• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Wij weten zeer goed, Eerbiedwaardige Broeders, dat al deze pogingen verijdeld zullen worden, daar het ongetwijfeld zover komen zal, dat op de door Hem bepaalde dag „God zal oprijzen en Zijn vijanden verstrooid zullen worden" (Ps. 67, 8); Wij weten, dat de poorten der hel nooit zullen overwinnen" (Mt. 16, 18); Wij weten, dat Christus voorzegd heeft: dat Hij „de aarde met de roede van Zijn woord" zal tuchtigen en „met de adem van Zijn mond" den boze doden (Jes. 11, 4); en dat zonder twijfel voor deze rampzaligen het vreselijk uur zal komen, dat zij zullen vallen in de handen van den levenden God" (Hebr. 10, 31).
Eensgezinde waakzaamheid nodig
In deze onwankelbare hoop op de eindoverwinning van God en van de Kerk worden Wij dagelijks versterkt (hoe oneindig is Gods goedheid!) door de edele vurigheid van ontelbare zielen, die zich geheel naar God toekeren, gelijk Wij bij alle volken en in iedere samenleving mogen constateren. Inderdaad uit zich thans in alle landen een krachtige werking van den H. Geest, die vooral de jeugd aanzet om de hogere idealen van de christelijke levenswet na te streven, haar verheffend boven het menselijk opzicht en haar bezielend tot iedere, zelfs de meest heldhaftige daad; ja, een goddelijke genadestoot, zeggen Wij, schudt alle zielen wakker, zelfs de onwillige en daar zij een diepe bekommernis in hen gaande maakt, verwekt zij zelfs een dorst naar God bij hen, die zich deze dorst niet durven bekennen.

Ook aan Onze oproep tot de leken om in het verband van de Katholieke Actie deelgenoot te worden van het hiërarchisch Apostolaat, hebben overal ter wereld zeer vele volgzame en edelmoedige zielen gehoor gegeven; zowel in steden als in dorpen groeit het getal van hen met de dag aan, die, terwijl zij al hun krachten inspannen ter verdediging der christelijke wetten en haar naleving in het openbaar, de waarheid van hun woorden door een onbesproken gedrag trachten te bevestigen.

Bij het zien van zo grote goddeloosheid, van zo grote versmading van de heiligste gebruiken, zo grote verachting van de goddelijke Majesteit, kunnen Wij Ons, Eerbiedwaardige Broeders, niet onthouden, uiting te geven aan de grievende smart, die Wij gevoelen en, — de stem van Ons apostolisch hart verheffend, — de vertreden goddelijke rechten en de heiligste gevoelens van het mensenhart, dat zo hunkert naar God, te verdedigen. Dit des te meer, daar deze, met een duivelse geest bezielde strijdscharen, niet alleen door groot misbaar, doch ook met vereende krachten hun plannen zo spoedig mogelijk trachten te verwezenlijken. Wee het menselijk geslacht, als God, zo zeer door Zijn schepselen gesmaad, aan deze beukende golfslag zijn verwoestende kracht zou laten en ze als gesels zou gebruiken om de wereld te tuchtigen.

Het gewicht van de strijd
Zo is het dus noodzakelijk, Eerbiedwaardige Broeders, „dat wij onvermoeid een muur voor Israël optrekken" (Ez. 13, 5) door ook zelf al onze krachten in één aaneengesloten front te verenigen tegen de goddeloze legerscharen, die aan God evenzeer vijandig zijn als aan de menselijke vrijheid.

In deze strijd toch wordt beslist over de belangrijkste levensvraag, die aan onze menselijke vrije wil kan gesteld worden: voor of tegen God. Ziedaar wederom een vraagstuk, waarvan het lot der gehele wereld afhangt; want bij alles, bij politiek en economie, bij moraal, wetenschap en kunst, in het staatsbestuur en bij de huiselijke en burgerlijke samenleving, in Oost en West, overal doet zich de vraag voor, waarvan de consequenties van het grootste gewicht zijn. Dientengevolge worden zelfs de leiders van hen, die maar steeds met hun materialistische wereldbeschouwing komen aandragen en er zich op beroemen als zeker bewezen te hebben, dat er geen God is, toch gedwongen telkens opnieuw over God te redetwisten, Dien zij reeds op zij geschoven waanden.

Derhalve smeken Wij in den Heer, zowel alle mensen afzonderlijk alsook de Staten, om, waar zulke belangrijke levensvragen op het spel staan, waar voor het behoud van het mensdom zulke geweldige beslissingen aanstaande zijn, die minderwaardige gemakzucht en ongeregelde eigenliefde af te leggen, die de scherpste geesten zelfs afstompt en alle voornemens, zelfs de alleredelste, te niet doet, zo gauw deze ook maar enigszins de enge grenzen van het egoïsme willen overschrijden. O, mochten allen zich toch verenigen, ook al kost dit zware offers, om zich zelf en de mensheid te redden. Bij zulk een samengaan van alle feesten en krachten, dienen zij vooral de eerste plaats in te nemen, die zich op de naam van christen mogen beroemen, gedachtig het heerlijk voorbeeld uit de tijd der Apostelen, toen alle gelovigen één van hart en één van zin waren Vgl. Hand. 4, 32 ; doch ook de anderen, in zo verre zij een God erkennen en Hem eerlijk en oprecht vereren, moeten zich inspannen om het ontzettend gevaar, dat allen bedreigt, van het mensdom af te weren. Daar iedere menselijke autoriteit noodzakelijk moet steunen op de erkenning van God als hechte grondslag van iedere burgerlijke samenleving, dienen zij, die niet de ontwrichting en ontbinding van alle wetten en normen wensen, er met ijver naar te streven, dat de vijanden van alle religie hun hartstochtelijk en openlijk verkondigde plannen niet kunnen verwezenlijken.
Middelen tot herstel
Wij weten, Eerbiedwaardige Broeders, dat wij in deze strijd om de altaren ook alle menselijk geoorloofde wapenen, die ons ten dienste staan, moeten gebruiken. Daarom zijn Wij, op het voetspoor van Onze roemrijke voorganger Leo XIII z.g. in Onze Encycliek „Paus Pius XI - Encycliek
Quadragesimo Anno
Over de aanpassing van de sociale orde
(15 mei 1931)
" voor een meer billijke verdeling van de aardse goederen zo nadrukkelijk opgekomen; Wij gaven daarin aan, wat op de meest afdoende wijze aan de gehele menselijke samenleving gezondheid en bloei, en aan de werkende stand rust en vrede kan terugschenken. Daar immers door den Schepper aller dingen in de zielen van de stervelingen een zeer sterk verlangen is gelegd om reeds op aarde een eerzaam geluk te verwerven, heeft de christelijke zedenwet altijd de rechtmatige pogingen om de ware wetenschap te bevorderen en den mens voortdurend langs het rechte pad naar verdere ontwikkeling op te voeren, gewaardeerd en met alle kracht gestimuleerd.
Het gebed
Daar echter, Eerbiedwaardige Broeders, tegen deze waarlijk satanische godsdiensthaat, die ons het bekende „mysterie van boosheid" (2 Tess. 2, 7) van Sint Paulus voor de geest roept, alleen menselijke hulp en menselijke wijsheid niet voldoende zijn, menen Wij in Ons apostolisch ministerie te kort te schieten, als Wij zouden nalaten, den mens de wonderlijke geheimen van het licht te tonen, welke alleen die kracht verbergen en in zich besloten houden om de ongebreidelde machten der duisternis te overwinnen.

Toen immers Jezus, Onze Heer, na Zijn terugkeer van de verheerlijking op de Thabor, een knaap, door den duivel gekweld, genezen had, gaf Hij Zijn leerlingen, die hem niet konden helpen, op hun nederig vragen: „Waarom hebben wij den duivel niet kunnen uitdrijven?", dit waarlijk merkwaardige antwoord: „Dit soort wordt niet uitgedreven dan door gebed en vasten" (Mt. 17, 18-20). Deze goddelijke vermaning, Eerbiedwaardige Broeders, achten Wij ook volkomen van toepassing juist op de kwalen van onze tijd, daar ook deze immers niet anders dan „door bidden en vasten" genezen kunnen worden.

Laten wij dus, de beperktheid van onze natuur indachtig en in de vrome overtuiging, dat wij volstrekt afhankelijk zijn van den Bestuurder aller dingen, vooral onze toevlucht nemen tot het gebed. Uit het geloof weten wij, hoe groot de kracht is van een nederig, vertrouvol en volhardend gebed; want aan geen ander goed werk heeft de almachtige God ooit zulke rijke, zulke algemene, zulke plechtige beloften willen verbinden als aan het gebed: „Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden opengedaan; want wie bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en hem, die klopt, wordt opengedaan" (Mt. 7, 7-8). „Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, als gij den Vader in Mijn naam iets vraagt, het zal u gegeven worden" (Joh. 16, 23).
Wat kunnen wij nu in ons gebed waardiger en geschikter den aanbiddelijken Persoon van Hem, die de enige „Middelaar is tussen God en de mensen, den mens Jezus Christus, vragen, dan dat het geloof in den énen levenden en waren God niet van de aarde weggevaagd worde? Een dergelijke wijze van bidden draagt reeds ten dele in zichzelf haar vervulling; want waar iemand bidt, daar stelt hij zich in verbinding met God en houdt alleen reeds door deze daad de herinnering aan God op aarde levendig. En inderdaad, de biddende mens betuigt reeds door zijn deemoedige lichaamshouding zijn geloof in den Schepper en Heer van alles; zovaak hij dit echter niet afzonderlijk doet, maar tezamen met anderen, erkent hij daardoor den allerhoogsten en allermachtigsten Heer, die niet slechts heerst over de individuen, maar ook over de gehele menselijke samenleving.
Welk een heerlijk schouwspel biedt de biddende Kerk aan hemel en aarde, wanneer onafgebroken dag en nacht de psalmen, onder goddelijke inspiratie geschreven, op aarde weerklinken; er is geen uur van de dag, dat niet geheiligd is door een eigen liturgie; geen tijd in het menselijke leven, die niet zijn eigen plaats heeft in de dankzeggingen, lofprijzingen, gebeden en zoenoffers van de allen omvattende smeking van Christus' Mystiek Lichaam, de Kerk. En zo doet het gebed God bij de mensen tegenwoordig zijn, zoals onze goddelijke Verlosser het zelf beloofd heeft: „Waar twee of drie in Mijn naam vergaderd zijn, daar ben Ik in hun midden" (Mt. 18, 20).
Bovendien zal de oorzaak zelf der ellende, waarover Wij boven hebben gesproken, door de ijver voor het gebed worden weggenomen, n.l. de onverzadelijke begeerte naar tijdelijke goederen. Want wie bidt, ziet naar omhoog, naar de hemelse goederen, waarmede zijn geest zich bezighoudt en waarnaar hij vurig verlangt; hij gaat geheel "op in de beschouwing van die wonderbare orde, door God ingesteld, waar in het geheel geen streven is naar ijdele glorie, geen ijdele wedijver naar een voortdurend opdrijven van het arbeidstempo. En zo zal als van zelf die juiste verhouding tussen werken èn rusten terugkeren, welke in de huidige samenleving tot groot nadeel van heel het fysieke, economische en morele leven totaal verloren is gegaan. Want als zij, die door overproductie van goederen tot werkeloosheid en armoede vervallen zijn, de verschuldigde tijd aan het gebed wilden wijden, dan zouden in korte tijd én arbeid én goederenproductie binnen redelijke grenzen gebracht worden. Eveneens zou de strijd, die het menselijk geslacht nu in twee reusachtige kampen verdeelt, strijdend voor vergankelijke goederen, veranderen in een edele en vredelievende wedloop om de hemelse en eeuwige goederen te verkrijgen.
Op dezelfde wijze zou ook de weg gebaand worden tot de zo zeer begeerde vrede, zoals de H. Paulus zo treffend zegt, wanneer hij aan zijn voorschrift om te bidden een heilig verlangen naar de vrede; en het heil van alle mensen toevoegt: „Voor alles dring ik er dus op aan, dat er gebeden, smekingen, voorbeden en dankzeggingen worden opgedragen voor alle mensen, voor koningen ook en voor alle-overheden, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle vroomheid en eerbaarheid. Dit immers is goed en welgevallig aan God, onze Zaligmaker, die wil, dat alle mensen zalig worden en tot de kennis der waarheid geraken" (1 Tim. 2, 1-4).

Voor allen moeten wij om vrede smeken, doch bijzonder voor hen, op wie de zeer zware taak van besturen rust. Want hoe kunnen zij hun volken de vrede brengen, wanneer zij zelf deze niet bezitten? Juist het gebed moet, gelijk de Apostel leert, de kostbare gave van de vrede schenken; het gebed, dat tot den Vader in de hemel, den Vader van alle mensen, gericht wordt; het gebed, dat de gemeenschappelijke gevoelens van die grote familie tot uiting brengt, welke door geen grenspalen van welk volk of rijk ook wordt beperkt.

Zij, die in welk staatsbestel ook dezelfden God bidden, dat het vrede moge zijn op aarde, brengen nooit de fakkel der verdeeldheid onder de volken. Mensen, die door hun gebed de goddelijke Majesteit eren, wekken bij hun volk niet de heerszucht op en voeden niet die ongeregelde vaderlandsliefde, waardoor ieder volk zijn eigen staat tot een god maakt. Zij ten slotte, die op den „God van vrede en liefde" (2 Kor. 13, 11) onafgebroken hun blik gericht houden en Hem door Christus, die „onze Vrede" (Ef. 2, 14) is, biddend naderen, zij voorwaar rusten niet, vooraleer die vrede, welke de wereld niet geven kan, door den Gever van alle goed eindelijk eens toekome aan „de mensen van goede wil" (Lc. 2, 14).
De heerlijke aankondiging der Paasvreugde, de groet „Vrede zij u" (Joh. 20, 26), waarmede Christus de Apostelen heeft toegesproken, en welke sindsdien herhaaldelijk in de heilige liturgie van de Kerk weerklinkt,x deze zelfde groet dient zo ooit dan zeker in onze tijd de terneergeslagen gemoederen der mensen op te beuren en te troosten.

Document

Naam: CARITATE CHRISTI COMPULSI
Over het gebed en het eerherstel aan het Heilig Hart van Jezus te brengen in de tegenwoordige beproevingen der mensheid
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 23 mei 1932
Copyrights: © Ecclesia Docens uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam