• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE ALGEHELE MENSELIJKHEID VAN DE MENS KOMT TOT UITDRUKKING IN DE CULTUUR
Tot de 'United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization' (UNESCO), Parijs

Meneer de voorzitter van de algemene conferentie,
Meneer de voorzitter van de uitvoerende raad,
Meneer de directeur-generaal,
Dames en heren,

Allereerst wil ik mijn zeer hartelijke dankbetuigingen uitspreken voor de uitnodiging welke meneer Amadou Mahtar-M'Bow, directeur-generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor opvoeding, wetenschap en cultuur herhaaldelijk tot mij heeft gericht, en reeds sedert het eerste bezoek dat hij mij de eer deed te brengen. Talrijk zijn de redenen waarom ik blij ben vandaag te kunnen beantwoorden aan de uitnodiging welke ik terstond hoog heb gewaardeerd.

Ik dank meneer Napoléon Leblanc, voorzitter van de algemene conferentie, meneer Chams Eldine El- Wakil, voorzitter van de uitvoerende raad, en meneer Amadou Mahtar-M'Bow, directeur-generaal van de organisatie, voor de vriendelijke welkomstwoorden welke zij tegenover mijn persoon hebben uitgesproken. Ik wil ook allen groeten die hier bijeengekomen zijn voor de honderdnegende zitting van de uitvoerende raad van de UNESCO. Ik zou niet weten hoe mijn vreugde te verbergen zoveel afgevaardigden van de naties van de hele wereld bij deze gelegenheid bijeen te zien, zoveel voortreffelijke persoonlijkheden, zoveel bekwaamheden, zoveel vermaarde vertegenwoordigers van de cultuur- en wetenschapswereld. Door mijn interventie zal ik proberen mijn bescheiden steentje bij te dragen aan het bouwwerk dat u, dames en heren, door uw overwegingen en besluiten op alle gebieden die tot de bevoegdheid van de UNESCO behoren, met onvermoeide arbeid en volharding opbouwt.

Het zij me vergund te beginnen met me te beroepen op de oorsprong van uw organisatie. De gebeurtenissen die de stichting van de UNESCO hebben gekenmerkt inspireren mij tot vreugde en tot dankbaarheid jegens de voorzienigheid: de ondertekening van haar constitutie op 16 november 1945; het in kracht treden van deze constitutie en de oprichting van de organisatie op 4 november 1946; de overeenkomst tussen de UNESCO en de Organisatie van de Verenigde Naties in hetzelfde jaar. Uw organisatie is namelijk het werk van de naties die na de beëindiging van de verschrikkelijke tweede wereldoorlog werden gedreven door wat een spontaan verlangen naar vrede, eenheid en verzoening zou kunnen worden genoemd. Deze naties zochten naar middelen en vormen om deze nieuwe samenwerking op een duurzame manier vaste vorm te geven, te verdiepen en te waarborgen. De UNESCO is dus evenals de Organisatie van de Verenigde Naties ontstaan, omdat de volkeren wisten, dat aan de basis van de grote ondernemingen die bestemd zijn om de vrede en de vooruitgang van de mensheid op heel de aardbol te dienen, de noodzaak tot eenheid van de naties, tot wederzijds respect en internationale samenwerking ligt.
Daar ik het werk, de gedachte en de boodschap van mijn grote voorganger Paus Paulus VI voortzet, heb ik de eer gehad het H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
De waardigheid van de menselijke persoon als grondslag voor rechtvaardigheid en vrede
Tot de 34e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties - New York
(2 oktober 1979)
op uitnodiging van meneer Kurt Waldheim, secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Kort daarop, op 12 november 1979, werd ik H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Het ernstigste en meest dringende probleem is de strijd tegen de honger
Tot de 20ste Algemene Conferentie van de FAO
(12 november 1979)
. In deze omstandigheden was het me gegeven kwesties te behandelen die diepgaand verbonden zijn met het geheel van de problemen die betrekking hebben op de vreedzame toekomst van de mens op aarde. Al deze problemen zijn namelijk nauw met elkaar verbonden. Wij bevinden ons tegenwoordig om zo te zeggen in een hecht systeem van communicerende vaten: de problemen van de cultuur, de wetenschap en de opvoeding doen zich in het leven van de naties en in de internationale betrekkingen niet onafhankelijk voor van de andere problemen van het menselijk bestaan, zoals die van de vrede of de honger. De problemen van de cultuur worden bepaald door andere dimensies van het menselijk bestaan evenals deze op hun beurt die bepalen.
Er is ondanks alles - en ik heb dat in mijn toespraak tot de Verenigde Naties benadrukt door te verwijzen naar de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
- een fundamentele dimensie welke de systemen welke het geheel van de mensheid structureren tot in hun fundamenten kan veranderen en het individuele en gemeenschappelijke menselijke bestaan kan bevrijden van de dreigingen die op haar rusten. Deze dimensie is de mens, de mens in zijn totaliteit, de mens die tegelijk leeft in de sfeer van de materiële waarden en in die van de geestelijke waarden. Het respect voor de onvervreemdbare rechten van de menselijke persoon ligt aan de basis van alles. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de 34e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties - New York, De waardigheid van de menselijke persoon als grondslag voor rechtvaardigheid en vrede (2 okt 1979), 7.13

Elke bedreiging van de rechten van de mens in het kader van zijn geestelijke goederen of in die van zijn materiële goederen doet deze fundamentele dimensie geweld aan.

Daarom heb ik in mijn toespraak tot de FAO benadrukt, dat geen mens, geen land noch enig systeem ter wereld onverschillig kan blijven voor de 'geografie van de honger' en de reusachtige dreigingen welke eruit volgen, indien de gehele gerichtheid van de economische politiek, en vooral de rangorde van de investeringen niet wezenlijk en radicaal veranderen. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de 20ste Algemene Conferentie van de FAO, Het ernstigste en meest dringende probleem is de strijd tegen de honger (12 nov 1979), 10 Terwijl ik verwijs naar de organen van uw organisatie, vestig ik daarom ook de aandacht op de noodzaak alle krachten te mobiliseren die de geestelijke dimensie van het menselijk bestaan richting geven, die getuigen van de voorrang van het geestelijke in de mens - van wat overeenkomt met de waardigheid van zijn verstand, zijn wil en zijn hart - om niet opnieuw te bezwijken aan de afschuwelijke vervreemding van het collectieve kwaad dat altijd klaar staat om de materiële machtsmiddelen te gebruiken in de vernietigingsstrijd van mensen tegen mensen en naties tegen naties.

Aan de oorsprong van de UNESCO liggen derhalve evenals aan de basis van de Verenigde Naties
Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (10 december 1948)
deze voornaamste edele impulsen van het menselijk geweten, van het verstand en van de wil. Ik beroep me op deze oorsprong, op dit begin, op deze premissen en op deze eerste beginselen. In hun naam kom ik vandaag naar Parijs, naar de zetel van uw organisatie, met een verzoek: dat u aan het einde van een etappe van meer dan dertig jaar van uw werkzaamheden, u nog meer zoudt verenigen rond de idealen en beginselen van het allereerste begin. In hun naam veroorloof ik me nu ook u enkele werkelijk fundamentele beschouwingen voor te leggen, want alleen in hun licht schittert ten volle de betekenis van deze instelling welke de naam UNESCO draagt, Organisatie van de Verenigde Naties voor opvoeding, wetenschap en cultuur.

Genus humanum arte et ratione vivit. Vgl. H. Thomas van Aquino, Commentaria in Aristotelem - Sententia libri Ethicorum. Post. Analyt., n. 1 Deze woorden van een van de grootste genieën van het christendom, die tegelijk een vruchtbaar voortzetter was van het antieke denken, dragen verder dan het gebied en de hedendaagse betekenis van de oosterse cultuur, zodat zij middellandse zees of atlantisch zou zijn. Zij hebben een betekenis die van toepassing is op het geheel van de mensheid waar de verschillende tradities elkaar ontmoeten die haar geestelijk erfgoed vormen en de verschillende cultuurtijdperken. De wezenlijke betekenis van de cultuur is volgens deze woorden van de heilige Thomas van Aquino gelegen in het feit, dat zij een kenmerk is van het menselijk leven als zodanig. De mens leeft een werkelijk menselijk leven dankzij cultuur. Het menselijk leven is ook in deze zin cultuur, dat de mens zich door haar onderscheidt en verschilt van al wat verder bestaat in de zichtbare wereld: de mens kan geen cultuur missen. De cultuur is een bijzondere wijze van het 'bestaan' en van het 'zijn' van de mens. De mens leeft altijd volgens een cultuur die hem eigen is, en die op haar beurt tussen de mensen een band schept die hen ook eigen is door het intermenselijke en sociale karakter van het menselijk bestaan te bepalen. In de eenheid van de cultuur als eigen wijze van het menselijk bestaan is tegelijkertijd de verscheidenheid van culturen geworteld waarbinnen de mens leeft. In deze verscheidenheid ontwikkelt de mens zich zonder evenwel het wezenlijke contact met de eenheid van de cultuur te verliezen als fundamentele en wezenlijke dimensie van zijn bestaan en zijn zijn.

De mens die in de zichtbare wereld het unieke ontische subject van de cultuur is, is ook zijn unieke object en zijn maatstaf. De cultuur is datgene waardoor de mens als mens meer mens wordt, meer 'is', meer toegang heeft tot het 'zijn'. Daar ligt ook het kapitale onderscheid tussen wat de mens is en wat hij heeft, tussen zijn en hebben. De cultuur staat altijd in wezenlijke en noodzakelijke betrekking tot wat de mens is, terwijl zijn verhouding tot wat hij heeft, tot zijn 'hebben', niet alleen secundair is, maar geheel en al betrekkelijk. Alle 'hebben' van de mens is slechts belangrijk voor de cultuur, een creatieve factor voor de cultuur, in de mate waarin de mens door middel van zijn 'hebben' vollediger als mens kan 'zijn', vollediger mens kan worden in alle dimensies van zijn bestaan, in alles wat zijn menszijn kenmerkt. De ervaring van de verschillende tijdperken, zonder dit tijdperk uit te sluiten, toont aan dat over de cultuur allereerst in betrekking met de natuur van de mens wordt gedacht en gesproken en vervolgens op secundaire en indirecte wijze in betrekking tot de wereld van de producten. Dit doet niets af aan het feit dat wij het verschijnsel cultuur beoordelen vanuit hetgeen de mens voortbrengt, of dat wij daaruit tegelijk conclusies trekken over de mens. Een dergelijke benadering - typische wijze van het 'a posteriori' kernproces - houdt op zich de mogelijkheid in om in tegenovergestelde zin op te stijgen naar de ontischcausale afhankelijkheden. De mens en alleen de mens is de 'bewerker' of 'bewerkster' van de cultuur; de mens, en alleen de mens, brengt er zichzelf in tot uitdrukking en vindt er zijn eigen evenwicht in.

Document

Naam: DE ALGEHELE MENSELIJKHEID VAN DE MENS KOMT TOT UITDRUKKING IN DE CULTUUR
Tot de 'United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization' (UNESCO), Parijs
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 2 juni 1980
Copyrights: © 1980, Archief van Kerken 35e jrg. p. 1043-1056
Bewerkt: 26 maart 2015

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam