• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

AAN DE BISSCHOPPEN TER GELEGENHEID VAN DE APOSTOLISCHE BRIEF "MOTU PROPRIODATA" SUMMORUM PONTIFICUM OVER HET GEBRUIK VAN DE ROMEINSE LITURGIE VOORAFGAAND AAN DE HERVORMING VAN 1970

Beminde broeders in het bisschopsambt,

Met groot vertrouwen en hoop, vertrouw ik jullie als Herders de tekst toe van een nieuwe Apostolische Brief Paus Benedictus XVI - Motu Proprio
Summorum Pontificum
Over het gebruik van de Romeinse Liturgie voorafgaand aan de hervorming van 1970
(7 juli 2007)
over het gebruik van de Romeinse liturgie voorafgaand aan de hervorming van 1970. Het document is de vrucht van uitvoerige reflecties, veelvuldige consultaties en gebed.

Nieuwsberichten en beoordelingen, gemaakt zonder voldoende informatie, hebben niet weinig verwarring veroorzaakt. Er waren zeer verschillende reacties gaande van vreugdevolle ontvangst tot harde oppositie en dit over een plan waarvan de inhoud in feite onbekend was.

Dit document kreeg het meest direct oppositie vanuit een tweevoudige vrees die ik wat nader wil behandelen in deze brief.

Autoriteit van het Tweede Vaticaans Concilie
Ten eerste is er de vrees dat het document de autoriteit aantast van het Tweede Vaticaanse Concilie en één van haar wezenlijke beslissingen, de liturgische hervorming, in vraag stelt. Deze vrees is ongegrond. Desbetreffende dient vooreerst gezegd te worden dat het missaal, gepubliceerd door Paulus VI en opnieuw gepubliceerd in twee edities door Johannes Paulus II, vanzelfsprekend is en blijft de normale vorm –de forma ordinaria- van de eucharistische liturgie. De laatste versie van het Missale Romanum voorafgaand aan het Concilie en dat gepubliceerd werd op gezag van paus Johannes XXIII in 1962 en gebruikt werd tijdens het concilie, zal nu gebruikt kunnen worden als de forma extraordinaria van de liturgische viering. Het is niet gepast om over deze twee versies van het Romeins Missaal te spreken alsof het twee ‘riten’ zijn. Veeleer is het een kwestie van een tweevoudig gebruik van één en dezelfde ritus.
Wat betreft het gebruik van het missaal van 1962 als een forma extraordinaria van de liturgie van de Mis, zou ik de aandacht willen vestigen op het feit dat dit missaal nooit juridisch was afgeschaft en dus in principe altijd toegestaan was. Ten tijde van de introductie van het nieuwe missaal leek het niet noodzakelijk om specifieke normen uit te vaardigen voor het mogelijke gebruik van het eerdere missaal. Waarschijnlijk werd gedacht dat het zou gaan om enkele individuele gevallen die geval per geval en ter plekke een oplossing zouden vinden.

Nadien echter werd het snel duidelijk dat niet weinigen sterk gehecht bleven aan dit gebruik van de Romeinse Ritus waarmee zij vanaf hun kindertijd vertrouwd waren. Dit was in het bijzonder het geval in landen waar de liturgische beweging aan velen een belangrijke liturgische vorming en een diepe, persoonlijke vertrouwdheid met de eerdere vorm van de liturgische viering had gegeven. We weten allemaal dat bij de beweging, geleid door aartsbisschop Lefebvre, trouw aan het oude missaal een uitwendig teken van identiteit werd. De redenen voor de breuk die hierover ontstond lagen echter op een dieper niveau.

Velen die duidelijk het bindende karakter van Vaticanum II aannamen en trouw waren aan de Paus en de bisschoppen verlangden desalniettemin naar de vorm van de heilige liturgie die hen dierbaar was. Dit gebeurde vooral omdat op vele plaatsen de viering niet trouw volgens de voorschriften van het nieuwe missaal plaatsvond. Het nieuwe missaal werd daarentegen opgevat alsof het creativiteit zou autoriseren, ja zelfs zou verplichten. Dit leidde dikwijls tot deformaties van de liturgie die nauwelijks te dragen waren. Ik spreek uit ervaring omdat ook ik die periode met al haar hoop en verwarring beleefd heb. Ik heb beleefd hoe diep gewond deze personen, die volledig geworteld waren in het geloof van de Kerk, zijn geworden.

Paus Johannes Paulus II zag zich dus genoodzaakt om in zijn Motu Proprio H. Paus Johannes Paulus II - Motu Proprio
Ecclesia Dei Adflicta
Over de verhouding met de Priesterbroederschap St. Pius X
(2 juli 1988)
(2 juli 1988) een normatief kader te geven voor het gebruik van het missaal van 1962. Dit document bevatte echter niet gedetailleerde voorschriften maar deed op algemene wijze een beroep op het genereuze antwoord van de bisschoppen ten aanzien van de “legitieme aspiraties” van die gelovigen die om dit gebruik van de Romeinse Ritus vroegen. Op dat moment wilde de paus vooral de broederschap van de heilige Pius X bijstaan om de volledige eenheid met de Opvolger van Petrus te hervinden en tevens probeerde hij een wonde te genezen die steeds pijnlijker gevoeld werd. Helaas heeft deze verzoening nog niet plaatsgevonden.

Niettegenstaande hebben een reeks van gemeenschappen dankbaar gebruik gemaakt van de mogelijkheden die het Motu Proprio bood. Anderzijds bleven er moeilijkheden betreffende het gebruik van het missaal van 1962 buiten deze groepen omdat het ontbrak aan precieze juridische normen, in het bijzonder omdat bisschoppen in deze gevallen vaak vreesden dat de autoriteit van het Concilie in twijfel zou worden getrokken. Onmiddellijk na het Tweede Vaticaans Concilie kon men veronderstellen dat de vraag naar het gebruik van het missaal van 1962 zou beperkt zijn tot de oudere generatie die ermee was opgegroeid. Intussen echter is duidelijk geworden dat ook jongeren deze liturgische vorm ontdekken, zich aangetrokken voelen tot haar en in deze liturgische vorm een wijze van ontmoeting met het Mysterie van de Meest Heilige Eucharistie vinden die bijzonder gepast is voor hen. Zo is de noodzaak ontstaan voor een duidelijkere juridische regeling die niet voorzien is geworden ten tijde van het Motu Proprio van 1988. De huidige normen zijn ook bedoeld om de bisschoppen vrij te maken van de noodzaak om constant en opnieuw te evalueren hoe zij dienen te antwoorden op verschillende situaties.
Mogelijke verdeeldheid in parochiegemeenschappen
Ten tweede werd in de discussies over het verwachte Motu Proprio de vrees uitgedrukt dat de meer uitvoerige mogelijkheid van het gebruik van het missaal van 1962 zou leiden tot wanorde en zelfs verdeeldheid in parochiegemeenschappen. Ook deze vrees lijkt mij niet echt gegrond. Het gebruik van het oude missaal vooronderstelt een zekere mate van liturgische vorming en toegang tot de Latijnse taal. Het één noch het andere is frequent te vinden. Reeds vanuit deze vooronderstellingen ziet men duidelijk dat het nieuwe missaal zeker de gewone vorm van de Romeinse Ritus zal blijven en dit niet enkel op basis van de juridische normen maar ook vanwege de feitelijke situatie waarin de gemeenschappen van gelovigen zich bevinden.

Het is waar dat het niet ontbreekt aan overdrijvingen en soms aan sociale aspecten die op ongepaste wijze verbonden zijn met de houding van de gelovigen die verbonden zijn aan de oude Latijnse liturgische traditie. Uw liefde en pastorale prudentie zullen een stimulans en gids zijn om deze te verbeteren. Overigens, de twee vormen van het gebruik van de Romeinse Ritus kunnen elkaar wederzijds verrijken: in het oude missaal kunnen en moeten nieuwe heiligen en sommige van de nieuwe prefaties opgenomen worden. De commissie Ecclesia Dei, in verbinding met de verschillende instituties die gewijd zijn aan de usus antiquior, zal de praktische mogelijkheden hieromtrent onderzoeken. In de viering van de Mis volgens het missaal van Paulus VI zal zich, op een krachtigere wijze dan voorheen het geval was, die sacraliteit tonen die velen naar het vroegere gebruik van het missaal leidt. De meest zekere garantie dat het missaal van Paulus VI de parochiegemeenschappen kan verenigen en door hen zal bemind worden ligt in het celebreren van het missaal van Paulus VI met grote eerbied in overeenkomst met de voorschriften. Hierdoor zal de spirituele rijkdom en de theologische diepte van dit missaal zichtbaar worden.

Bij de tijd brengen van "Ecclesia Dei"
Hiermee ben ik aanbeland bij de positieve reden die mij gemotiveerd heeft om door dit Motu Proprio dat van 1988 bij te tijd te brengen. Het betreft het komen tot een inwendige verzoening in het hart van de Kerk. Kijkend naar het verleden, naar de verdeeldheid die over de loop van de eeuwen het Lichaam van Christus verwond heeft, heeft men voortdurend de indruk dat, op kritieke momenten wanneer de verdeeldheid aan het ontstaan was, er niet voldoende gedaan is geworden door de verantwoordelijken van de Kerk om de verzoening en de eenheid te herstellen en bewaren. Men heeft de indruk dat de nalatigheden in de Kerk gedeeltelijk schuld eraan zijn dat deze verdeeldheden zich konden consolideren. Deze blik in het verleden legt ons vandaag een verplichting op om al het mogelijke te doen ten einde dat zij die werkelijk het verlangen naar eenheid hebben, in staat worden gesteld om in deze eenheid te blijven of deze eenheid opnieuw te hervinden. Een zin uit de Tweede Brief aan de Korintiërs komt mij voor de geest, nl. waar Paulus schrijft: “Wij spreken ronduit met u, Korintiërs, ons hart staat wijd voor u open. Het is niet door ons dat gij u beklemd voelt, het is daarentegen in uw harten dat gij u beklemd voelt. ... zet ook gij uw hart open voor ons!” (2 Kor. 6, 11-13). Paulus zegt dit in een andere context maar zijn oproep kan en moet ook ons raken en zeker in deze zaak. Laten wij ons hart rijkelijk openen en binnenlaten, al datgene waaraan het geloof zelf ruimte geeft.
Er is geen enkele tegenstelling tussen de twee edities van het Missale Romanum. In de geschiedenis van de liturgie is er groei en vooruitgang maar geen breuk. Wat voor vorige generaties heilig was, blijft heilig en groots voor ons en het kan niet plots geheel verboden worden of zelfs beschouwd worden als schadelijk. Het is voor allen goed om de rijkdommen die zich ontwikkeld hebben in het geloof en gebed van de Kerk te bewaren en er hun juiste plaats aan te geven. Het is evident dat, om de volledige communio te leven, de priesters van de gemeenschappen die het oude gebruik aanhangen, in principe de viering volgens de nieuwe boeken niet kunnen uitsluiten. De uitsluiting van de nieuwe ritus zou niet coherent zijn met de herkenning van de waarde en heiligheid van de nieuwe ritus.
Tot besluit
Tot besluit, beminde broeders, ligt het mij aan het hart om te onderstrepen dat deze nieuwe normen op geen enkele wijze uw autoriteit en verantwoordelijkheid verminderen, voor de liturgie noch voor de pastorale zorg van uw gelovigen. Elke bisschop immers is de moderator van de liturgie in zijn eigen bisdom Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 22. "Sacrae Liturgiae moderatio ab Ecclesiae auctoritate unice pendet quae quidem est apud Apostolicam Sedem et, ad normam iuris, apud Episcopum".

Er wordt dus niets weggenomen van de autoriteit van de bisschop wiens rol blijft ervoor te waken dat alles gedaan wordt in vrede en sereniteit. Indien er een probleem ontstaat dat de priester van de parochie niet kan oplossen, kan de plaatselijke Ordinarius altijd tussen beide komen, echter in volledige harmonie met wat vastgelegd is door de nieuwe normen van het Motu Proprio.

Bovendien, beminde medebroeders, nodig ik u uit om een relaas van uw ervaringen te richten aan de Heilige Stoel, drie jaren na het van kracht worden van dit Motu Proprio. Indien er werkelijk ernstige moeilijkheden aan het licht zouden komen, kan er gezocht worden naar wegen om dit te herstellen.
Dierbare broeders, dankbaar en vertrouwvol, vertrouw ik aan uw harten van herders deze tekst en de normen van het Motu Proprio toe. Laten we steeds in gedachtenis houden de woorden die de apostel Paulus aan de presbyters van Efeze richtte: “Geef acht op uzelf en op heel de kudde, waarover de heilige Geest u tot leiders heeft aangesteld om Gods Kerk te hoeden, die Hij zich verwierf door het bloed van zijn eigen Zoon.” (Hand. 20, 38).

Ik vertrouw deze normen toe aan de machtige voorspraak van Maria, Moeder van de Kerk, en ik verleen mijn Apostolische Zegen aan u, dierbare medebroeders, aan de parochies van uw bisdommen en aan alle priesters, uw medewerkers, alsook aan al uw gelovigen.

Gegeven te Sint-Pieter, 7 juli 2007.

Document

Naam: AAN DE BISSCHOPPEN TER GELEGENHEID VAN DE APOSTOLISCHE BRIEF "MOTU PROPRIODATA" SUMMORUM PONTIFICUM OVER HET GEBRUIK VAN DE ROMEINSE LITURGIE VOORAFGAAND AAN DE HERVORMING VAN 1970
Soort: Paus Benedictus XVI - Brief
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 7 juli 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
Herziene niet-officiële (werk)vertaling vanuit het Italiaans en cursivering: J. Vijgen, nummering en tussentitels van de redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam