur aantoont, maar ook en hoofdzakelijk aan de eerste plaats die wordt toegekend aan geestelijke waarden en aan de vooruitgang van het morele leven. Op dit gebied manifesteert zich de volledige heerschappij van het verstand, door de waarheid, over het gedrag van het individu en de samenleving, en ook de zeggenschap van het verstand over de natuur; en aldus zegeviert het menselijk geweten op waardige wijze, zoals tot uitdrukking wordt gebracht in het oude gezegde: 'Genus humanum arte et ratio ne vivit'.

Juist toen de technologie in een eenzijdige ontwikkeling werd gericht op doelstellingen van oorlog, overheersing en verovering, zodat mensen elkaar konden doden en naties elkaar vernietigen door hen de vrijheid en het recht op bestaan te ontnemen - en ik heb nog steeds het beeld van de Tweede Wereldoorlog in Europa voor mijn geest, welke veertig jaar geleden op 1 september 1939 begon met de inval in Polen en eindigde op 9 mei 1945 - ontstond de Organisatie van de Verenigde Naties. En drie jaar later verscheen het document dat, zoals ik reeds zei, als een wezenlijke mijlpaal op de weg van de morele vooruitgang van de mensheid moet worden beschouwd - de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
. De regeringen en staten van de wereld hebben begrepen dat zij, om elkaar niet aan te vallen en te vernietigen, één moeten worden. De echte weg, de fundamentele weg daarheen loopt via elk menselijk wezen, via de bepaling en de erkenning van en het respect voor de onvervreemdbare rechten van de individuen en van de gemeenschappen van de volkeren.

Niets rechtvaardigt onderdrukking, vervolging en marteling
Vandaag, veertig jaar na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, wil ik het geheel aan ervaringen voor de geest roepen, dat werd doorgemaakt door individuen en naties van een generatie welke grotendeels nog in leven is. Niet lang geleden had ik de gelegenheid opnieuw over enkele van deze ervaringen na te denken in een van die plaatsen die het meest benauwen en overlopen van verachting voor de mens en zijn fundamentele rechten - het vernietigingskamp Oswiecim (Auschwitz), dat ik tijdens mijn pelgrimstocht naar Polen in H. Paus Johannes Paulus II - Homilie
Overwinning van het geloof en de liefde op de haat
Tijdens de Eucharistie in het concentratiekamp van Birkenau
(7 juni 1979)
. Deze beruchte plaats is helaas slechts één van de vele die over het Europese continent zijn verspreid. Maar ook de herinnering aan één ervan moet een waarschuwend teken zijn op de weg van de huidige mensheid opdat voor eens en voor altijd ieder soort concentratiekamp overal op aarde af te schaffen. En alles wat herinnert aan die verschrikkelijke ervaringen zou eveneens voor altijd uit het leven van de volkeren en staten moeten verdwijnen, alles wat onder verschillende vormen een voortzetting vormt van die ervaringen, namelijk de verschillende vormen van foltering en onderdrukking, zowel lichamelijk als moreel, die onder welk stelsel en in welk land dan ook worden toegepast; dit verschijnsel wordt des te benauwender wanneer het zich voordoet onder het voorwendsel van binnenlandse 'veiligheid' of de noodzaak een schijnbare vrede in stand te houden.
U zult mij wel willen vergeven, dames en heren, deze herinnering te hebben opgeroepen. Maar ik zou onoprecht zijn tegenover de geschiedenis van deze eeuw, ik zou oneerlijk zijn tegenover de grote zaak van de mens die wij allen willen dienen, indien ik zou zwijgen, ik die uit het land kom op wiens levende lichaam eens Oswiecim werd gebouwd. Maar bij het ophalen van deze herinnering is mijn bedoeling vooral aan te tonen welke smartelijke ervaringen en lijden van miljoenen mensen aanleiding gaven tot de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
, welke tot grondinspiratie en hoeksteen van de Organisatie van de Verenigde Naties werd gesteld. Deze verklaring werd door miljoenen van onze broers en zusters betaald met de prijs van hun lijden en offer, welke werden opgeëist door de verdierlijking welke het menselijk geweten van hun onderdrukkers en van hen die een werkelijke volkerenmoord uitvoerden, verduisterde en ongevoelig maakte. Deze prijs mag niet tevergeefs zijn betaald! De Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
- met reeks van vele verklaringen en verdragen over zeer belangrijke aspecten van de mensenrechten, ten behoeve van de kinderen, de vrouwen, de gelijkheid tussen de rassen en met name de twee internationale verdragen over de economische, sociale en culturele rechten en over de burgerlijke en politieke rechten - dienen binnen de Organisatie van de Verenigde Naties de basiswaarden te blijven waarmee het geweten van haar leden moet worden geconfronteerd en waaruit zij voortdurend hun inspiratie moeten putten. Wanneer de waarheden en beginselen die in dit document vervat liggen, zouden worden vergeten of miskend en aldus de oorspronkelijke vanzelfsprekendheid zouden verliezen waardoor zij werden gekenmerkt op het moment dat zij moeizaam werden geboren, dan zou de nobele doelstelling van de Organisatie van de Verenigde Naties geconfronteerd kunnen worden met de dreiging van een nieuwe vernietiging. Dit zou gebeuren als de eenvoudige maar machtige welsprekendheid van de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
beslist ondergeschikt zou worden gemaakt aan wat ten onrechte politiek belang wordt genoemd, maar vaak in wekelijkheid niets anders betekent dan eenzijdige winst en voordeel ten nadele van anderen, of een dorst naar macht die zich niet bekommert om de behoeften van anderen - alles dat uit zijn aard in strijd is met de geest van de verklaring. 'Politiek belang' in deze zin verstaan, onteert, als u mij wilt vergeven, dames en heren, uw edele en moeilijke taak van uw dienst aan het welzijn van uw landen en van de hele mensheid.
De kreet van Paulus VI en het voortduren van de bewapeningswedloop
Veertien jaar geleden sprak mijn grote voorganger Paus Paulus VI vanaf dit podium. Hij sprak gedenkwaardige woorden uit, die ik vandaag wil herhalen: 'Nooit meer oorlog, nooit meer oorlog! Nooit meer de een tegen de ander' of zelfs maar 'de een boven de ander', maar altijd en in alle omstandigheden 'met elkaar'. Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tot de 20ste Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (4 okt 1965), 5

Paulus VI was een onvermoeibaar dienaar van de zaak van de vrede. Ik wil hem met al mijn krachten navolgen en zijn dienst voortzetten. Overal op aarde verkondigt de katholieke Kerk een boodschap van vrede, bidt zij voor vrede, voedt zij op tot vrede. Dit doel wordt gedeeld door de vertegenwoordigers en volgelingen van andere kerken en gemeenschappen en van andere godsdiensten van de wereld, en zij hebben zich hiertoe verplicht. Samen met de inspanningen van alle mensen van goede wil zal dit werk zeker vrucht dragen. Niettemin worden wij voortdurend verontrust door de gewapende conflicten die van tijd tot tijd uitbreken. Hoe dankbaar zijn wij de Heer wanneer wij door een rechtstreekse tussenkomst erin slagen zulk een conflict te voorkomen, zoals in het geval van de spanning welke vorig jaar Argentinië en Chili bedreigde.

Het is ook mijn vurige hoop dat in de crisis in het Midden-Oosten een oplossing naderbij komt. Terwijl ik bereid ben de waarde van iedere concrete stap of poging te erkennen, die wordt ondernomen om dit conflict bij te leggen, wil ik eraan herinneren dat zo iets geen waarde zou hebben, wanneer het niet de 'eerste steen' zou betekenen van een algemene vrede in het gehele gebied, een vrede die, noodzakelijk gebaseerd op een rechtvaardige erkenning van de rechten van allen, niet kan nalaten het Palestijnse probleem in ogenschouw te nemen en billijk te regelen. Met deze kwestie is dat van de rust, onafhankelijkheid en territoriale integriteit verbonden van Libanon binnen de formule welke haar een voorbeeld heeft gemaakt van vreedzaam en wederzijds vruchtbaar naast elkaar bestaan van verschillende gemeenschappen, een formule waarvan ik in het algemeen belang hoop, dat zij zal worden gehandhaafd, met de door de ontwikkeling van de situatie vereiste aanpassingen. Ik hoop ook op een bijzonder statuut dat onder internationale garanties - zoals mijn voorganger Paulus VI aangaf - de bijzondere aard moet eerbiedigen van Jeruzalem, een erfgoed dat voor de verering van miljoenen gelovigen van de drie grote monotheïstische godsdiensten, het Jodendom, het Christendom en de islam, heilig is.

Wij worden eveneens verontrust door berichten over de ontwikkeling in de bewapening, welke in kwaliteit en omvang alle tot nu toe bekende middelen tot oorlog en verwoesting overtreft. Op dit punt juichen wij dan ook de beslissingen en overeenkomsten toe die bedoeld zijn om de bewapeningswedloop af te remmen. Niettemin wordt het leven van de huidige mensheid ernstig in gevaar gebracht door de dreiging met vernietiging en zelfs door het gevaar dat schuilt in het aanvaarden van bepaalde 'geruststellende' berichten. En de weerstand tegen feitelijke concrete voorstellen tot werkelijke ontwapening waarom door deze vergadering vorig jaar tijdens een speciale zitting is gevraagd, toont dat er naast de wil tot vrede, die door allen wordt beleden en door de meesten wordt gewenst, ook - misschien in verborgen en voorwaardelijke vorm maar niettemin werkelijk - het tegendeel bestaat, de ontkenning van deze wil. De voortdurende voorbereidingen tot oorlog, die blijken uit de productie van steeds talrijker, krachtiger en ingewikkelder wapens in verschillende landen tonen aan dat er een verlangen bestaat om klaar te zijn voor een oorlog, en klaar zijn betekent in staat zijn hem te beginnen; het betekent ook het risico nemen dat eens, ergens, hoe dan ook, iemand het verschrikkelijke mechanisme van algemene vernietiging in beweging kan brengen.

Oorzaken en ontstaan van vrede en oorlog
Het is daarom noodzakelijk, een voortdurend en steeds krachtiger poging te doen om de hele mogelijkheid een oorlog uit te lokken weg te nemen, en dergelijke rampen onmogelijk te maken door de houdingen en overtuigingen, de bedoelingen en aspiraties van regeringen en volkeren te beïnvloeden. Deze plicht, waaraan de Organisatie van de Verenigde Naties en elk van haar instellingen voortdurend herinnert, moet evenzeer een plicht zijn voor iedere samenleving, ieder regime, iedere regering. Deze taak wordt ongetwijfeld gediend door initiatieven die gericht zijn op internationale samenwerking ter bevordering van de ontwikkeling. Zoals Paulus VI zei aan het slot van zijn encycliek H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
, 'Als ontwikkeling vandaag een nieuwe naam is voor vrede, wie zou dan niet heel zijn werkkracht voor deze ontwikkeling willen inzetten?' H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 87. Deze taak moet echter evenzeer worden gesteund door voortdurende bezinning en activiteiten die proberen om de wezenlijke wortels te ontdekken van haat, vernielingszucht en verachting - de wortels van alles wat de verleiding tot oorlog kweekt, niet zozeer in de harten van de naties als wel in de innerlijke neiging van de stelsels die over de geschiedenis van hele samenlevingen beslissen. In deze reusachtige krachtsinspanning om een vreedzame toekomst voor onze planeet op te bouwen heeft de Organisatie van de Verenigde Naties ongetwijfeld een sleutelfunctie en een leidende rol, waarbij zij moet verwijzen naar de gegronde idealen die vervat liggen in de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
. Want deze verklaring heeft aan de vele diepliggende wortels tot oorlog een wezenlijke slag toegebracht, omdat de geest van oorlog, in zijn fundamentele grondbetekenis, ontstaat en tot wasdom komt waar de onvervreemdbare rechten van de mens worden geschonden.

Dit vormt een nieuwe en hoogst belangrijke kijk op de zaak van de vrede, een die dieper gaat en radicaler is. Het is een kijk die de ontstaanswijze en in zekere zin het wezen van oorlog in zijn meer complexe vormen onderkent, welke voortvloeit uit alle verschillende aspecten van onrechtvaardigheid: de onrechtvaardigheid welke allereerst de rechten van de mens aantast en daardoor de organische eenheid van de sociale orde vernietigt en tenslotte het gehele systeem van internationale betrekkingen aantast. Binnen de leer van de Kerk verschaft de encycliek H. Paus Johannes XXIII - Encycliek
Pacem in Terris
Vrede op aarde
(11 april 1963)
van Johannes XXIII in een synthetische vorm een zicht op deze kwestie die zeer dicht bij de ideologische grondslag van de Organisatie van de Verenigde Naties staat. Deze dient daarom de basis te vormen waaraan men oprecht en volhardend moet vasthouden om een ware 'vrede op aarde' te stichten.

De waardigheid van de menselijke persoon is de grondslag voor rechtvaardigheid en vrede
Wanneer wij dit criterium toepassen, dienen wij ijverig na te gaan welke de voornaamste spanningen zijn die in verband met de onvervreemdbare rechten van de mens de opbouw kunnen verzwakken van de vrede waarnaar wij allen zo vurig verlangen en welke het wezenlijke doel is van de inspanningen van de Organisatie van de Verenigde Naties. Het is niet gemakkelijk, maar het moet gedaan worden. Ieder die dit onderzoek onderneemt dient een volledig objectief standpunt in te nemen en zich te laten leiden door oprechtheid, door de bereidheid zijn eigen vooroordelen en vergissingen te erkennen en zelfs de bereidheid om van zijn eigen particuliere belangen, met inbegrip van de politieke belangen, af te zien. Door deze belangen omwille van de vrede op te offeren, dienen wij haar het beste. Want in wiens 'politiek belang' kan het, alles wel beschouwd, ooit zijn om nog een oorlog te krijgen?

Iedere analyse moet noodzakelijk uitgaan van het gegeven dat ieder menselijk wezen - hoewel iedere persoon in een bepaalde concrete sociale en historische context leeft - begiftigd is met een waardigheid die nooit mag worden verlaagd, aangetast of vernietigd, maar in plaats daarvan dient te worden gerespecteerd en gewaarborgd - indien wij werkelijk vrede tot stand willen brengen.

De fundamentele rechten van de persoon en de voorrang van de geestelijke waarden
In een beweging waarvan men hoopt dat zij progressief en onafgebroken zal zijn, streven de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
en de andere internationale juridische instrumenten ernaar een algemeen bewustzijn van de waardigheid van het menselijk wezen te scheppen, en tenminste een aantal van de onvervreemdbare rechten van de mens te bepalen. Staat u mij toe enkele van de belangrijkste mensenrechten op te sommen die universeel worden erkend: het recht op leven, vrijheid en persoonlijke veiligheid; het recht op voedsel, kleding, behuizing, voldoende gezondheidszorg, rust en vrije tijd; het recht op vrijheid van meningsuiting, onderwijs en cultuur; het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst, en het recht om zijn godsdienst zowel individueel als in gemeenschap, in het openbaar of privé te uiten; het recht een levens staat te kiezen, een gezin te stichten en alle voorwaarden te genieten die voor een gezinsleven noodzakelijk zijn; het recht op eigendom en werk, op evenredige arbeidsvoorwaarden en een rechtvaardig loon; het recht op vergadering en vereniging; het recht op bewegingsvrijheid, op binnenlandse en buitenlandse migratie; het recht op nationaliteit en woonplaats; het recht op politieke deelneming en het recht om deel te nemen aan de vrije keuze van het politieke stelsel van het volk waartoe men behoort. Al deze menselijke rechten samengenomen, in hun geheel verstaan en niet herleid tot slechts een dimensie, zijn in overeenstemming met het wezen van de waardigheid van het menselijke wezen. Deze rechten betreffen de bevrediging van de wezenlijke behoeften van de mens, de uitoefening van zijn vrijheden en zijn betrekkingen met anderen; maar altijd en overal betreffen zij de mens, zij betreffen de volle menselijke dimensies van de mens.
Een mens leeft tegelijkertijd zowel in de wereld van de materiële waarden als in die van de geestelijke waarden. Voor de individuele levende en hopende mens betreffen zijn behoeften, zijn vrijheden en verhoudingen tot anderen nooit uitsluitend één sfeer van waarden, maar behoren tot beiden. Materiële en geestelijke werkelijkheden kunnen afzonderlijk worden beschouwd om beter te begrijpen dat zij in het concrete menselijke wezen onafscheidelijk zijn, en in te zien dat iedere bedreiging van de menselijke rechten, zowel op het gebied van de materiële werkelijkheden als op dat van de geestelijke werkelijkheden, een even groot gevaar voor de vrede inhoudt, omdat zij in iedere instantie de mens in zijn totaliteit betreft. Staat mij toe, geachte dames en heren, aan een constante regel in de geschiedenis van de mensheid te herinneren, een regel die impliciet vervat is in al hetgeen ik reeds heb verklaard met betrekking tot de integrale ontwikkeling en de rechten van de mens. De regel is gebaseerd op de verhouding tussen de geestelijke waarden en de materiële of economische waarden. In deze verhouding hebben de geestelijke waarden, zowel wegens de aard van deze waarden en ook om redenen betreffende het welzijn van de mens, de voorrang. De voorrang van de waarden van de geest bepaalt de eigenlijke zin van de aardse materiële goederen en de wijze om hen te gebruiken. Deze voorrang ligt daarom aan de basis van een rechtvaardige vrede. Hij is ook een factor die ertoe bijdraagt dat de materiële ontwikkeling, de technologische ontwikkeling en de ontwikkeling van de beschaving ten dienste staan van wat een mens uitmaakt. Dit betekent de mens in staat stellen om volledig toegang te hebben tot de waarheid, de morele ontwikkeling en de volledige mogelijkheid om de cultuurgoederen te genieten, die hij heeft geërfd en deze door zijn eigen creativiteit te verrijken. Het is gemakkelijk in te zien dat de materiële goederen geen onbegrensde mogelijkheid hebben om aan de behoeften van de mens te voldoen: zij zijn op zichzelf niet gemakkelijk te verdelen, en binnen de verhouding tussen hen die ze bezitten en genieten en hen die ze missen, veroorzaken zij spanning, meningsverschil en verdeeldheid, welke vaak zelfs zullen uitlopen op een open conflict. De geestelijke goederen daarentegen staan open om door velen tegelijkertijd onbeperkt te worden genoten zonder vermindering van de goederen zelf. Hoe meer mensen in feite aan deze goederen deel hebben, hoe meer zij worden genoten en aangewend, des te meer zullen deze goederen hun onverwoestbare en onsterfelijke waarde tonen. Deze waarheid wordt bijvoorbeeld bevestigd door de creatieve werken - ik bedoel door de werken van denkers, van dichtkunst, van muziek en de beeldende kunsten, als vruchten van de menselijke geest.
Een kritische analyse van onze moderne beschaving laat zien dat deze gedurende de laatste honderd jaar als nooit tevoren heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van de materiële goederen, maar dat zij ook aanleiding heeft gegeven, zowel in theorie als meer nog in praktijk, tot een aantal houdingen waarin de gevoeligheid voor de geestelijke dimensie van het menselijk bestaan in meerdere of mindere mate is verminderd ten gevolge van bepaalde uitgangspunten die de betekenis van het menselijk leven in hoofdzaak beperken tot de vele verschillende materiële en economische factoren - ik bedoel tot de eisen van productie, afzet, consumptie, de ophoping van rijkdom of het toenemen van de bureaucratie, waarmee wordt gepoogd al deze processen te reguleren. Is dit niet het gevolg van ondergeschikt maken van een mens aan een enkele opvatting en sfeer van waarden?
Ondergeschiktheid aan materiële goederen schept de 'noodtoestand' voor de oorlog
Wat is het verband tussen deze overwegingen en de zaak van oorlog en vrede? Omdat, zoals ik reeds zei, de materiële goederen uit hun eigen aard aanleiding geven tot conditioneringen en verdelingen, wordt de strijd om deze goederen in de geschiedenis van de mensheid onvermijdelijk. Indien wij alleen deze eenzijdige onderschikking van de mens aan de materiële goederen cultiveren, zullen wij niet in staat zijn deze toestand van behoeftigheid te overwinnen. Wij zullen weliswaar in staat zijn deze te verzachten en in bepaalde gevallen te vermijden, maar nooit zullen wij erin slagen hem systematisch en volledig te overwinnen, tenzij wij voor ieders ogen, en voor de ogen van iedere samenleving meer nadruk leggen op en eerbied tonen voor de tweede dimensie van goederen van de mens: de dimensie die de mensen niet verdeelt maar hen met elkaar in gemeenschap brengt, hen verenigt en één maakt.

Ik ben van mening dat de beroemde openingswoorden van het Verenigde Naties
Handvest van de Verenigde Naties (10 januari 1946)
, waarin 'de volkeren van de Verenigde Naties besloten om de toekomstige generaties te behoeden voor de gesel van de oorlog' plechtig 'het geloof in de fundamentele rechten van de mens, in de waardigheid en de waarde van de menselijke persoon, in de gelijke rechten van mannen en vrouwen en van grote en kleine naties' bevestigden, deze dimensie bedoelen te benadrukken.

De strijd tegen dreigende oorlogen kan niet louter op een oppervlakkig niveau worden volbracht, door de symptomen te behandelen. Zij dient op radicale wijze te geschieden, door de oorzaken aan te pakken. De reden waarom ik uw aandacht heb gevestigd op de dimensie die wordt gevormd door de geestelijke waarden is juist mijn bezorgdheid voor de zaak van de vrede, de vrede die wordt opgebouwd door mannen en vrouwen die zich verenigen rond hetgeen het volledigst en diepst menselijk is, rond hetgeen hen verheft boven de omringende wereld en hun onverwoestbare grootheid bepaalt - onverwoestbaar ondanks de dood waaraan iedereen op aarde is onderworpen. Ik zou hieraan willen toevoegen dat de katholieke kerk en ik denk dat ik mag zeggen, de hele christenheid op dit gebied haar eigen bijzondere taak ziet. Het Tweede Vaticaans Concilie hielp vast te stellen wat het christelijk geloof in dit verlangen gemeenschappelijk heeft met de verschillende niet-christelijke godsdiensten. De kerk is daarom dankbaar tegenover allen die respect en' goede wil tonen met betrekking tot deze zending die zij heeft en deze niet verhindert of bemoeilijkt. Een analyse van de geschiedenis van de mensheid, vooral in dit huidige stadium, toont hoe belangrijk de plicht is om nog vollediger de draagwijdte van de goederen die verband houden met de geestelijke dimensie van het menselijk bestaan bekend te maken. Iedere schending ervan, ook in 'vredestijd' is een vorm van oorlog tegen de mensheid.

In de moderne wereld lijken er twee belangrijke dreigingen te bestaan. Beide betreffen de mensenrechten op het gebied van de internationale betrekkingen en de mensenrechten binnen de afzonderlijke staten of samenlevingen.

De deelneming van allen aan de ontwikkeling en de productie
De eerste van deze stelselmatige bedreigingen tegen de rechten van de mens houdt in zeer ruime zin verband met de verdeling van de materiële goederen. Deze verdeling is dikwijls onrechtvaardig, zowel binnen de afzonderlijke samenlevingen als op onze planeet in zijn geheel. Iedereen weet dat deze goederen niet alleen aan de mens zijn geschonken als een milddadigheid van de natuur: zij worden door hem voornamelijk genoten als vrucht van zijn vele activiteiten, welke varieert van de eenvoudigste handenarbeid en lichamelijke inspanning tot de meest gecompliceerde vormen van industriële productie en tot hoog gekwalificeerde en gespecialiseerde research en studie. Verschillende vormen van ongelijkheid in het bezit van materiële goederen en in het genot ervan kunnen vaak worden verklaard door verschillende historische en culturele oorzaken en omstandigheden. Maar hoewel deze omstandigheden de morele verantwoordelijkheid van de huidige mensen kunnen verminderen, voorkomen zij niet, dat deze situaties van ongelijkheid worden gekenmerkt door onrechtvaardigheid en sociaal onrecht.

De mensen dienen zich ervan bewust te worden dat de economische spanningen binnen de landen en in de betrekkingen tussen de staten en zelfs tussen hele werelddelen in zichzelf wezenlijke elementen bevatten die de mensenrechten beperken of schenden. Zulke elementen zijn de uitbuiting van arbeidskrachten en vele andere misbruiken die de waardigheid van de menselijke persoon aantasten. Hieruit volgt dat het fundamentele criterium om sociale, economische en politieke systemen te vergelijken niet het criterium is en niet kan zijn, van de overheersing en het imperialisme: dit kan en moet het humanistisch criterium zijn, namelijk de mate waarin elk systeem werkelijk in staat is voor zover mogelijk de verschillende vormen van uitbuiting van de mens te verminderen, te bedwingen en uit te schakelen en hem door werk niet alleen de rechtvaardige verdeling van de onmisbare materiële goederen te waarborgen, maar ook in overeenstemming met zijn waardigheid een deelneming in het hele productieproces en in het sociale leven dat zich rond dat proces ontwikkelt. Laten wij niet vergeten dat de mens, hoewel hij voor zijn levensonderhoud van de hulpmiddelen van de materiële wereld afhangt, niet hun slaaf mag zijn, maar hun beheerder moet zijn. De woorden van het boek Genesis: 'Bevolk de aarde en onderwerp haar' (Gen. 1, 28) zijn in zekere zin een fundamentele en wezenlijke richtlijn op het gebied van de economie en van de arbeidspolitiek.

De mensheid in haar geheel, en de afzonderlijke naties, hebben op dit gebied gedurende de laatste honderd jaar ongetwijfeld belangrijke vooruitgang gemaakt. Maar het is een gebied waar het nooit ontbreekt aan stelselmatige bedreigingen en schendingen van de mensenrechten. Storende factoren zijn veelvuldig aanwezig in de vorm van de ontstellende verschillen tussen buitensporig rijke enkelingen en groepen enerzijds en de meerderheid bestaande uit de armen of inderdaad behoeftigen anderzijds die het ontbreekt aan voedsel, werkgelegenheid en onderwijs en die in groten getale veroordeeld zijn tot honger en ziekte. Zorgwekkend is soms ook de radicale scheiding tussen arbeid en bezit, de onverschilligheid van de mens tegenover de productieonderneming waarmee hij slechts door een arbeidscontract is verbonden, zonder te beseffen dat hij werkt voor een belang dat het zijne zal zijn of voor hemzelf.

Het is geen geheim dat de afgrond die de minderheid van de buitensporig rijken scheidt van de massa behoeftigen een zeer ernstig symptoom vormt in het leven van elke samenleving. Dit dient met nog meer nadruk te worden gezegd van de afgrond die de landen en streken van de wereld gescheiden houdt. De enige weg om deze ernstige ongelijkheid tussen gebieden van overvloed en gebieden van honger en ellende te overwinnen ligt ongetwijfeld in een gecoördineerde samenwerking tussen alle landen. Hiertoe is boven alles een eenheid vereist welke is ingegeven door een authentiek perspectief naar vrede. Alles zal ervan afhangen of deze verschillen en tegenstellingen in de sfeer van het 'bezit' van goederen stelselmatig zullen worden verminderd door werkelijk doeltreffende maatregelen, of de gebieden van honger, ondervoeding, ontbering, onderontwikkeling, ziekte en ongeletterdheid van de economische wereldkaart zullen verdwijnen, en of een vreedzame samenwerking zal vermijden situaties van uitbuiting en economische of politieke afhankelijkheid, op te leggen, die alleen maar een vorm van neokolonialisme zouden zijn.

De onrechtvaardigheden tegen de geestelijke rechten van de mens
Vervolgens zou ik uw aandacht willen vestigen op een tweede stelselmatige bedreiging van de mens in zijn onvervreemdbare rechten in de moderne wereld, een bedreiging welke niet minder dan de eerste een gevaar vormt voor de zaak van de vrede. Ik doel op de verschillende vormen van onrechtvaardigheid op het gebied van de geest.

De mens kan inderdaad worden gewond in zijn innerlijke verhouding tot de waarheid, in zijn geweten, in zijn meest persoonlijke geloof, in zijn wereldbeschouwing, in zijn godsdienstige geloof en in de sfeer van wat bekend staat als burgerlijke vrijheden. Beslissend voor deze laatsten is gelijkheid van rechten zonder discriminatie op grond van afkomst, ras, geslacht, nationaliteit, godsdienst, politieke overtuigingen en dergelijke. Gelijkheid van rechten betekent het uitsluiten van de verschillende vormen van bevoorrechting van sommigen en discriminatie tegen anderen, of zij nu mensen zijn die in hetzelfde land zijn geboren of mensen met een verschillende achtergrond wat betreft geschiedenis, nationaliteit, ras en ideologie. Eeuwen lang is de opmars van de beschaving in een richting gegaan: die waarbij aan het leven van individuele politieke samenlevingen een vorm werd gegeven waarin de objectieve rechten van de geest, van het menselijk geweten en van de menselijke creativiteit, met inbegrip van de verhouding van de mens tot God, ten volle werden gewaarborgd. Ondanks dat zien wij toch op dit gebied herhaaldelijk dreigingen en schendingen, dikwijls zonder de mogelijkheid zich op een hoger gezag te beroepen of een doeltreffend rechtsmiddel te verkrijgen.

Naast de aanvaarding van wettelijke formules om het beginsel van de vrijheid van de menselijke geest te waarborgen, zoals de vrijheid van denken en meningsuiting, godsdienstvrijheid, en vrijheid van geweten, bestaan er dikwijls structuren van sociaal leven waarin de praktische uitoefening van deze vrijheden de mens in feite, zo niet formeel veroordeelt een tweede- of derderangs burger te worden, en zijn kansen op maatschappelijke vooruitgang, zijn beroepscarrière of zijn toegang tot bepaalde verantwoordelijkheidsposten in gevaar te zien gebracht, en zelfs de mogelijkheid te verliezen zijn kinderen in vrijheid op te voeden. Het is een kwestie van het grootste belang dat in het binnenlandse sociale leven, alsook in het internationale leven, alle menselijke wezens in iedere natie en land in staat zouden zijn hun volle rechten daadwerkelijk te genieten onder ieder politiek regime of systeem.

Alleen het waarborgen van deze werkelijke totaliteit van rechten voor ieder menselijk wezen zonder discriminatie, kan de vrede tot in zijn wortels waarborgen.

Met betrekking tot de godsdienstvrijheid, welke mij als paus bijzonder ter harte moet gaan, juist met het oog op het waarborgen van de vrede, zou ik hier, als een bijdrage tot het respect voor de geestelijke dimensie van de mens, enkele beginselen willen herhalen die vervat zijn in de verklaring van het Tweede Vaticaans Concilie 2e Vaticaans Concilie - Verklaring
Dignitatis Humanae
Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden
(7 december 1965)
: 'Overeenkomstig hun waardigheid als personen, dit is als begaafd met verstand en vrije wil en daarom toegerust met persoonlijke verantwoordelijkheid, worden alle mensen door hun eigen natuur ertoe gedreven en door een morele verplichting ertoe gehouden de waarheid te zoeken, vooral die welke op de godsdienst betrekking heeft. Tevens moeten zij de gekende waarheid aanhangen en heel hun leven naar de eisen van de waarheid inrichten' 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 2.

'De uitoefening van de godsdienst bestaat immers krachtens eigen aard allereerst uit innerlijke vrije wilsdaden waardoor de mens zich rechtstreeks op God richt: dit soort daden kan door een louter menselijk gezag niet worden opgelegd en evenmin worden verboden. De sociale natuur van de mens vergt echter, dat de mens deze innerlijke daden van godsdienstigheid naar buiten tot uitdrukking brengt, dat hij met anderen in gemeenschap treedt in godsdienstige aangelegenheden en dat hij zijn godsdienst in gemeenschap belijdt' 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de godsdienstvrijheid - Het recht van de persoon en van de gemeenschappen op sociale en burgerlijke vrijheid in godsdienstige aangelegenheden, Dignitatis Humanae (7 dec 1965), 3.

Deze woorden raken het wezen van de kwestie. Zij tonen ook hoe zelfs de confrontatie tussen de godsdienstige wereldbeschouwing en de agnostische of zelfs atheïstische beschouwing, welke een van de 'tekenen des tijds' van deze eeuw is, de menselijke dimensies in ere zou kunnen houden en eerbiedigen, zonder de wezenlijke rechten van het geweten van enige man of vrouw op deze wereld te schenden.

Het respect voor de waardigheid van de menselijke persoon lijkt ook te eisen, dat wanneer de exacte strekking van de uitoefening van de godsdienstvrijheid met het oog op nationale wetten of internationale overeenkomsten moet worden besproken of vastgesteld, ook de instellingen die door hun aard in dienst van de godsdienst staan, daarbij worden betrokken. Indien deze deelneming wordt nagelaten bestaat een gevaar dat op zo'n intiem terrein van het menselijk leven regels of beperkingen worden opgelegd die in strijd zijn met zijn werkelijke religieuze behoeften.

De Organisatie van de Verenigde Naties heeft 1979 tot het jaar van het kind uitgeroepen. In de tegenwoordigheid van de vertegenwoordigers van zoveel naties van de wereld die hier bijeen zijn, wil ik uitdrukking geven aan de vreugde dat wij allen in kinderen, de lente van het leven, de anticipatie vinden van de toekomstige geschiedenis van elk van onze huidige aardse thuislanden. Geen land ter wereld, geen politiek stelsel kan aan zijn eigen toekomst denken tenzij door het beeld van deze nieuwe generaties, die van hun ouders de veelzijdige erfenis zullen ontvangen van waarden, plichten en verlangens van de natie waartoe zij behoren en van de hele mensenfamilie. Zorg voor het kind, zelfs vóór zijn geboorte, vanaf het eerste moment van de ontvangenis en dan door kinder- en jeugdjaren heen, is de eerste en fundamentele proef van de verhouding van het ene menselijk wezen tot het andere.

Welke betere wens kan ik daarom voor iedere natie en voor de hele mensheid uitspreken, en voor alle kinderen van de wereld, dan die van een betere toekomst waarin het respect voor de rechten van de mens een volledige werkelijkheid zal worden gedurende het derde millennium dat nadert.

De erfenis die wij aan de mensen van morgen bereiden
In dit perspectief moeten wij onszelf echter afvragen, of zich boven de hoofden van deze nieuwe generatie kinderen de dreiging zal blijven ophopen van totale uitroeiing, waarvoor de middelen in handen van de hedendaagse staten zijn, vooral van de grote wereldmachten. Moeten de kinderen de bewapeningswedloop van ons als een noodzakelijke erfenis overnemen? Hoe moeten wij deze ongebreidelde wedloop tegenover hen verklaren? De ouden zeiden: Si vis pacem, para bellum. Maar kan onze generatie werkelijk nog geloven, dat de adembenemende bewapeningsspiraal in dienst staat van de wereldvrede? Wanneer wij als argument de dreiging van een potentiële vijand aanvoeren, is het dan werkelijk niet veeleer de bedoeling voor zichzelf een dreigmiddel te houden, teneinde met behulp van het eigen vernietigingsarsenaal de bovenhand te krijgen? Ook hier neigt de menselijke dimensie van vrede te verdwijnen ten gunste van steeds nieuwe mogelijke vormen van imperialisme. Het moet hier onze plechtige wens voor onze kinderen, voor de kinderen van alle volkeren op aarde zijn, dat het nooit zo ver zal komen. En daarom houd ik niet op iedere dag tot God te bidden, dat Hij ons in zijn genade moge behoeden voor zo'n verschrikkelijke dag.
Aan het slot van deze toespraak wil ik nogmaals tegenover alle hoge afgevaardigden van de staten die hier aanwezig zijn een woord van achting en warme liefde uitspreken voor alle volkeren, alle naties ter wereld, voor alle menselijke gemeenschappen. Elk daarvan heeft haar eigen geschiedenis en cultuur. Ik hoop, dat zij mogen leven en groeien in de vrijheid en waarheid van hun eigen geschiedenis. Want dat is de maat van het gemeenschappelijk welzijn van elk van hen. Ik hoop, dat iedere persoon moge leven en sterk worden door de morele kracht van de gemeenschap die haar leden tot burgers vormt. Ik hoop, dat de staatsoverheden. terwijl zij de rechtmatige rechten van elke burger respecteren, het vertrouwen van allen mogen genieten voor het gemeenschappelijk welzijn. Ik hoop, dat alle naties, ook de kleinste, ook die welke nog geen volledige soevereiniteit genieten, en die welke daarvan met geweld zijn beroofd, in volledige gelijkheid met de andere in de Organisatie van de Verenigde Naties bijeen zullen komen. Ik hoop dat de Verenigde Naties altijd het hoogste forum van vrede en rechtvaardigheid zal zijn, de echte zetel van vrijheid van de volkeren en individuen in hun streven naar een betere toekomst.

Document

Naam: DE WAARDIGHEID VAN DE MENSELIJKE PERSOON ALS GRONDSLAG VOOR RECHTVAARDIGHEID EN VREDE
Tot de 34e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties - New York
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 2 oktober 1979
Copyrights: © 1980, Archief van Kerken 35e jrg, nr. 1 p. 27-40
Bewerkt: 26 maart 2015

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam