• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
In den ritus van de voltrekking en toediening van ieder sacrament maakt men terecht onderscheid tussen het ceremoniële gedeelte en het wezenlijke gedeelte, dat gewoonlijk de stof en de vorm genoemd wordt. Allen weten verder, dat de Sacramenten der Nieuwe Wet, als zijnde zinnelijk waarneembare tekenen, die onzichtbare genade uitwerken, van de ene kant de genade, die zij uitwerken, moeten beduiden, en van de andere kant de genade, die zij beduiden, moeten uitwerken. Deze betekenis moet weliswaar in den gehele wezenlijke ritus, dus in stof en vorm, gelegen zijn, maar behoort toch voornamelijk tot de vorm; immers, de stof is het gedeelte dat uit zich niet bepaald is, maar dat door de vorm bepaald wordt. Dit onderscheid komt bij het Sacrament van het priesterschap bijzonder helder uit. Immers, de stof, voor zover deze hier ter sprake komt, is de handoplegging. Deze handoplegging heeft uit zich geen bepaalde betekenis, en men gebruikt ze evenzeer bij sommige wijdingen als bij het Vormsel.
Welnu, de woorden, die tot op de laatste tijd toe door de anglicanen over het algemeen voor de eigenlijke vorm der priesterwijding worden gehouden, nl. "Ontvang de Heilige Geest" geven volstrekt niet bepaald de rang aan van het priesterschap of de genade daarvan met de daaraan verbonden macht, die vóór alles de macht is "om het waarachtige lichaam en het waarachtige bloed des Heeren te consacreren en te offeren" Concilie van Trente, 23e Zitting - Leer over de heilige Wijding, Sessio XXIII - Doctrina de sacramento ordinis (15 juli 1563), 9 in een offerande, die niet is "een blote gedachtenis van het offer dat op het kruis volbracht werd." Concilie van Trente, 22e Zitting - Over het allerheiligst Misoffer, Sessio XXII - Doctrina de sanctissimo Missae sacrificio (17 sept 1562), 16
Het is waar: die vorm is later aangevuld door de woorden: "tot het ambt en de bediening van priester." Maar dit is veeleer een bewijs, dat de anglicanen zelf die eerste vorm als gebrekkig en ongeschikt voor zijn effect hebben erkend. Wat verder die toevoeging betreft: zelfs in de veronderstelling, dat zij de vereiste betekenis aan de vorm kon geven, is zij in ieder geval te laat ingevoerd. Er was immers reeds een eeuw voorbij sinds de aanvaarding van het ordinale van koning Eduard, toen er derhalve, tengevolge van het uitsterven der hiërarchie, in het geheel geen wijdingsmacht meer bestond.
Hetzelfde geldt voor de bisschopswijding. Immers de woorden: "tot het ambt en de bediening van bisschop" zijn niet alleen te laat toegevoegd aan de formule "Ontvang de Heilige Geest", maar bovendien moeten die woorden, zoals wij aanstonds zullen zeggen, heel anders beoordeeld worden dan in den katholieken ritus.
Het baat niets, er het prefatiegebed "Almachtige God enz." bij te halen, want ook daar heeft men insgelijks de woorden, die het hogepriesterschap aanwijzen, weggelaten.
Het heeft geen doel hier te gaan onderzoeken, of het episcopaat de voltooiing van het priesterschap is, of een daarvan onderscheiden orde. Eveneens heeft het geen nut na te gaan, of het episcopaat, sprongsgewijze toegediend, d.i. aan iemand die geen priester is, zijn uitwerking al dan niet heeft. Maar dit staat buiten allen twijfel: volgens de instelling van Christus maakt het zeker in volle werkelijkheid deel uit van het sacrament der wijding, en is het het priesterschap in den hoogste graad. Het wordt immers zowel door de stem der heilige Vaders als in het rituele gebruik der Kerk "het opperste priesterschap", "het toppunt van de heilige bediening" genoemd. Hieruit volgt: wijl het Sacrament van het priesterschap en het ware priesterschap van Christus uit de anglicaanse ritus geheel is verbannen, en derhalve bij de bisschopswijding volgens dien ritus hoegenaamd geen priesterschap wordt toegediend, kan evenmin een werkelijk en wettig episcopaat worden toegediend, te meer nog om deze reden, omdat tot de voornaamste bedieningen van het episcopaat juist deze behoort: bedienaren te wijden voor de H. Eucharistie en het heilig offer.
Om echter het anglicaanse ordinale ten volle en op de juiste waarde te schatten, bestaat er, behalve de boven aangehaalde, door bepaalde passages er van toegelichte punten, zeker geen beter middel dan een nauwkeurige beschouwing van de omstandigheden, waaronder het is opgesteld en van staatswege ingevoerd. Het zou te lang zijn alles punt voor punt na te gaan, en dat is ook niet nodig. Immers, de geschiedenis van dien tijd getuigt welsprekend genoeg er voor, welke geest de samenstellers er van tegenover de katholieke Kerk bezielde, welke medewerkers uit onrechtzinnige sekten zij te hulp riepen en welk het doel van hun arbeid was. Zij kenden nl. maar al te goed de verhouding tussen geloof en eredienst, tussen de regel des geloofs en de regel des gebeds. Vandaar dat zij, onder voorwendsel de liturgie in haar oude vorm te herstellen, haar op vele wijzen verbasterd hebben in de zin van de dwalingen der hervormers. Daarom is er dan ook in heel het ordinale niet alleen geen enkele uitdrukkelijke vermelding van offer, van consecratie, van priesterschap en van de macht om te consacreren of te offeren te vinden, maar zelfs zijn alle sporen daarvan, welke nog over waren in die gebeden van den katholieken ritus, die men niet geheel verworpen had, met opzet totaal daaruit verwijderd, zoals wij boven hebben aangestipt.
Hieruit blijkt vanzelf het karakter of zoals men zegt de geest, dien het ordinale van den aanvang af gehad heeft. Welnu, door deze van de aanvang af aanklevende fout was dat ordinale volstrekt ondeugdelijk voor de toediening der wijdingen. Maar dan kon het met verloop van tijd ook onmogelijk deugdelijk daarvoor worden, want het bleef wat het was. De pogingen, die van de tijd van Karel I af gedaan zijn om iets wat op offer en priesterschap leek aan te nemen met de later aan het ordinale aangebrachte toevoegsels waren dus vergeefse pogingen. Even vergeefs is de poging van een niet zo grote groep anglicanen, die zich in nieuwere tijd gevormd heeft, en die meent, dat het ordinale in een gezonde en juiste zin kan worden uitgelegd. Die pogingen, zeggen wij, waren en blijven vruchteloos, ook nog om deze reden: alleen en enige uitdrukkingen in het anglicaanse ordinale, zoals dat nu is, zich voor een dubbele verklaring, toch kunnen ze onmogelijk dezelfde zin aannemen als in de katholieke ritus. Men heeft nu eenmaal de ritus veranderd, zoals wij zagen, en wel zó dat het Sacrament van het priesterschap er door ontkend of althans verbasterd werd, en dat ieder begrip van consecratie en offer er uit gestoten werd. Welnu, daarmee heeft de formule "Ontvang de Heilige Geest", de Geest, die nl. met de genade van het Sacrament in de ziel wordt ingestort, geen vaststaande zin meer. Evenzo hebben de woorden "tot het ambt en de bediening van priester", respectievelijk "van bisschop" en dergelijke geen vaststaande zin meer. Het blijven woorden, zonder de zaak die Christus heeft ingesteld.
Bij dit innerlijke gebrek aan vorm voegt zich dus het gebrek aan de intentie, welke door het Sacrament voor zijn bestaan met even grote noodzakelijkheid wordt vereist.
Over de mening en de intentie, als zijnde op zich iets inwendigs, oordeelt de Kerk niet. Maar, voor zover zij zich naar buiten openbaart, moet de Kerk er wel over oordelen. Zo dikwijls iemand nu voor het voltrekken en toedienen van een Sacrament de vereiste stof en vorm ernstig en volgens de ritus heeft aangewend, wordt hij daardoor alleen reeds geacht de intentie gehad te hebben om te doen wat de Kerk doet. Op dit beginsel steunt ook de leer volgens welke zelfs een Sacrament, dat door een ketter of een ongedoopte wordt toegediend een waar Sacrament is, mits het toegediend worde volgens den katholieken ritus. Maar omgekeerd, als de ritus wordt gewijzigd met de klaarblijkelijke bedoeling, een andere, door de Kerk niet aanvaarde, in te voeren en met de bedoeling te verwerpen wat de Kerk doet en wat krachtens de instelling door Christus tot het wezen van het Sacrament behoort, dan is het zonneklaar, dat niet slechts de voor het Sacrament nodige intentie ontbreekt, maar dat er zelfs een intentie is, die tegen het Sacrament ingaat en er mee strijdt.

Document

Naam: APOSTOLICAE CURAE ET CARITATIS
Over de geldigheid van Anglicaanse wijdingen
Soort: Paus Leo XIII - Apostolische Brief
Auteur: Paus Leo XIII
Datum: 13 september 1896
Copyrights: © 1950, Eccelsia Docens, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum 0177
Vert.: F.A.J. van Nimwegen C.ss.R.
Bewerkt: 29 augustus 2016

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam