• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De laatste gebeurtenis van dit jaar, waar ik bij deze gelegenheid bij wil stilstaan, is het feit dat veertig jaar geleden van het Tweede Vaticaans Concilie. Deze gebeurtenis laat vragen opkomen zolas: Welk resultaat had het Concilie? Is het op een goede manier ontvangen? Wat was aan de ontvangst goed, wat was twijfelachtig en wat verkeerd? Wat moet er nog gedaan worden?

Niemand kan ontkennen dat in veel delen van de Kerk de ontvangst van het Concilie moeilijk is geweest, ook niet wanneer men op datgene, wat in deze jaren gebeurd is, niet de beschrijvingen wil leggen van de situatie van de kerk na het Concilies van Nicea, zoals de grote Kerkvader Basilius ons gegeven heeft. Hij vergelijkt de situatie met die van een slachtveld in een stormachtige nacht en zegt daarvan onder andere: "Het geweldige geschreeuw van degenen die zich elkaar bestrijden, het onverstandige gezwets, het schrille geluid van de aanhoudende alarmbellen, al datgene heeft bijna de gehele Kerk vervuld en met weglatingen of toevoegingen de juiste leer van de Kerk vervalst..." H. Basilius van Caesarea, Liber de Spiritu Sancto. XXX, 77; PG 32, 213 A; SCh 17bis, pag. 524

Wij willen dit dramatische beeld niet direct op de na-Concilaire periode toepassen, maar iets, van wat er gebeurd is, komt daarin wel tot uitdrukking. De vraag komt op, waarom de ontvangst van het Concilie in een groot deel van de Kerk zo moeilijk is geweest. Uiteindelijk hangt alles af van een correctie uitleg van het Concilie of - zoals we zouden zeggen - van een correcte hermeneutiek, van een juiste duiden en toepassing. Het probleem van de ontvangst komt voort uit het feit dat twee tegengestelde hermenutieken met elkaar geconfronteerd werden en strijdig zijn aan elkaar. De heeft verwarring gesticht, de andere heeft vrucht gedragen, wat in stilte gebeurde, maar wel steeds duidelijker zichtbaar werd en draagt nog steeds vrucht. Aan de ene kant is er een uitleg, die ik de "hermeneutiek van de discontinuïteit en van de breuk" wil noemen. Deze heeft niet zelden de medewerking van de massamedia en ook een deel van de modernde theologie heeft hier gebruik van gemaakt. Aan de andere kant is er de "hermeneutiek van de hervorming", die een vernieuwing van het ene subject Kerk, die de Heer ons geschonken heeft, doorvoert in een blijvende continuïteit. De Kerk is een subject dat met de tijd meegroeit en zich verder ontwikkelt, daarbij steeds zich zelf blijft, het Volk Gods als een subject op zijn weg. De hermeneutiek van de discontinuïteit heeft het risico een breuk tussen de voor-Concilaire en de na-Concilaire Kerk. Haar vertegenwoordigers stellen, dat de Concilieteksten op zich niet werkelijk de geest van het Concilie tot uitdrukking brengen. Zij zijn een resultaat van compromissen, die gesloten werden om de eenheid te herstellen, waarbij vele oude en intussen nutteloze zaken meegesleept werden en weer opnieuw bevestigd moesten worden. In deze compromissen komt echter niet de ware geest van het Concilie tevoorschijn, maar in het elan voor het nieuwe, dat in de teksten vervat ligt. Alleen in dit nieuwe elan ligt de ware geest van het Concilie en hier moet men op aansluiten en op die manier voortgaan. Alleen omdat de teksten de ware geest van het Concilie en zijn nieuwheid slechts onvolledig tot uitdrukking brengen, zou het noodzakelijk zijn moedig aan deze teksten voorbij te gaan en nieuwe ruimtes te zoeken, die de diepere, maar ook niet scherp omschreven doelstellingen van het Concilie tot uitdrukking brengen. Met één woord, men moet niet de Concilieteksten, maar haar geest volgen.

Door deze omstandigheden ontstaat natuurlijk een groot speelveld voor de vragen, hoe deze geest te omschrijven is en als gevog daarvan is er ruimte voor speculatie. Daardoor is er al van het begin een verkeerd begrip van wat het wezen van wat een Concilie is. Het wordt zo tot een soort grondwetgevende vergadering beschouwd die een oude grondwet buiten werking kan stellen en een nieuwe daarvoor in de plaats stelt. Een grondwetgevende vergadering heeft echter een opdrachtgever en moet door deze opdrachtgever, het volk dus,waarvoor de grondwet dient, geratificeerd worden. Maar de Concilievaders hadden echter niet een dergelijke opdracht en niemand heeft ooit hen deze opdracht gegeven. Er kon ook niemand hun die geven, omdat de eigenlijke kerkelijke grondwet van de Heer komt, en zij is ons gegeven geworden, opdat wij het eeuwige leven zouden bereiken en uit dit perspectief ook het leven in de tijd en de tijd zelf verlichtend. De Bisschoppen zijn door het Sacrament, dat ze ontvangen hebben, bewaarders van de gaven van de Heer. Zij zijn "beheerders van het geheim van de Heer" (1 Kor. 4, 1); als zodanig moeten zij "trouw en verstandig" Vgl. Lc. 12, 41-48 bevonden worden. Dit betekent, dat zij de gaven van de Heer op een juiste manier moeten beheren, opdat het niet in het verborgene blijft, maar vrucht draagt en de Heer aan het einde tot de beheerders kan zeggen: "Omdat gij trouw zijt geweest met het kleinste zal ik u een grotere opgave geven" Vgl. Mt. 25, 14-30 Vgl. Lc. 19, 11-27 . In deze Bijbelse gelijkenis wordt de dynamiek van de trouw beschreven, die voor de dienst van de Heer van belang is, en hierin wordt duidelijk, hoe in een Concilie de dynamiek en de trouw één moeten zijn.

De hermeneutiek van de discontinuïteit staat tegenover de hermeneutiek van de hervorming, waarover allereerst Paus Johannes XXIII in zijn toespraak bij de H. Paus Johannes XXIII - Toespraak
Gaudet Mater Ecclesia
Openingstoespraak Tweede Vaticaans Concilie
(11 oktober 1962)
op 11 oktober 1962 sprak en daarna Paus Paulus VI in de H. Paus Paulus VI - Homilie
Hodie Concilium Oecumenicum
Homilie bij de laatste algemene zitting van het Tweede Vaticaans Concilie
(7 december 1965)
op 7 december 1965. Ik wil hier de welbekende woorden van Johannes XXIII citeren, die deze hermeneutiek op niet mis te verstane wijze tot uitdrukking heeft gebracht wanneer hij zegt dat het Concilie: "Wij hebben echter niet alleen de plicht deze kostbare schat te bewaren, alsof wij ons alleen met het verleden bezighouden, maar wij moeten ons thans moedig en zonder vrees aan het werk zetten, dat door onze tijd wordt vereist, door verder te gaan op de weg, die de Kerk bijna twintig eeuwen gegaan is. ... men moet deze veilige en onveranderlijke leer, waaraan men een trouwe onderdanigheid dient te bewijzen, op zo'n manier onderzoeken en verklaren, dat zij aan onze tijd wordt aangepast. De substantie zelf van het Geloof of de waarheden van onze eerbiedwaardige leer dienen onderscheiden te worden van de wijze waarop zij geformuleerd worden, waarbij men echter dezelfde zin en betekenis moet behouden." H. Paus Johannes XXIII, Toespraak, Openingstoespraak Tweede Vaticaans Concilie, Gaudet Mater Ecclesia (11 okt 1962), 28.30. Het is duidelijk, dat de poging een bepaalde waarheid opnieuw te formuleren, het noodzakelijk maakt er opnieuw over na te denken en in een nieuwe, levendige betrekking tot haar te gaan staan. Maar het is eveneens duidelijk dat het nieuwe woord alleen dan kan volgroeien wanneer het voortkomt uit een bewust begrip van de daarin vervatte waarheid en dat de reflectie over het geloof anderzijds het noodzakelijk maakt dat men dit geloof ook beleeft. In deze zin was het programma, dat Paus Johannes XXIII meegegeven had, zeer verplichtend, als ook de verbinding van trouw en dynamiek zeer verplichtend is. Maar overal waar de ontvangst van het Concilie op deze uitleg zich georiënteerd heeft, is nieuw leven ontstaan en zijn nieuwe vruchten tot wasdom gekomen. Veertig jaar na het Concilie kunnen we vaststellen dat haar positieve gevolgen groter en levenskrachtiger zijn, als dat men ten tijde van de onrust van 1968 gedacht heeft. Heden zien wij, dat het goede zaad, ook wanneer het zich langzaam heeft ontwikkeld, toch groeit en zo groeit ook onze diepe dankbaarheid voor het werk dat het Concilie volbracht heeft.
Paulus VI heeft vervolgens in de H. Paus Paulus VI - Homilie
Hodie Concilium Oecumenicum
Homilie bij de laatste algemene zitting van het Tweede Vaticaans Concilie
(7 december 1965)
nog een speciale reden genoemd, waarom de hermeneutiek van de discontinuïteit overtuigend lijkt te zijn. In de grote controverses om de mens, die karakteristiek zijn voor het moderne leven, moest het Concilie zich in het bijzonder wijden aan het thema van de antropologie. Het moest gaan over de verhouding tussen de Kerk en haar geloof aan de ene kant en de mens en de huidige wereld aan de andere kant. Vgl. H. Paus Paulus VI, Homilie, Homilie bij de laatste algemene zitting van het Tweede Vaticaans Concilie, Hodie Concilium Oecumenicum (7 dec 1965), 1 Het probleem wordt nog duidelijker wanneer we in plaats van de term "huidige wereld" een ander, meer treffende uitdrukking kiezen: het Concilie moest de verhouding tussen Kerk en het moderne leven nieuw aangeven. Deze verhouding heeft een zeer problematisch begin gehad met het proces tegen Galileï. Vervolgens was het volledig gebroken, toen Kant het "Religion innerhalb der Grenzen der blossen Vernuft" - "Religie binnen de grenzen van gewone verstand" beschreef en ten tijde van de radicale fase van de Franse revolutie een overheid- en mensbeeld verspreid werd, waarbij de Kerk en het geloof feitelijk geen ruimte meer gegeven werd. Het conflict tussen het geloof van de Kerk met een radicaal liberalisme en ook met natuurwetenschappen, die zich aanmatigen met hun kennis de gehele werkelijkheid tot aan haar einde te beschrijven en zich vast had voorgenomen de "hypothese God" overbodig te maken, heeft in de 19e eeuw van de kant van de Kerk onder Pius IX tot harde en radicale veroordelingen geleid tegen zo'n geest van modern leven. Het leek erop dat er geen gebied meer was die open zou kunnen staan voor een positief en vruchtbaar begrip en deze werd door diegenen, die zich als vertegenwoordiger van het moderne leven voelden, ook drastisch afgewezen. In de tussentijd heeft ook het modernisme een ontwikkeling doorgemaakt. Het valt op dat de Amerikaanse revolutie een modern staatsbestel bood, dat anders was dan hetgeen, door de radicale tendensen vanuit de tweede fase van de Franse revolutie, naar voren was gekomen en ontworpen was. De natuurwetenschappen zijn begonnen steeds meer na te denken over de eigen grenzen, die door hun eigen methodes werden opgelegd, die, hoewel ook grote dingen zijn voortgebracht, toch niet in staat waren om de gehele werkelijkheid te omvatten. Zo begonnen beide zijden steeds meer openheid naar elkaar toe te tonen. In de tijd tussen de beide Wereldoorlogen en eens temeer na de Tweede Wereldoorlog hebben Katholieke staatsmannen bewezen dat er een seculiere staat kan bestaan die echter niet waardeneutraal is, maar die zijn leven uit de grote bron van de Christelijke ethiek haalt. De Katholieke sociale leer, die zich steeds meer ontwikkeld heeft, werd tot een belangrijk model naast het radicale liberalisme en de marxistische staatstheorie. De natuurwetenschappen, die zondermeer een eigen methode aanmatigden, waartoe God geen toegang had, merkte steeds duidelijker, dat deze methode niet de volle werkelijkheid omvatte en opende daarom de deuren weer voor God, omdat zij wisten dat de werkelijkheid groter is dan de natuurwetenschappelijke methode en datgene wat ermee beschreven kan worden.

Men kan zeggen dat zich drie probleemgebieden gevormd hebben, die nu, ten tijde van het Tweede Vaticaans Concilie, op een antwoord wachtten.

  • Vooral was het noodzakelijk de verhouding tussen geloof en moderne wetenschappen nieuw aan te geven. Dit gold overigens niet alleen de natuurwetenschappen, maar ook de historische wetenschappen, omdat in een bepaalde school vertegenwoordigers zaten van de historisch-kritische methode als ultieme wijze om de Bijbel uit te leggen en die - omdat zij ervan uitgaan dat zij de enige manier van Schriftuitleg menen te bezitten - op belangrijke punten de uitleg, die ontstaan is in het geloof en de Kerk, tegen spreken.
  • Ten tweede moest de verhouding opnieuw bepaald worden tussen de Kerk en de moderne staat. Een staat waarvan de burgers behoren tot diverse religies en ideologieën, tegenover deze religies onpartijdig moet zijn en die eenvoudigweg alleen de verantwoordelijkheid heeft overgenomen om een geordend en tolerant samenleven van burgers mogelijk te maken en de vrijheid om de eigen religie te mogen uitoefenen.
  • Daarmee is, ten derde, zeer algemeen het probleem van de religieuze tolerantie verbonden - en daarvoor was het nodig een nieuwe plaatsbepaling te geven van de verhouding van het Christelijk geloven met de wereldreligies. Vanwege de jongste misdaden, die onder het nationaal-socialistische bewind waren gebeurd, en zonder meer terugkijkend op een lange en moeilijke geschiedenis, moest in het bijzonder de verhouding tussen de Kerk en het geloof van Israël opnieuw beoordeeld en bepaald worden.

Document

Naam: EXPERGISCERE HOMO - TOT DE ROMEINSE CURIE BIJ GELEGENHEID VAN HET UITWISSELEN VAN DE KERSTWENSEN 2005
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 22 december 2005
Copyrights: © 2005, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk / Positief, uitg. Thomas More Genootschap, Vklaanderen
Vert.: redactie / Poistief
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam